|
|
|
| |
| | | |
Samuel Coster als dramatisch experimentator
door Lieven Rens
Natuurlijk behandelt geen enkele geschiedenis van de Nederlandse
literatuur de opkomst van het Renaissance-drama, zonder
Samuel Coster te vermelden. Maar anders dan voor
Hooft,
Bredero, de jonge
Vondel, blijft het doorgaans bij vermelding. Coster is
het type van de literair-historische, literair dode auteur. Misschien is een
verandering op til: de her-editie van
Teeuwis de Boer in een populaire reeks
1 kan symptomatisch zijn.
Niet ten onrechte wordt veelal de nadruk gelegd op de
organisatorische en stimulerende rol van Coster. De stichting van de
Nederduitse Academie is een grootse (en Europees vroege) daad en het is
duidelijk dat Bredero b.v. voor zijn ontplooiing veel te danken heeft gehad aan
de steun van de Amsterdamse geneesheer. Eveneens terecht ziet men Coster verder
als polemist, enerzijds tegen de heersende kerk en de kunstvijandige dominees,
anderzijds tegen
Rodenburg en zijn ‘vrije’ theateropvatting.
Deze visie leidt evenwel tot enkele conclusies, die kritischer bekeken dienen
te worden: 1. dat in stukken als
Iphigenia en
Polyxena vooral de polemist Coster naar voren
komt; 2. dat Coster een voorvechter was van het klassieke toneel
2; 3. dat Coster als scheppend auteur minder belangrijk is dan in die
andere kwaliteiten.
Het doel van deze bijdrage is overeenkomstig die punten drievoudig:
1. het aandeel van Costers polemische ader nauwkeuriger vaststellen; 2. het
beeld van Coster als classicist nuanceren; 3. de creatieve dramaschrijver beter
tot zijn recht laten komen.
Een eerste noodzaak is dan wel: niet uitgaan van enkele beroemde
stukken en de daarbij horende dooddoeners, maar van de hele reeks van Costers
werken. Zijn oeuvre, in 1882 in een nog | | | | altijd honorabele editie
uitgegeven door Kollewijn
3, omvat de volgende stukken:
| Klucht van Teewis de Boer, 1612 |
| Spel van Tiisken vander Schilden, 1613
4 |
| Spel van de Rijcke-Man, 1615 |
| Ithys, treurspel, 1615 |
| Iphigenia, treurspel, 1617 |
| Isabella, treurspel, 1618, gedr.
1619 |
| Ghezelschap der Goden etc., 1618
4 |
| Polyxena, treurspel, 1619
5 |
| Nederduytsche Academie, 1619 |
| Niemant ghenoemt, niemant gheblameert,
1620 |
Wat onmiddellijk opvalt is de korte duur van Costers creatieve
periode: acht à negen jaar. Daarvoor is velerlei uitleg mogelijk. De man
kan een type van jeugdcreativiteit geweest zijn, die met veertig uitgeschreven
was. Hij kan het ook vanaf 1620 als dokter te druk hebben gehad om nog veel te
schrijven. Tenslotte is het mogelijk dat hij een zekere mate van tegenkanting
nodig had om actief te worden en dat hij die in de panier de crabes van
de Amsterdamse rederijkerskamer vond, maar dat hij zich bij al te sterke en
vooral officiële tegenwerking terugtrok: men weet dat hij na klachten van
de dominees bij de burgemeesters ter verantwoording geroepen werd, en dat
coïncideert verregaand met de datum waarop hij begint te zwijgen. Blijft
dan toch het merkwaardige feit dat hij aan
Iphigenia en
Polyxena, voor drukken die het licht zagen na
Vondels
Palamedes, passages toevoegt die bijzonder
agressief zijn tegen de predikanten. Ons interesseert intussen niet Costers
zwijgen, wel zijn spreken, om niet te zeggen zijn schreeuwen, wat het soms
werd.
Een tweede punt dat opvalt is de diversiteit in zijn oeuvre. Het
omvat op het eerste gezicht een klucht, een vaak bij de kluchten gerekend spel
(Tiisken), een zinnespel (de
Rijcke-Man), drie gelegenheidsspelen en vier tragedies. En in
één en hetzelfde jaar verschijnen van één en
dezelfde auteur een (eerder ouderwets) zinnespel en een (zeer moderne)
tragedie. Het beeld wordt nog bonter als men Tiisken gaat ontleden en
moet vaststellen dat het | | | | hier eigenlijk om een comi-tragedie gaat,
en als men binnen de treurspelen gaat differentiëren. Dan blijken daar
drie klassieke tragedies (althans naar de stof) naast één
romaneske te staan, dan is er een uitgesproken exitus infelix in
Ithys en
Polyxena, naast een ontragisch einde in
Iphigenia en een in verheerlijking omslaande
martelaarsdood in
Isabella, en dan bestaat Ithys voor bijna
de helft uit pastorale scènes
6,
terwijl Isabella er komische en groteske telt. Was
Coster een grillige figuur, of zou hij soms zoiets als een
experimentator zijn geweest? Een structuuranalyse van de stukken dringt zich
op.
Teeuwis de Boer wordt door
Coster zelf een klucht genoemd. Maar wanneer we die
vergelijken met Bredero's
Koe uit hetzelfde jaar, dan worden heel sterke
verschillen merkbaar.
Bredero, met zijn onuitdrukkelijk in enkele scènes
verdeelde eenakter, staat nog heel dicht bij pre-renaissancistische komische
vormen. Het werk van Coster daarentegen is formeel niets minder dan een
blijspel. Het bevat ruim 1700 verzen, het is ingedeeld in Delen (bedrijven) en
Uitkomsten (scènes), de intrige is door neven-intriges vrij
gecompliceerd gemaakt, de bezetting is tamelijk talrijk en omvat enkele vaste
types als de domme edelman, de mof, de hoorndrager (alle in één
persoon), de lompe knecht en de handige meid. Wel is de klucht in vrije verzen
geschreven, maar dat geldt ook nog voor de
Warenar; alexandrijnen in een komisch stuk
gebruikt pas
Constantijn Huygens met succes in
Trijntje Cornelis. Deze elementen zijn sinds lang
vrij goed bekend, en Teeuwis krijgt overal met ere zijn plaats onder de
voorlopers van het blijspel.
Een veel minder goed bestudeerd stuk is
Tiisken vander Schilden. Toch bestaan er weinig
even raadselachtige fenomenen in onze dramatische literatuur. Meestal wordt het
stuk met de kluchten geassimileerd en dat is geen wonder, want de toon is bijna
doorlopend die van het grof komische spel en de dienaarsfiguren zijn zo
mogelijk nog karikaturaler dan in Teeuwis zelf. Maar waarover gaat het?
Tiisken is een gewezen krijgsman die in vredestijd, om aan zijn behoeften en
aan die van zijn vrouw tegemoet te komen, zijn toevlucht moet nemen tot
rooftochten. Vertoond worden alleen een paar oplichtersstreken, die niet veel
erger zijn dan practical jokes, maar Tiisken is blijkens latere reacties
van | | | | andere figuren toch de schrik en de plaag van een hele streek
geworden, tegen wie de overheid uiteindelijk wel moet ingrijpen. Hij wordt
gevangen genomen en hoopt nu dat zijn vrouw hem zal vrijkopen - anders wordt
het de galg. De vrouw gaat inderdaad op weg om de gevangene te verlossen, maar
wanneer hij haar verwijt dat haar verspilzucht hem zo ver heeft gebracht, laat
ze hem aan zijn lot over. Tot opluchting van het volk en als afschrikwekkend
voorbeeld wordt Tiisken gehangen. Ongetwijfeld dus een tragisch einde voor de
hoofdpersoon, en dat alleen al zou ons recht geven op het gebruik van de vrij
unieke genrebenaming ‘comi-tragedie’. Het stuk is dat evenwel in
nog veel ruimere mate. Want zozeer de komische toon overweegt en in het begin
het hele stuk draagt, zozeer wordt hij van het midden af door andere toonaarden
afgelost. De scène waar de waard een boer doet opdraaien voor Tiiskens
gelag, heeft veel kluchtigs, maar is knarsender dan dat. De boer zweert niet
zomaar wraak, dat voelt men goed aan. Wanneer hij weer opkomt, is het in een
sociaal gevoelige scène, die duidelijk het leed suggereert dat een rover
als Tiisken een hele landstreek aandoet, en blijkt de wrok die in hem brandt
plotseling een voor Tiisken fataal gegeven te worden. Donker grommend begint
het, de Roo Roe (dievenvanger) verschijnt, de boer leent zich tot het stellen
van een val, waar de rover inloopt. Uit de commentaar van de gevluchte
handlangers blijkt dat het niet goed meer kan aflopen. De mededeling aan de
vrouw gebeurt nog in onvervalste kluchtstijl, maar wanneer ze verneemt dat haar
man gevangen is, reageert ze plotseling als offervaardige echtgenote, die
meteen afreist om hem vrij te kopen. Wanneer ze aankomt aan de vesting waar hij
zit, slaat het vrije vers vanaf v. 1479 zowaar om in pathetische alexandrijnen
- je reinste verheven tragedietoon, en klaarblijkelijk zonder enige bedoeling
van parodie. Tussen die alexandrijnen lopen dan citaten uit het volkslied waar
Coster het thema vond, er sterk mee verwant, en toch met
kleine metrische afwijkingen die een heel ander ritme teweeg brengen. Wanneer
de vrouw zich tenslotte onder de aandrang van haar personeel van Tiisken
afkeert, gaat het stuk in vrije verzen zijn einde tegemoet, in een paar van
elkaar los staande, maar heel suggestieve scènes.
Tiisken is in feite een onvoorstelbare
mengelmoes, voor drie vierde klucht, voor een klein deeltje romanesk drama, in
bepaalde opzichten episch theater van pre-renaissancistische stempel. Het staat
aldus in alle opzichten apart, want het is helemaal niet onder te brengen bij
de tragicomedie of bij het treurspel met gemengde toon als
Rodd'rick ende Alphonsus. Het is bijna een
sociaal-burgerlijk spel met enerzijds kluchtige, anderzijds moraliserende
inslag - maar daar blinkt het | | | | hoofs-romaneske dan weer zo vreemd
tussen. In ieder geval kan men eruit besluiten dat er op dat ogenblik voor de
schrijver geen vaste toneelwetten bestonden, dat hij op de hoogte was van tal
van tradities en mogelijkheden die hij in souvereine vrijheid toepaste naar
gelang het bij zijn stof paste. De veeltonigheid zit trouwens niet alleen in
het dramatische, maar zelfs in het cultuurhistorische, met zijn
laat-middeleeuwse naast barokke elementen. Er wordt overduidelijk naar een
eigen vorm gezocht, zonder enig bewustzijn van zich opdringende regels. Een
experimentele mengvorm, beter kan men het niet uitdrukken.
Ondanks de klassieke indeling in
Teeuwis en de alexandrijnen in
Tiisken lijkt dit allemaal nog sterk in het
verleden vast te hangen. Eenzelfde indruk wordt op het eerste gezicht gewekt
door het
Spel van de Rijcke-Man van 1615. Dit is inderdaad
een zinnespel met praktisch louter allegorieën en typische figuren, rond
een zeer concrete inhoud: het is een loterijspel, geschreven ten voordele van
een tombola waarvan de opbrengst het oudemannenhuis te goede moest komen. Maar
dan toch weer een zinnespel met renaissancistische trekken: het is in optima
forma in bedrijven en scènes onderverdeeld, in alexandrijnen geschreven,
er komen reien in voor en een vrij Senecaans aandoende Quade Gheest. Toch
primeert de moraliserende gedachte. Die is, dat de christen uit zuivere
naastenliefde zou moeten geven, maar dat helaas niet doet, en dat juist daarom
loterijen zijn uitgevonden: de arme geeft uit hoop op winst en omdat hij later
zelf wel eens een tehuis voor oudjes nodig kan hebben, de rijke, eigenlijk
helemaal opgegaan in egoïsme, geeft vooral uit eerzucht.
Coster is in deze delen allerminst psychologisch
propagandist, eerder prediker. De mensen van wie hij voor de loterij geld zou
moeten krijgen vleit hij geenszins, integendeel, hij geselt ze onbarmhartig,
zeker de rijke man; Ghemene Man, de gewone mens, wordt eerder realistisch en
met sociale sympathie benaderd. Na al dat theoretisch discussiëren in het
eerste deel, komt dan plotseling in het vierde bedrijf de uitbeelding van de
parabel van de rijke man en Lazarus, met alleen de rijke man en
de Christusachtige Waarheid als gemeenschappelijke figuren. De feestvierende
rijke laat Lazarus creperen, die wordt door de Waarheid naar de hemel
meegenomen. De rijke wordt bij zijn feestmaal onwel en sterft; met een
parafrase van de bijbelse woorden eindigt het geheel. Een eerste vaststelling:
het stuk valt uiteen in twee zeer verschillende delen, die praktisch nergens
met elkaar geïntegreerd zijn: een stuk zinnespel en een stuk realistisch
toneel met kluchtige en apotheotische delen. Wat het eerste betreft krijgt men
de indruk dat de vlucht van de goede machten naar de hemel, uit Hoofts
Geeraerdt van Velsen, model | | | | heeft
gestaan. Overigens worden hier de onzekerheid en diversiteit in de vormgeving,
die we bij
Tiisken hadden aangetroffen, bevestigd. Ze gaan
m.i. gepaard met iets veel ernstigers, nl. dat er bij
Coster een meer centrifugaal dan eenheidscheppend principe
aan het werk is. Het tweede punt dat opvalt is, hoe Costers persoonlijkheid
hier doorschemert. Het is die van een hevig geëngageerd, zich drastisch
uitdrukkend temperament, met een sterk belerend en zedenverbeterend ethos. Er
steekt iets van een boetpredikant in deze dichter, dezelfde onverschilligheid
voor andermans persoonlijke gevoelens, dezelfde hoogstaande motivering,
dezelfde psychologische onhandigheid. Daarnaast legt Coster bij het overdenken
van het probleem der liefdadigheid een sterk intellect, een sterk
rationalistische ingesteldheid aan de dag. Het is niet uitgesloten dat hij hier
de vorm van het zinnespel heeft gekozen, omdat de nieuwere vormen nog te zeer
beperkt bleven tot het begrip van ingewijden, en onvoldoende tot het volk waren
doorgedrongen. Al het voorgaande mag trouwens niet uit het oog doen verliezen
dat Coster hier soms enorme toneeleffecten bereikt, zoals bij het verschijnen
van Quade Gheest tijdens het kluchtige optreden van de dokter. Een klassiek
effect is dit evenwel allerminst!
En dan, in hetzelfde jaar 1615, verschijnt naast het eerder
ouderwetse zinnespel het voor de tijd bijzonder vooruitstrevende treurspel
Ithys. Het is moeilijk zich iets in te denken dat
meer met het voorgaande verschilt, dan dit stuk. En de indruk wordt bevestigd
dat
Coster moeilijk tot de nodige beperking en eenheid kwam,
maar zo was aangetrokken door de veelheid van verschijnselen die hem alle
tegelijkertijd interesseerden, dat hij in alle richtingen wilde experimenteren.
Die indruk komt niet alleen van het verschil tussen de
Rijcke-Man en
Ithys. Hij komt ook van de structuur van de
tragedie zelf. De eerste twee bedrijven kunnen inderdaad niet anders dan als
pastoraal gekenmerkt worden. Zelfs in zijn geheel beschouwd wordt Ithys
sterker door het pastorale element bepaald dan b.v. Hoofts
Granida. Het merkwaardige is daarbij dat het
pastorale hier minder voorkomt als hoofse travestie, dan als werkelijke
weergave van de levensvoorwaarden der landbewoners, die relatief gelukkiger
zijn dan de hovelingen. In hun landelijke authenticiteit wijzen ze vooruit naar
Leeuwendalers, eerder dan aan Granida te
herinneren. Bij nader toezien is de integratie van herdersspel en treurspel
trouwens niet zo slecht geslaagd. Maar eerst nog een woordje over het tragische
thema. Het gaat om de geschiedenis van Tereus, die Philomela, de zuster van
zijn vrouw Progne, heeft misbruikt en dan, met uitgesneden tong, op het land
heeft verborgen om haar bij gelegenheid nog te bezoeken. Philomela weet via een
weefstuk Progne te verwittigen. Daarop | | | | slacht Progne Tereus' kind
Ithys en zet het hem als maal voor. De stof komt uit de
Metamorfosen van
Ovidius, maar bezit in haar verwantschap met
Thyestes alle eigenschappen voor een Senecaanse
verwerking. Hoe combineert
Coster dat nu met het pastorale element? Hij laat het stuk
beginnen met toneeltjes uit het onbezorgde leven van de jonge mensen op het
land. Kort en geweldig vaart daar een dissonant tussen, wanneer Tereus brutaal
een jongen in zijn jacht inschakelt. Uitstekend wordt hier gesuggereerd dat er
een machtiger wereld bestaat die aan de donkerste passies offert en voor niets
terugdeinst, die van het hof. In een volgend bedrijf wordt het arcadische
heldinnetje Gruzella door haar moeder met een kostbaar weefstuk naar het paleis
gezonden; het blijkt dat Philomela bij de moeder is ondergebracht. Progne maakt
nu van een landelijk feest gebruik om Philomela te verlossen; wanneer het
landvolk haar op het hulpgeroep van Gruzella's moeder ter verantwoording roept,
maakt ze zich hooghartig bekend als de koningin en nodigt ze allen uit om
getuige te zijn van de ontknoping. Ze is inderdaad ten prooi gevallen aan een
demonische wraakzucht, die
Coster in de hoogste kleuren en schrilste tonen uitbeeldt.
Wanneer beide vrouwen Ithys doden en verscheuren, hebben we niets menselijks
meer. En het slot, waarin Philomela voor Tereus verschijnt nadat hij Ithys
heeft gegeten, en de razende koning de vrouwen beestachtig afmaakt, is nog
gruwelijker. De hofwereld heeft nu tenvolle zijn afschuwelijk gelaat getoond en
de herders troosten zich met hun bescheiden maar gerust bestaan.
Ithys heeft vele kwaliteiten. De landelijke
scènes zijn geslaagd en voor het eerst weet
Coster de hedendaagse lezer van zijn werk esthetisch te
treffen. De integratie van hof- en landleven is zeer verdienstelijk, juist
omdat er naar een organisch verweven van beide lijnen is gestreefd. De
wraakmonologen van Progne en de gruwelbeschrijvingen zijn aan de extreme kant,
maar toch het meest gepassioneerde, het vanuit de donkere drift meest
overtuigende wat ons renaissancedrama tot dan toe had gepresteerd. De
geëngageerde didacticus Coster blijkt hier ook een authentiek driftmens te
zijn, ja als zodanig de groten van de Gouden Eeuw te overtreffen. Sommige
passages zijn huiveringwekkend sterk. Vóór Coster, b.v. in de
Geeraerdt van Velsen, blijft de
Seneca-imitatie formeel; hier gaat ze veel dieper.
Daarenboven is
Ithys wel het eerste stuk in onze klassieke
literatuur, waarin de ergste gruwelen op het toneel zelf vertoond worden. De
kindermoorden in Duyms
Spiegel des Hoochmoets, de gevechts- en
schendingscènes in Hoofts
Achilles en Polyxena zijn niet te vergelijken met
de slachting, eerst van Ithys, dan van de vrouwen. Ze blijven hoofdzakelijk
beperkt tot het gebeuren als zodanig, | | | | terwijl
Coster eerst de verschrikkelijke affecten uitbeeldt die
tot de gruwelen moeten leiden, en dit niet zonder meesterschap doet. Bij
grondige analyse echter geeft ook dit stuk, althans in de geautoriseerde versie
van 1619, ergens een onafheid bloot, die het verzwakt. De versie van 1615
vertoont heel wat meer samenhang. De landelijke scènes nemen er m.n. in
het vierde bedrijf minder plaats in. De huidige scène IV,4, die nu
alleen ergens op het land kan plaats vinden (en daardoor veel onverklaarbaars
insluit), gebeurde in het paleis zelf, zoals blijkt uit de aanwezigheid van
Ithys en de verzen 1365-:
Neemt Philomela 't hooft, en schuift hier achter 't kleet,
Daer de Tyran aenzit ghemeynlijck als hy eet.
Dit is later bij de uitbreiding van de landelijke scènes uit
het oog verloren, zeer tot schade van het stuk. Werkte Coster te haastig? Is
hij een ander voorbeeld van die slordigheid en inconsequentie zoals ze m.n. bij
Bredero zo vaak voorkomen? Liet zijn dokterspraktijk hem
niet de tijd om zijn werken naar behoren af te ronden? We weten het niet. We
kunnen alleen maar vaststellen dat de afgeronde eenheid, die voor een
renaissancistisch stuk toch voorwaarde van volmaaktheid is, bij Coster
ontbreekt en helaas blijft ontbreken. Het is jammer, want Costers creatieve
gedrevenheid en veelzijdige verbeeldingskracht waren groot genoeg voor een
groot dramaturg.
Zo is
Iphigenia, het treurspel dat in 1617 verschijnt,
alweer iets gans anders. Dit stuk is van Costers tragedies het meest vermelde,
maar daarom niet het best gekende, want zelden lijken de literair-historici
zich de moeite te hebben getroost het nog eens grondig te lezen. Vandaar dat
het doorgaat als een soort tendensstuk, met de spits tegen de predikanten
gericht. Mijn kijk op het stuk is wel wat anders. Het thema is het bekende van
Iphigenia in Aulis en de imitatio van Euripides is onloochenbaar, ook al
begrijpt de moderne vergelijker moeilijk, hoe men op zo'n noodlottige manier
van het geniale voorbeeld kon afwijken. Euripides' stuk is een hartstochtdrama,
wisselend en klemmend, met een constante spanning en steeds nieuwe verrassende
contrasten en omkeringen, waaraan een hoge schoonheid ontvonkt. Bij
Coster blijft daar niets van over. Van bij het begin weet
men dat Ulysses en Eurypilus een complot tegen Agamemnon op touw hebben gezet.
Ze hebben het volk wijs gemaakt dat de goden (van wie ze heel goed weten dat ze
niet bestaan) het offer van Iphigenia eisen, omdat ze hopen dat Agamemnon zich
daartegen zal verzetten en zich aldus als opperbevelhebber onmogelijk maken. De
man die met het probleem zit, is dus Agamemnon. Offert hij zijn dochter of
verzaakt hij de | | | | macht en de veldtocht tegen Troje? Eigenlijk is het
probleem niet eens zo klemmend. Calchas kent immers het middel om de
tegenstanders beet te nemen: men moet doen alsof men het spel speelt, en een
godsverschijning ensceneren, die het offer van Iphigenia afwijst. Het meisje
moet dan weliswaar verwijderd worden, maar haar leven blijft gespaard. Om te
beginnen wil Agamemnon zelfs dat niet. Liefst zou hij het complot de kop
indrukken; maar de politieke omstandigheden veroorloven dat niet. Na nog enige
aarzeling geeft hij dan ook tenslotte toe aan de politieke wijsheid. Hoe men
daarmee vijf bedrijven vult? Ten eerste door Agamemnon lang en grondig te laten
twijfelen, door voor- en tegenstanders in lange, soms gepassioneerde
redevoeringen aan het woord te laten, door inzake Iphigenia zelf niet
onbehendig een kunstmatige spanning te wekken. Eerst: zal ze komen? Dan: ja,
Ulysses is haar gaan halen, zogezegd om met Pyrrhus te huwen. Dan: hoe zal ze
reageren, wanneer de ware reden voor haar komst haar onthuld wordt? Zodra er,
na het derde bedrijf, wat actie in het stuk komt, verbetert het zienderogen;
maar de initiale handicap van de lengte, het discussiekarakter, het vroege
blootgeven van de uitkomst kan het niet meer te boven komen. Qua eenheid is er
intussen vooruitgang geboekt ten opzichte van
Ithys, het stuk verwerft een klassieke
homogeniteit. En daarmee komen we aan het probleem van de tendens. Doorgaans
wordt
Iphigenia beschouwd als een stuk tegen de
predikanten die ‘onder schijn van godsdienst’ het volk politiek
opruien. Iets daarvan steekt er zeker in, en dat iets heeft
Coster fel versterkt bij latere opvoeringen en drukken,
die van na Vondels
Palamedes dateren: in die tijd moet hij b.v.
Eurypilus hebben laten uitbeelden als een karikatuur van Trigland. Van zulke
excessen is m.i. in het oorspronkelijke stuk niets te vinden. Ik zie er een
heel andere, rationele beweegreden in.
Coster heeft klaarblijkelijk een imitatio van
Iphigeneia in Aulis willen leveren. Maar hoe kon
hij dat voor zijn 17de-eeuws publiek geloofwaardig maken? Coster was een modern
denkend rationalist, een voorloper van de Verlichting, zou ik durven zeggen.
Hij zag dus het probleem als volgt: die goden hebben nooit bestaan, ze kunnen
dus nooit zijn verschenen, de antieke dichters moeten dat geweten hebben.
Verschijningen konden ten hoogste geënsceneerd zijn, en als de dichters
dat spel ooit hebben meegespeeld, dan moeten ze daarbij exemplarische
bedoelingen hebben gehad. Eenmaal dat inzicht gewonnen, heeft Coster het in
zijn Iphigenia als zodanig willen uitbeelden; dat blijkt duidelijk
genoeg uit de Inhoudt. Zijn stuk is dus een rationalistische ontmaskering,
waarin wordt aangetoond hoe iets, om het met de woorden van Péguy te
zeggen, ‘qui avait commencé en mystique, finit en
politique’. En | | | | op die manier belandt de dichter opnieuw in
een nefaste tweeslachtigheid, want hij slaat de bodem in waardoor zijn stuk
ontroerend was kunnen worden zoals Euripides' model dat ontegensprekelijk is.
Wat gaat er nog uit van de gewetensstrijd van Agamemnon, voor wie ten eerste de
hele kwestie een politieke aangelegenheid wordt, terwijl ten tweede Iphigenia
niet eens zal hoeven te sterven? Of van Iphigenia's offervaardigheid wanneer ze
weet dat alles maar comedie is? Of van de dea ex machina wanneer men
weet dat het om een gespeelde rol gaat? Had
Coster er dan nog een satire van gemaakt! Maar daarvoor
was hij hier te ernstig. Hij is helemaal bezweken voor de verleiding om het
thema alleen te gebruiken als masker voor een drame à
thèse. Die thesis hebben we intussen nog niet helemaal weergegeven.
Enerzijds ging het om rationalistische ontmaskering van de waan der antieke
godenwereld, om ontmaskering ook van clericaal gedoe dat van het bijgeloof
misbruik maakt. Maar Coster was, in tegenstelling met wat men soms zou kunnen
menen, geen negatieve geest. Hij was een ‘aufklärerisch’
opbouwer. En dus moest hij iets positiefs in de plaats zetten. Dat positieve
was het natuurlijke, de mens ingeschapen gevoel voor goed en kwaad, voor echt
of onecht, zijn natuurlijke intuïtie voor wat er echt goddelijk is. Coster
richt zich helemaal tegen de ‘eenzyigheid’, tegen de godsdienstige
partijdigheid, die de ware godsdienst vervalst. Hij hangt dan ook van die
partijdigheid een karikaturaal, maar ernstig gemeend schrikbeeld op, dat de
lezer of kijker vanzelf de ogen moet openen voor de ware godsdienstigheid. Die
godsdienstigheid ligt ergens op de lijn die van
Erasmus over
Coornhert naar
Grotius voert, met toch een heel eigen karakter. Coster is
christen, maar zonder enige confessionele beperking. De natuur speelt een heel
grote rol in de godsdienstigheid; wanneer de mens maar die stem van de natuur
in hem kan beluisteren, zal hij religieus juist oordelen. Dan komt daar nog dat
sterk rationalistische element bij, dat ik als ‘aufklärerisch’
aanvoel, ook al in de aanzet tot strijdvaardige getuigenis. Ik geloof dus dat
de predikanten slechts onrechtstreeks het mikpunt van het stuk zijn geworden.
In ieder geval vindt men van heel de constellatie Maurits-Contraremonstranten
niets in
Iphigenia terug. En eerder dan in Coster een
fanatiek polemist te zien, zie ik hem hier als een vrij gematigd aanwijzer van
wat in de ware godsdienst verenigt i.p.v. te verdelen.
Het gaat m.i. niet op, Costers dramatische activiteit hier te
scheiden van zijn werkzaamheid voor de Nederduytsche Academie, een werkzaamheid
waarmee de gelegenheidsstukken samenhangen. Niet dat die gelegenheidsstukken zo
belangrijk zijn. Maar ze laten enkele voor
Coster typische trekken nog sterker uitkomen. Zo het | | | | engagement van de man: hij staat helemaal achter die Academie van hem,
een eigenaardige instelling waar in de volkstaal alle belangrijke wetenschappen
onderwezen worden en men de verschillende soorten poëzie beoefenen kan.
Dan zijn psychologische aanpak: deze gelegenheidsstukken verbinden telkens een
aantal thema's, zo het laten optreden van alle medewerkers, het vertonen van
het hele bezit (een soort controle door inventarisatie), een pleidooi voor de
doelstellingen van de Academie, een excuus voor hetgeen niet verwezenlijkt kon
worden, een afwijzing van de tegenstanders, een verzoenende houding tegenover
de bestaande rederijkerskamers - dit alles in een vrij boeiend kijkstuk. Ten
derde, in samenhang daarmee, zijn fantastische inventiviteit: wat hij ook wil
zeggen, telkens zal hij er de passende allegorische inkleding voor vinden, met
een tikje relativering, een tikje geestigheid, een tikje venijn en toch altijd
aan de basis zijn eigen grote goede wil. Ten vierde, zijn humor, die tot
zelfspot gaat (wat moeten de dokters het ontgelden!) en in weinige van zijn
spelen ontbreekt. Ten vijfde, zijn wijsheid - maar ook de grenzen daarvan. Zijn
wijsheid: waar hij aanvalt, is het niet om door persoonlijke aanvallen te
kwetsen; zijn stelregel is: hekel het gebrek in het algemeen, wie het schoentje
past zal het wel aantrekken. Dit is een vaak voorkomend thema bij
Coster, zo vaak dat het argwaan gaat wekken. En
inderdaad, juist deze wijsheid is hem niet in vlees en bloed opgegaan,
voortdurend springt zijn temperament uit de band. En zo ontbreken juist in de
stukken van de laatste jaren de zeer herkenbaar persoonlijke aanvallen op
Rodenburg niet: deze moet als een rode lap op de stier
Coster hebben gewerkt. Anderzijds heeft de gematigheid, de verzoenende houding
toch altijd het laatste woord. De verdediging van de Academie wordt nergens
proselytisme. De bestaansreden van de traditionele kamers wordt ten volle
erkend; Coster ijvert alleen opdat ze niet helemaal in de handen van zijn
vijanden terecht zouden komen. Dus, wat ons van de auteur van
Iphigenia niet moet verwonderen, een bewuste
politieke kijk.
De antipathie tegen
Rodenburg enerzijds, de klassieke inspiratie van
Coster anderzijds lijken nergens duidelijker tot uiting
te komen dan in het beroemde voorwoord bij de
Isabella. Coster valt hier heftig degenen aan die
er maar op los schrijven zonder zich te richten naar de regels die door de
Ouden zijn vastgelegd en die men kan putten uit
Aristoteles,
Horatius,
Scaliger en
Heinsius. Hola! wat een nadruk op de theorie en,
blijkbaar, welk een kennis van die theorie! Het minste wat men kan verwachten
is dan ook dat Coster zelf zich nauwkeurig aan die klassieke regels zal houden.
Nu, tot die regels behoren o.m. de eenheden van handeling, tijd en | | | | plaats, en we hebben gezien dat zowel
Ithys als ook
Iphigenia daar zwaar tegen zondigen. Misschien
heeft hij in het jaar dat
Isabella van
Iphigenia scheidt daar veel over bijgeleerd?
Misschien is hier de invloed van
Hooft, reeds altijd in de overname van details merkbaar,
beslissend geworden - is Isabella toch door Hooft zelf op het getouw
gezet en diende het toch om op Muiden te worden opgevoerd bij een bezoek van
Prins Maurits? Helaas, wie naar een klassiek treurspel zoekt, zal ontgoocheld
worden, ook al past
Coster voor eenmaal de voormelde regels formeel toe. En
als Isabella een van de boeiendste verschijnselen van het
renaissancedrama bij ons is geworden, dan eerder door zijn afwijkingen van het
klassieke. Er ware ook wel duivelskunst mee gemoeid indien iemand erin slaagde
op dit door en door romaneske thema, dat recht uit de Orlando furioso
komt, een echte klassieke tragedie te maken. De romaneske stof heeft, zeker in
de vroege 17de eeuw, veel meer aanleiding gegeven tot tragicomedies of
treurspelen in de vrije stijl. En dat is ook normaal. Van nature is dit een
avonturenstof, waarvoor wisseling van tijd en van plaats en veelvuldigheid van
handeling a.h.w. natuurnoodzakelijk zijn; komt daarbij de middeleeuwse
fantasie, die zo weinig te maken heeft met de antieke geest, en de mengeling
van toon, die voor het genre zelf en zeker voor
Ariosto typisch is. De stof van Isabella, Zerbijn en
Rodomont is dan ook in de Franse literatuur
7 en bij ons door
Rodenburg (in datzelfde jaar 1618)
8 op vrije wijze verwerkt.
Eigenlijk kon
Coster dus moeilijk een minder geschikte stof uitzoeken om
er de waarde van de klassieke regels aan te demonstreren. Waarover gaat het in
Isabella? Isabella en Zerbiin, koningskinderen
bij wie het lot de liefde voortdurend is komen dwarsbomen, genieten eindelijk
in een idyllische omgeving elkaars aanwezigheid. Plotseling ontdekt Isabella
stukken van de wapenrusting van Roeland, die deze later blijkt in waanzin te
hebben verspreid. Ter ere van de held, wie beiden dank verschuldigd zijn, richt
Zerbiin de wapenen tot een soort monument op. Komt daar Mandricard voorbij, die
zopas de geliefde van Rodomont heeft ontvoerd, hij eigent zich de wapens toe en
als Zerbin ze hem wil ontnemen, doodt hij deze. Isabella begraaft haar geliefde
met de hulp van een kluizenaar. Die tracht haar tot het geestelijke leven te
overhalen. Maar dan treedt de dronken Rodomont op, die in een hevige begeerte
tot Isabella ontvlamt en de kluizenaar doodslaat. | | | | Het meisje weet
de woesteling even op het spoor van Mandricard af te leiden, maar hij laat haar
bewaken en zij begrijpt dat haar eer in gevaar is. Wanhopig zoekt ze een
uitweg, tot Zerbiin haar verschijnt en haar een reddende raad geeft. Ze smeekt
Rodomont haar liefde te eerbiedigen; in dat geval zal ze hem een tovermiddel
aan de hand doen dat hem onkwetsbaar zal maken. Hij belooft het. Zij gaat nu
kruiden zoeken, maakt er een brouwsel van, strijkt het aan haar hals en zet
Rodomont ertoe aan, met zijn zwaard de proef te nemen. Natuurlijk onthoofdt hij
haar en hij barst in de bitterste jammerklachten uit. Maar nu verschijnen
engelen met Zerbiin, ze jagen Rodomont weg en het minnaarspaar wordt in de
hemel opgenomen. Dit allemaal in één dag en op één
plaats samenpersen is al fameus. Maar Coster maakt het zichzelf nog moeilijker.
Alsof hij een tragicomedie aan het schrijven was, laat hij in het gevolg van
Rodomont onvervalste komische figuren optreden, een kluchtig paar en een
krompratende dokter. Zeer zeker wendt hij ze functioneel aan: de man uit het
kluchtige koppel heeft de wijn gestolen waar Rodomont en de zijnen zich aan
bedrinken - zodat de passie voor Isabella verklaarbaar wordt; en de dokter moet
Isabella begeleiden om haar te controleren en om notitie te nemen van de
gebruikte kruiden. Maar in Coster stak teveel van de kluchtschrijver om aan
deze figuren niet enig autonoom leven te verlenen. En in hun zog wordt Rodomont
meegesleept, die daardoor een groteske figuur wordt. Reeds in
Iphigenia had
Coster niet overal de lapsus in een minder ernstige of
verheven toon kunnen vermijden, m.n. bij de figuren Thersites en Protesilaus.
Maar nu komt het tot een echte groteske. Dit element op zichzelf al brengt het
stuk als tragedie in gevaar. Maar het tragische wordt nog verder opgeheven,
doordat Isabella en Zerbiin a.h.w. verrijzen en in een apotheose ten hemel
varen. Eigenlijk zijn alleen de formeel toegepaste eenheden
‘klassiek’ in dit stuk, voor al het overige verraadt het zijn
karakter van gelegenheidsspel, waarbij de dichter van de meest verschillende
ingrediënten gebruik maakte, opdat de aandacht van de hoge gast toch maar
voortdurend gespannen zou blijven. Met de indeling in bedrijven b.v. gaat het
helemaal niet, de zogezegde scheiding tussen IV en V valt in het midden van een
doorlopende kluchtige passage. Het stuk is natuurlijk in alexandrijnen
geschreven, maar de kluchtige passages staan in vrije verzen. Anders gezegd, op
een wezenlijk romaneske soort tragicomedie, zoals
Bredero en
Rodenburg er schreven, wringt
Coster enkele formeel-klassieke trekken, die er slecht bij
passen. Maar juist op die manier wordt het een typisch stuk voor zijn maker,
een stuk waarvan de disparate elementen zo fantastisch worden samengebracht,
dat men aan een | | | | staalkaart van Elizabethaanse theatermogelijkheden
gaat denken. Daarbij brengt
Coster op een nagenoeg unieke manier in ons drama het
groteske binnen. De stukken van
Bredero en
De Koning die kluchtige intermezzi bevatten, hebben niets
van die aard. Bij hen is er een dubbele toon, ja, maar het kluchtige en het
tragische blijven vrij streng gescheiden, zelfs daar waar, als in
Rodd'rick ende Alphonsus, in een en dezelfde
scène de romaneske ridder en de hem parodiërende gracioso optreden.
Coster echter maakt een van de dragers van het tragische
gebeuren zelf belachelijk, in zijn gesnoef, zijn dronken verliefdheid, zijn
domheid, zijn entourage
9, maar zonder dat die daarom een komische figuur
wordt. De Rodomont die Isabella de wereld belooft, is ergens niet komisch, maar
alleen grotesk. De Rodomont die Isabella doodt en daarna in weeklachten
uitbarst, heeft zelfs helemaal niets komisch. En de louter komische
scènes zijn zo intiem met de rest verweven, dat ze nauwelijks enige
autonome komiek vertonen. Een tweede vrij unieke prestatie van Coster lijkt me
hier de apotheose, veel barokker, veel meer beklemtoond dan de analoge passages
bij
Hooft, die hem eventueel konden inspireren: slot van
Ariadne, slot van
Granida, vlucht van de goede allegorieën in
Geeraerdt van Velsen. Het is een verheerlijking
van gestorven martelaars geworden, autonomer maar tevens gratuiter zo dan b.v.
in Vondels latere
Maeghden; het doet zelfs even aan opera denken.
Als durvend experimentator-door-vermenging verschijnt
Coster nergens typischer dan hier en het verleent hem een
vreemd soort grootheid. Alleen niet die van een succesvol klassiek
tragicus… Een woord nog over de louter literaire kwaliteit van Costers
aandeel vergeleken met dat van
Hooft. Niet dat de eerste verzen, die van Hooft, zo
bijzonder veel roem verdienen, maar gewoonlijk worden ze om hun verfijning en
muzikaliteit toch gunstig tegen die van Coster geprofileerd. Ik ben het daar
maar heel gedeeltelijk mee eens. Die van Coster zijn onbetwistbaar grover, ja,
maar ze hebben veel meer karakter en dramatische kracht. Hooft gaat nergens uit
boven de fijnzinnige, maar soms lichtjes lachwekkende parafrase van
Ariosto; zijn hoofsheid is hier helemaal onnatuurlijk,
zoals in de expositio, waar beide figuren elkaars herinneringen met fraaie
tussenpozen onderbreken. Je ziet zo de precieuse acteurs aan het werk, het is
op een ontstellende wijze toneel gebleven. Coster daarentegen maakt de
fantasiewereld waarin zijn stuk speelt geloofwaardig en authentiek aanwezig, al
mochten vers en smaak minder grof zijn.
| | | |
En alweer het volgende jaar verschijnt er een nieuw treurspel van de
Amsterdamse dokter - het is meteen zijn laatste:
Polyxena. Heeft hij uit de vorige klassieke
tragedies en uit het vreemde experiment van de
Isabella genoeg geleerd om nu eindelijk een
volwaardig klassiek treurspel te schrijven? Helaas neen, al meen ik met Smit
10 dat dit
Costers sterkste drama is geworden. En waarom niet? Altijd om dezelfde reden:
het unificerende principe bij
Coster is niet beperking en organisatie, maar menging.
Zijn fantasie, zijn inventiviteit zijn gewoonlijk te rijk en veelzijdig om die
Beschränkung te demonstreren waaraan de ware meester zich laat
kennen. Polyxena is andermaal een experiment geworden, al valt een
zekere zelfimitatie hier niet te loochenen. Het Polyxena-thema op zichzelf is
sterk verwant met het Iphigenia-thema. Weer gaat het om een mensenoffer dat
terwille van politieke redenen geëist wordt door een als afgod fungerende
clericale bedrieger. Maar ditmaal gebeurt het offer echt, ditmaal ontplooit
zich de offervaardigheid van de fiere onschuld in optima forma, ditmaal aarzelt
niet alleen de politiek verantwoordelijke, maar kent de voltrekker van het
offer de hevigste gewetensstrijd en achteraf het diepste berouw. Dit zouden dus
evenveel verbeteringen zijn t.o.v. het vorige stuk. Helaas, zo was het naar
Costers zin allicht onvoldoende gestoffeerd. En hij brengt er niet minder dan
twee, om niet te zeggen drie nieuwe elementen bij
11. Ten eerste de Troades-sfeer
van de overwonnen Trojaanse vrouwen rond Hecuba; ten tweede het Troades-motief
van de ontdekking en doding van Astianax; ten derde de geschiedenis van
Polydoor. Polydoor, een Trojaanse prins, is toevertrouwd aan de hoede van de
Thracische koning Polymnestor; wanneer de Grieken de zege behalen, vreest de
Thraciër voor zijn rijk; hij doodt dan ook de jongen. Deze komt als schim
wraak eisen van Hecuba. Door een list verkrijgt zij met haar vrouwen toegang
tot Polymnestor en ze lynchen hem, wat onmiddellijk bloedig gewroken wordt. De
eenheid tussen het Polyxena-, het Hecuba- en het Polydoorthema is niet kwalijk
geslaagd:
Coster kon beginnen met de onzekerheid omtrent Trojes lot
; eerst laat hij Polydoor vermoorden, dan treden samen met de Grieken de
klagende Trojaanse vrouwen op, Polyxena wordt geofferd, Polydoors lijk
gevonden, Hecuba neemt wraak. Maar om een of andere duistere reden heeft hij
deze organische eenheid bedorven door eerst, in vier scènes, het
conflict tussen Andromache en Ulysses om Astianax uit te beelden. Andermaal:
Coster kon zich niet beperken. In zekere zin was dit een | | | |
felix
culpa, want het begin is uitstekend geslaagd, en het twistgesprek tussen
Andromache en de Griek een meesterlijke scène, zoals ons
Renaissancedrama er niet te veel telt. Maar voor het geheel wordt dit
voorvoegsel (waar ik het althans voor houd) nefast: de onzekerheid in
Thracië omtrent Trojes lot wordt a priori ontkracht, weer hebben we valse
bedrijfsscheidingen na I en II en de organische eenheid van het overige wordt
verstoord. Afgezien daarvan kunnen we alleen weer het hevig Senecaanse karakter
constateren.
Coster is een beter dichter dan
Jan Vos, maar hij preludeert toch soms op diens toon, b.v.
daar waar Hecuba als een furie Polymnestor de ogen uit het hoofd krabt. En ook
hij zorgt voor het zien en het zeggen tegelijk.
Na dit onderzoek van het dramatische werk kunnen we pogen de positie
van Coster in onze letteren te bepalen. En daarbij moet ik denken aan een soort
negatief van het Vondel-beeld van W.A.P. Smit. Bij
Vondel gaat een zeer hoge letterkundige waarde samen met
een verwaarloosbare invloed op tijdgenoten en navolgers - althans wat de
dramatische conceptie betreft. Bij Coster moet de literaire beperktheid worden
geconstateerd - al blijft hij groot ook als schrijver - maar ik heb de indruk
dat de omvang en de duur van zijn invloed niet onderschat mag worden. Het is
een traditie in onze letterkundige geschiedschrijving het Senecaanse toneel bij
ons van
Hooft af te leiden. Zonder over het hoofd te zien wat
Coster zelf aan Hooft heeft te danken, geloof ik dat ook Coster hier een
aanzienlijke, misschien nog aanzienlijker rol heeft gespeeld. Dat toneel
vertoont constant ‘barokke’ trekken van volkse grofheid,
overdrijving, gretige uitwerking van wreedheden, onbeheerste uiting van sterke
affecten; en het heeft niet genoeg aan het zeggen, het wil het zien. Dat vindt
men niet bij Hooft, wel, en ruimschoots, bij Coster. Natuurlijk moet die
affiliatie nog zorgvuldig en concreet worden nagegaan, maar intussen mag de
Coster-hypothese toch naar voren worden gebracht, al was het maar omdat geen
ander belangrijk auteur die typische combinatie van trekken vertoont
12. Daarnaast moeten natuurlijk ook de eigen spelen van Coster
eerst nog grondiger worden geanalyseerd dan in dit bestek is kunnen gebeuren,
en moeten ze vooral aan hun mogelijke bronnen worden getoetst. Zo zal b.v. bij
een nauwkeurige inventarisatie van de Hooft-invloeden (ik noemde ze talrijk)
het eigene van Coster nog duidelijker naar voren komen. Toch durf ik, als
besluit, reeds een beeld van onze auteur te ontwerpen.
| | | |
Coster was een geëngageerde figuur vanuit een
christelijk, maar vooral rationalistisch ethos. Om kunst en kennis in
Amsterdam en geheel Nederland te verspreiden, zette hij zich
totaal in als organisator en als gangmaker van kunstenaars. Zijn eigen
letterkundig werk is gekenmerkt door sterke affecten en een moeilijk aan banden
te leggen fantasie. Hij was allerminst een slaafs navolger van vooraf gegeven
voorbeelden, veeleer een oorspronkelijk combinator van soms zeer vreemdsoortige
elementen. Elk van zijn werken, behalve misschien de klucht van
Teeuwis, is aldus een combinatie geworden en in
ieder werk wordt een andere combinatie geprobeerd. Juist dit combinatorische en
experimentele zou voor volslagen réussites een sterke eenheidscheppende
vormkracht hebben gevergd. Coster bezat die vormkracht niet in de vereiste
mate. Kon hij verschillende combinaties overtuigend realiseren, nooit kwam het
tot volledige integratie. Op die manier vermocht hij, naar klassieke maatstaven
gemeten, geen enkel meesterwerk te scheppen; wel bestaat zijn oeuvre uit een
reeks mijlpalen, waarvan geen enkele de tijdgenoten onverschillig liet of de
huidige literair-historicus onverschillig kan laten. Had Coster als
constructeur sterker mogen zijn, als uitbeelder van hevige, maar echte passies
vindt hij in dezelfde 17de eeuw zijns gelijke niet. Vooral aan de wraakzucht
heeft hij accenten verleend die niet moeten onderdoen voor die van de
Senecaanse en eventuele Franse voorbeelden. Zodra de passie vrije loop krijgt,
wordt de tragedie van Coster geïnspireerd. Wat zijn taal betreft mag hij
inderdaad niet ten volle vergeleken worden met zijn grote tijdgenoten. Hij is
geen lyricus als
Hooft,
Bredero en
Vondel; toch heeft hij mooie reizangen geschreven. Voor
het overige beschikt hij over een direct en krachtig uitdrukkingsvermogen,
zoals het vele artsen eigen is. Terwille van zijn radicalisme, zijn directheid,
zijn kernachtigheid zou ik het ‘drastisch’ willen noemen. Samuel
Coster spreekt drastisch door, waar hij spot, hekelt, preekt, beleert, betoogt,
gepassioneerd uitbarst. Overeenkomstig zijn tijd doet hij dat meestal
oratorisch en pathetisch, maar altijd bezield, uit het hart, en eerder demo-
dan aristocratisch. De barok heeft een affectieve geladenheid nodig om niet
gezwollen te klinken en een rationele of spirituele verfijning om de grofheid
van b.v. een
Jan Vos te vermijden. Coster bezit die affectieve
geladenheid, sterker dan Hooft en dan de Bredero van het dramatische werk, zij
het op een minder verheven niveau dan Vondel. Zijn verfijning is eerder van
rationele dan van spirituele aard, maar geloochend kan ze niet worden. Alles
samen vormt Costers oeuvre wellicht - afgezien van Vondel natuurlijk - de meest
eigen-aardige en omvattende bijdrage van ons hele 17de eeuwse toneel.
|
1S. Costers
Boere-klucht etc. met aantekeningen van Dr.
F.A. Stoett. Opnieuw van een inleiding en van aanvullende aantekeningen
voorzien door Dr. N.C.H. Wijngaards. NV. W. Thieme & Cie, Zutphen, z.j.
(Klassiek Letterkundig Pantheon 172).
2Een opvatting die niet altijd heeft bestaan;
zie W.A.P. Smit,
Twaalf Studies, Zwolle 1968, p. 15-17 en
19.
3Al zou een nieuwe grondige bestudering van
Coster zeker tot aanpassingen leiden, ook in de
teksten.
4Costers auteurschap van dit stuk is niet
bewezen, maar wordt door praktisch alle auteurs aanvaard, m.i.
terecht.
4Costers auteurschap van dit stuk is niet
bewezen, maar wordt door praktisch alle auteurs aanvaard, m.i.
terecht.
5Volgens Te Winkel zou
Polyxena Costers oudste tragedie zijn. Ik
acht dat zeer onwaarschijnlijk omdat de overeenkomsten met
Iphigenia gemakkelijker van dit laatste uit
te verklaren zijn en omdat
Polyxena in Costers evolutie, die toch wel
naar het klassieke toegaat, alleen de laatste term kan zijn.
6Bij de eerste opvoering van
Ithys werd tijdens het eetmaal (!) een kluchtig
‘Tafelspel’ van twee personages opgevoerd, dat in de eerste druk
achter het treurspel werd opgenomen.
Coster protesteerde daartegen in zijn woord vooraf bij
de druk van 1619. We mogen dus aannemen dat noch de klucht noch de idee van de
inlassing van hem afkomstig waren (al weet men nooit, men kan van opvatting
veranderen). Maar het feit zelf typeert de geest van de tijd, die althans in
1615 zelfs in een ‘klassiek’ treurspel vermenging van tragiek en
komiek, beide op de spits gedreven, helemaal niet misplaatst vond.
7Zie de Liste bibliographique des
tragédies in Elliott Forsyth, La tragédie française de
Jodelle à Corneille etc., Parijs 1962 (b.v. de nummers XCIX en CLI,
resp. p. 449 en 456).
8Nader onderzoek zal moeten uitmaken of
Isabella soms niet opzettelijk als concurrerend ‘klassiek’
stuk tegen dat van Rodenburg is geschreven.
9Reeds bij Ariosto is daarvoor wel enige
aanleiding te vinden.
11Wel komt reeds in Seneca's
Troades de koppeling van het Polyxena-thema met
dat van Astianax en dat van Hecuba voor.
12Een eerste aanloop is misschien al bij
Duym aan te treffen; zo is ook de affectgeladen stijl
al aanwezig in bepaalde passages uit
Heinsius' Nederlandse lyriek. Maar
Coster blijft, dunkt mij, de essentiële
schakel.
|
|