terug  begin  verder
[p. 22]



illustratie

[p. 23]

Herfst.

 
Van de hoge bomen
 
Komen
 
Zachtjes, zachtjes, een voor een
 
Blaadjes naar beneên;
 
Blaadjes rood en blaadjes geel.
 
Blaadjes, blaadjes veel te veel
 
Zijn er op de grond gevallen,
 
En daar blijven zij nu alle
 
Wachten, tot de sterke wind
 
Hen daar liggen vindt.
 
 
 
De wind dat is een leuke man,
 
Die goed met blaadjes
 
spelen kan:
 
Eerst schuift hij ze
 
zachtjes over de grond,
 
Dan draait hij ze
 
vrolijk in het rond,
 
Dan gaat hij er
 
over de weg mee jagen
 
Om zo de grote mensen
 
te plagen,
 
Maar ziet hij een
 
geschikte hoed,
 
Dàn pas begint het pretje goed!
 
Hij blaast de hoed
 
van hop, hop, hop,
 
Een heel eind ver
 
de straatweg op! -
 
De heer moet dan
 
heel wat lopen en hijgen,
 
Eer hij zijn hoed
 
terug kan krijgen!
 


illustratie

[p. 24]
 
Maar wat de wind nog verder doet,
 
Dat is toch wel wat minder goed.
 
Als hij genoeg krijgt van het spelen
 
En hem de blaadjes gaan vervelen,
 
Ja, ook zo'n mooie hoepelhoed,
 
Zeg, weet je wat de wind dan doet?
 
Dan gaat hij in de hoogte dwalen,
 
Dan gaat hij zware wolken halen,
 
En, komt hij eindlijk wéér, -
 
Dan valt de najaarsregen neer
 
In stromen,
 
En in de bomen
 
Gaat dan de wind te keer
 
Met somber stormgeluid; -
 
Dan is de zomeruit!
 


illustratie

terug  begin  verder