De marxistisch-leninistische dialectiek wordt wel gedefinieerd als ‘de wetenschap van de meest algemene wetten van de ontwikkeling der natuur, de menselijke samenleving en het denken’, of ‘de diepste, alzijdigste en aan inhoud rijkste leer over beweging en ontwikkeling’, of ‘het resultaat van de gehele eeuwenlange geschiedenis van het leren kennen der wereld, veralgemening van het onomvatbare materiaal der maatschappelijke praktijk’. Nog een definitie: ‘de marxistische dialectische methode, de marxistische dialectiek is de wetenschappelijke benadering van de verschijnselen van natuur en maatschappij, een ontwikkelingstheorie die toegepast wordt op het leren kennen van de objectieve wereld’.
Deze definities munten niet uit door duidelijkheid, al blijkt er wel uit dat de dialectiek iets heel moois moet zijn. Zeker is, dat deze wetenschap, of deze methode, drie wetten kent: de wet van de overgang van kwantiteit in kwaliteit, de wet van de eenheid en strijd der tegenstellingen en de wet van de ontkenning der ontkenning.
De wet van de overgang, of zoals het in het oorspronkelijke hegeliaanse Duits heette, de ‘omslag’ van de kwantiteit in de kwaliteit zegt dat ‘kleine, in den beginne onbeduidende, kwantitatieve veranderingen, zich geleidelijk ophopend, bij een zekere graad de maat van een ding overschrijden en fundamentele kwalitatieve veranderingen te voorschijn roepen, ten gevolge waarvan de dingen veranderen, de oude hoedanigheid verdwijnt, de nieuwe hoedanigheid optreedt’.
Hierbij moet worden opgemerkt, dat men onder ‘kwaliteit’ de ‘onverbrekelijk met het ding verbonden bepaaldheid’, het ‘geheel van wezenlijke trekken’ verstaat, die het ding zijn
relatieve duurzaamheid geven en het van andere dingen onderscheidt.
Dat is dus de wet. Een van de opmerkelijke dingen dezer wet is, dat er geen bewijs gegeven wordt voor haar juistheid. Er wordt ons slechts verzekerd dat haar juistheid door de wetenschap bewezen is. Verder bepaalt men zich tot het geven van voorbeelden. Die voorbeelden zijn er een stuk of tien, twintig, en zij hebben in de loop der jaren weinig variatie ondergaan. Het eerste rijtje voorbeelden vindt men bij de uitvinder dezer wet, de reeds genoemde Duitse filosoof Hegel. Hij noemt: in de rij der natuurlijke getallen verschilt ieder volgend getal op dezelfde wijze van zijn voorganger. Niettemin schept dit proces nieuwe verhoudingen: sommige van die getallen zijn bijvoorbeeld het kwadraat van andere. In een reeks van opeenvolgende noten is opeens een noot de oktaaf van een andere. Bij een bepaalde kwantitatieve verhouding treedt in twee bij elkaar gebrachte stoffen een chemische reactie op. Water dat niet verandert als men de temperatuur verlaagt, verandert opeens wel als de temperatuur het nulpunt passeert. Bij geboorte en dood leiden een aantal graduele kwantitatieve veranderingen tot een kwalitatieve. Door het overschrijden van een bepaalde grens wordt slordigheid misdaad, deugd ondeugd, recht onrecht. Boven een bepaald aantal inwoners verandert de geschiktheid van een land voor een bepaald soort bestuur. (Deze laatste gedachte vindt men terug in het nog al eens gehoorde argument dat de fellow-traveler gebruikt ter verdediging van het overheidsbeleid in de ussr: men moet rekening houden met de omstandigheid dat ‘het een ontzettend groot land is’ en dus niet de maatstaven aanleggen waar men in Nederland mee gewoon is te werken.) Een paar graankorrels worden door er steeds eentje bij te leggen een hoop. Het één voor één uittrekken van de haren maakt op een bepaald ogenblik een paardestaart kaal.
Sommige van die voorbeelden, zoals dat van het bevriezende
water (men werkt ook vaak met kokend water) vindt men in de handboeken van het tegenwoordige sovjetmarxisme terug. Men vindt ook nieuwe voorbeelden, zoals: kwantitatieve verkorting van een snaar leidt tot kwalitatieve verandering van de klank van die snaar. Staal smelt bij een bepaalde temperatuur. Een kernreactie treedt op als een hoeveelheid plutonium een bepaald maximum overschrijdt. Telkens één boom omhakken maakt van een bos een kale vlakte (sovjet-variant van Hegels paardestaart). Er worden ook ‘maatschappelijke’ voorbeelden gegeven: in de maatschappij van het ‘oercommunisme’ leidt de toeneming van de produktiviteit tot het ontstaan van privaatbezit en een klassemaatschappij. Zo leidt het zich geleidelijk aanpassen van biologische wezens aan hun omgeving tot kwalitatieve veranderingen in hun erfelijkheid.
Vaak wordt in dit verband nog medegedeeld, dat die ‘omslag’, die ‘sprong’ van plotselinge aard is, of kan zijn, zoals dat bij bepaalde chemische en nucleaire reacties kan worden geconstateerd en ook bij revolutionaire veranderingen in de menselijke samenleving. ‘De reusachtige maatschappelijke betekenis van de leer der dialectiek over de overgang van kwantitatieve veranderingen in kwalitatieve bestaat hierin, dat zij de wetmatigheid motiveert, de noodzakelijkheid van sociale revoluties bij de overgang van een verouderde maatschappelijke orde naar een nieuwe, vooruitstrevende, bijvoorbeeld bij de overgang van kapitalisme naar socialisme.’
Bij de definitie van deze dialectische wet vindt men aan het eind soms de woorden ‘en omgekeerd’. Ook hiervan worden voorbeelden gegeven, maar niet zo vele: een kwalitatieve verandering in de maatschappij, bijvoorbeeld van kapitalisme naar socialisme, leidt tot een kwantitatieve verhoging van de produktie.
Soms wordt Engels geciteerd om aan te tonen dat alle kwalitatieve veranderingen het gevolg zijn van kwantitatieve.
Men vindt echter geen plaatsen waaruit zou kunnen blijken dat men van mening is dat alle kwalitatieve veranderingen in kwantitatieve omslaan, noch dat alle kwantitatieve veranderingen tot kwalitatieve leiden. Deze onduidelijkheid is te vreemder als men bedenkt, dat men buiten het marxisme-leninisme gewoon is onder ‘wet’ een uitspraak te verstaan, die zegt: als A, dan altijd B. De officiële tekst van deze wet echter luidt: ‘kleine, eerst onmerkbare kwantitatieve veranderingen leiden tot etc.’ - waarbij het onduidelijk is of men bedoelt: er zijn kleine veranderingen die leiden tot... of: alle kleine veranderingen leiden tot etc. Is het eerste het geval, dan hebben we niet te doen met een wet, maar met een uitspraak als ‘sommige stukken ijzer wegen tussen de drie en de vijf kilo’ of ‘regen op zondagmiddag drijft mensen naar de bioskoop’. Is de tweede interpretatie juist, dan kunnen een millioen voorbeelden deze wet nog niet bewijzen, en kan één voorbeeld haar ontzenuwen, al was het maar het voorbeeld dat men het aantal voorbeelden van deze wet ad infinitum kan vermeerderen zonder dat deze onbewezen wet in een bewezen wet omslaat.
Een andere moeilijkheid waar we voor komen te staan als we deze wet willen begrijpen is de grote vaagheid van de begrippen ‘kwaliteit’ en ‘kwantiteit’. Kwaliteit is het ‘wezen’ van een ding. Nu is het merkwaardige dat het ‘wezen’ van water verandert als het bevriest, maar niet als de temperatuur van 20 in 80 graden Celcius verandert. Een taal die geen afzonderlijk woord voor ‘ijs’ heeft zou ons hier al in grote moeilijkheden brengen. Gebruikers van die taal zouden als zij goede marxisten waren moeten volhouden dat het ‘wezen’ van water onveranderd blijft bij bevriezing. Waarom in den vrede verandert het ‘wezen’ van het water wel met de aggregaatstoestand en niet met de temperatuur? Het klinkt oneerbiedig, maar Marx, Engels, Lenin, Stalin en Chroestsjov, de Academie van Wetenschappen der ussr, Jan Romein, Sam
de Wolff, Paul de Groot, Henri Lefebvre, Jean-Paul Sartre en de gezamenlijke filosofen van Peking, Beograd en Tirana kunnen de schrijver van deze regels niet uitleggen waarom het verschil tussen warm en koud water van ‘kwantitatieve aard’ is en het verschil tussen ijs en water ‘kwalitatief’.
Ook als men gaarne bereid is te geloven in deze wet breekt men zich het hoofd erover wat men eigenlijk verondersteld wordt te geloven. Wat heeft men geleerd als men deze wet, die voor de wetenschap belangrijker heet te zijn dan alle wetten der fysica samen, heeft leren kennen? Dat dingen veranderen? Dat een, de oppervlakkige toeschouwer niet opvallende reeks van veranderingen soms opeens gevolgd wordt door een duidelijk waarneembare, soms vrij plotselinge, verandering? So what? Heeft iemand dat ooit ontkend? Heeft ooit een filosoof een regel geschreven waaruit zou blijken dat hem nimmer was opgevallen dat de aggregaatstoestand van water tussen 0 en 100° niet, maar over die grenzen heen wel verandert?
We hebben hier, lijkt het, eigenlijk niet zozeer met een ‘wet’ te doen dan met een aperçu, een formulering, een incidentele visie op de dingen die we ook aantreffen in uitspraken als ‘les qualités de ses défauts’, ‘penny wise and pound foolish’, ‘als het kalf verdronken is dempt men de put’ - allemaal treffende uitspraken die met tal van voorbeelden kunnen worden geadstrueerd en dan ‘wetten’ zouden kunnen worden genoemd, de ‘wet van de verkeerde zuinigheid’, de ‘wet van het te late inzicht’...
De tweede grote dialectische wet is de wet van de eenheid en strijd der tegenstellingen. Zonder dat dit hier expliciet vermeld wordt zal de lezer begrijpen dat de idealisten en metafysici in het Westen als om strijd het bestaan van tegenstellingen ontkennen en geen idee hebben van deze wet. De marxistische dialectiek echter heeft ontdekt dat er aan ‘alle dingen en verschijnselen innerlijke tegenstellingen eigen zijn, dat
ieder ding een eenheid van tegenstellingen is, een eenheid van tegengestelde kanten, eigenschappen, tendenties’. Nog een iets andere formulering: ‘De eenheid en strijd der tegenstellingen is een wet, krachtens welke alle dingen, verschijnselen, processen, innerlijk tegengestelde kanten bezitten, tendenties, die zich in voortdurende strijd bevinden; die strijd der tegenstellingen geeft een innerlijke impuls tot ontwikkeling, leidt tot een groei der tegenstrijdigheden, die in een bepaald stadium opgelost worden door het verdwijnen van het oude en het ontstaan van het nieuwe’. ‘Alle dingen’, zegt een nog in 1959 gretig aangehaalde passage van Stalin, ‘alle dingen hebben hun negatieve en hun positieve kant, hun verleden en toekomst, hun afstervende en hun zich ontwikkelende aspekten.’ Lenin wees in dit verband met grote geestdrift op ‘+ en - in de wiskunde. Differentiaal en integraal. In de mechanica actie en reactie. In de natuurkunde positieve en negatieve elektriciteit. In de chemie vereniging en dissociatie van atomen. In de maatschappij de klassenstrijd’. Deze reeks voorbeelden wordt in de handboeken nog uitgebreid met de tegenstrijdige krachten van aantrekking en afstoting, die een planeet in zijn baan om de zon houden; het licht, dat zowel golf- als corpusculaire eigenschappen heeft; de atoomkern; de tegenstelling tussen arbeiders en kapitalisten; tussen het kapitalistische winstmotief en de drang tot vooruitgang der wetenschap, die zich niet kan uitleven als er geen winst in zit; de tegenstellingen tussen de kapitalisten onderling, die weliswaar één front maken tegen het socialisme, maar in hun jacht op invloedssferen en ‘afzetgebieden’ ook elkaar te lijf gaan (Westduitsland en Japan tegen Amerika bijvoorbeeld). Ook het door het marxisme vastgestelde feit dat de wereld kenbaar en niets ervan onkenbaar is, maar niettemin, door dat de wereldzich voortdurend ‘spiraal vormig’ van hoog naar laag ontwikkelt, nooit in zijn geheel gekend zal kunnen worden. Een voorbeeld dat nimmer ontbreekt is het
al door Engels in de marxistische circulatie gebrachte voorbeeld van een bewegend lichaam, dat zich op hetzelfde moment wel en niet op een bepaalde plaats bevindt.
Het is een wat bonte verzameling voorbeelden, maar het is alles waar we over beschikken als we te weten willen komen wat eigenlijk met deze wet bedoeld wordt. Ook hier krijgt men het onbehaaglijke gevoel met een wat vage, misschien interessante, maar ook wel erg platvloerse generalisatie te doen te hebben en niet met een ‘wet’. Van ‘als A, dan B’ is hier geen sprake. De voorbeelden zijn bovendien, net als trouwens bij de vorige wet, zeer verschillend. Men wil bijvoorbeeld graag aannemen dat er in de menselijke samenleving tegenstellingen optreden tussen groepen, tussen de Westduitse ondernemers en de Amerikaanse, of tussen kapitalisten en arbeiders. Maar welke ‘strijd en eenheid der tegenstellingen’ treedt op in een zich door de ruimte bewegend lichaam? Of dat lichaam zich op een bepaald moment wel of niet op een gegeven plaats bevindt kan ‘strijd en eenheid der tegenstellingen’ te voorschijn roepen tussen mensen die over het probleem nadenken (zolang zij tenminste niet inzien dat het hier een schijnprobleem betreft dat op de truc berust dat men de tijd wel en de beweging niet stilzet). Maar welke strijd der tegenstellingen speelt zich in het bewegend lichaam zelf af? Er is, als men wil, een ‘tegenstelling’ tussen de beweringen ‘licht bestaat uit deeltjes’ en ‘licht bestaat uit golven’. Maar als beide uitspraken waar zijn, bestaat er dan in werkelijkheid een ‘tegenstelling’ tussen die beide eigenschappen van het licht? Een ‘conflict’? Hoe bestrijden die twee eigenschappen van het licht elkaar dan?
We hebben hier te maken met een fundamentele eigenschap van deze leer: over dingen te spreken in termen die men in het redelijk spraakgebruik voor beweringen reserveert en aan de dingen eigenschappen toe te kennen die men redelijkerwijs alleen aan beweringen kan toekennen.
Ook hier weer, zoals we al zagen, geen bewijzen, maar voorbeelden. Kritiek op dit alles wordt afgewezen met de beschuldiging dat men blijkbaar niet gelooft aan conflicten in natuur en maatschappij.
Wel probeert men op ondergeschikte punten nuances aan te brengen door bijvoorbeeld onderscheid te maken tussen ‘wezenlijke’ en ‘onwezenlijke’ tegenstellingen. Zo is de tegenstelling tussen productiekrachten en productieverhoudingen een ‘wezenlijke’ tegenstelling, maar de tegenstelling tussen proletariaat en boeren of tussen burgerlijke demokratie en fascisme is niet wezenlijk. Ook kent men een indeling in ‘innerlijke’ en ‘uiterlijke’ tegenstellingen. Een ‘innerlijke’ tegenstelling is een tegenstelling in het wezen zelf van het ding, zodat het ding zonder beide kanten van die tegenstelling niet kan bestaan. Een ‘uiterlijke’ tegenstelling is er een tussen verschillende objekten, verschillende werkelijkheden. Voorbeelden van ‘innerlijke’ tegenstellingen: de reeds eerder genoemde tegenstellingen in het kapitalisme. Uiterlijke tegenstellingen: die tussen natuur en maatschappij of tussen zon en plantenwereld. De natuur kan wel zonder maatschappij en de zon wel zonder plantenwereld bestaan, maar andersom niet. Kapitalisten en proletariërs kunnen echter zonder elkaar niet bestaan.
Voorts onderscheidt men ‘antagonistische’ en ‘niet-antagonistische’ tegenstellingen. Antagonistisch zijn tegenstellingen die slechts met de ondergang van een van beide partijen eindigen kunnen (bourgeoisie en proletariaat), terwijl de niet-antagonistische tegenstellingen langs de weg der geleidelijkheid uit de weg geruimd worden, zoals in een socialistische maatschappij de tegenstelling tussen arbeiders en boeren of tussen hand- en hoofdarbeid.
Wij zijn nu genaderd tot de derde wet der dialectiek, namelijk de wet van de ontkenning der ontkenning, de wet van de Negation der Negation, de zakon otricanija otricanija. Eerst even
een verklaring van dat woord ‘ontkenning’. We hebben hier weer te maken met het hegeliaanse woordgebruik, met de gewoonte om over dingen en beweringen in dezelfde termen te spreken. In normaal spraakgebruik maken we onderscheid tussen iemands bestaan ontkennen en aan iemands bestaan een einde maken. In het hegeliaanse Duits is het echter zo, dat als men iemand de hersens inslaat, men hem daarmee ‘ontkent’. De lezer, die misschien al wat onwennig stond tegenover de ‘strijd’ die hij moest zien tussen positieve en negatieve electriciteit en tussen plus en min in de rekenkunde, zal er nu ook weer even aan moeten wennen dat positieve en negatieve electriciteit, plus en min, proletariërs en kapitalisten elkaar ‘ontkennen’. Daarna moet hij even terugdenken aan de zoeven behandelde omslag van kwantiteit in kwaliteit, en wel aan de verandering van de oude kwaliteit in een nieuwe. Deze oude kwaliteit namelijk wordt ‘ontkend’ door de nieuwe. Men kan zich hier overigens troosten met de gedachte - in de handboeken ook met de gebruikelijke klem uitgesproken - dat de oude kwaliteit in natuur en maatschappij nimmer geheel en al wordt ontkend. De ‘sprong’ van dier naar mens bijvoorbeeld was een ‘ontkenning’ van het dier. Maar dat heeft niet verhinderd dat de mens bij die sprong een aantal voortreffelijke dierlijke eigenschappen meegenomen en zo op een ‘hoger’ plan gebracht heeft. Zo brengt de ‘ontkenning’ van de kapitalistische maatschappij door de socialistische niet een vernietiging met zich mee van het waardevolle, dat die oude maatschappij heeft voortgebracht (wetenschap, kunst, techniek, het marxisme-leninisme). Integendeel: onder het socialisme ontwikkelen die zaken zich tot ongekende hoogte. Met dat al weten we nu nog niet, waarom deze wet niet eenvoudig de ‘wet der ontkenning’ heet in plaats van de wet van de ‘ontkenning der ontkenning’. Dit komt - zegt een der handboeken - ‘omdat de objectieve ontwikkeling zelve deze dubbele ontkenning inhoudt, en het begrip “ontkenning der
ontkenning” slechts processen weergeeft, die zich onafhankelijk van ons bewustzijn afspelen’. De zaak immers die als ‘ontkenning’ optreedt wordt weer op zijn beurt ontkend als het zover is. Die keten van ontkenningen is oneindig. Zo ontkent het kapitalisme het feodalisme, om daarna op zijn beurt weer ontkend te worden door het socialisme. De lezer ziet wel in dat ‘tegenstellingen altijd opgelost worden door de overwinning van het nieuwe op het oude, het progressieve op het reactionaire’. Dit is natuurlijk weer geheel in strijd met de moderne reactionaire burgerlijke filosofie, die probeert te bewijzen dat natuur en maatschappij zich in een eeuwige kringloop bevinden op hetzelfde peil, ja, zich achteruit bewegen. ‘Het dialectisch materialisme beweert op grond van betrouwbare wetenschappelijke gegevens dat dergelijke denkbeelden onwetenschappelijk zijn.’ Zo wordt uit zaad een plant, uit die plant weer zaad, waaruit weer een plant. Maar die plant bevindt zich op een hogere trap van ontwikkeling dan zijn voorganger, al zal dat na één generatie nog niet merkbaar zijn, aldus de reeds eerder geciteerde Andrejev. Bij Engels vinden we hetzelfde voorbeeld, maar daar is het ‘hogere’ uitgedrukt in een grotere hoeveelheid zaad. Zo voltrekt in de kapitalistische maatschappij de beweging van het kapitaal zich volgens de formule g-w-g: men koopt met geld waren (grondstoffen en arbeid) en verkoopt het resultaat weer voor geld. Maar dat geld is nu meer geworden dan het in zijn eerste fase was. Men heeft winst gemaakt. Hoe het nu moet als men met verlies werkt of als de plant die uit dat zaad voortkomt slechter is dan zijn voorganger of minder zaad draagt, wordt niet duidelijk. Evenmin is begrijpelijk waar de wet blijft als we dat geld niet naar de markt brengen maar in de kachel stoppen of die plant stuktrappen of als dat zaad, naar reeds de Schrift ons leert, op rotsachtige bodem valt en niet ontkiemt. Er is één sovjetfilosoof, die in dit verband opmerkt dat voor zulke voorbeelden de leer niet geldt: de wet
houdt zich alleen met ontkenningen bezig die tot ontwikkeling leiden. Op dezelfde bladzijde treffen we echter ook de uitspraak aan dat de wet van de ontkenning der ontkenning zich ‘absoluut op alle gebieden van de wereld voordoet’.
In sommige handboeken, maar niet in alle, haalt men ter illustratie van deze wet de Hegelse ‘drieslag’ of ‘triade’ van stal. Men voert dan als voorbeeld een denkbeeldige discussie in, waarin iemand begint met iets te beweren. Die bewering noemt men de these. Iemand anders ‘ontkent’ die these en komt met een andere bewering die met die eerste bewering in strijd is. Die andere bewering is de antithese. Er ontspint zich een debat, waarin tenslotte een mening triomfeert, die op zijn beurt de antithese ‘ontkent’, maar bepaalde ‘waardevolle’ elementen van beide thesen handhaaft en daarom synthese genoemd wordt. Opdat de lezer niet denke dat ik hem wat sta voor te liegen volgt hier een hele pagina uit een door de Academie van Wetenschappen der ussr uitgegeven, door een ‘collectief’ van hoogleraren en doctoren in de filosofie geschreven handboek:
‘Wij zagen reeds, dat datgene, wat optreedt als ontkenning, zelf mettertijd op zijn beurt verandert, in een nieuwe kwaliteit verandert, d.w.z. ontkend wordt. Maar het zou onjuist zijn te denken, dat die ontwikkeling glad verloopt, zonder tegenstellingen. In werkelijkheid gaat de voortschrijdende ontwikkeling langs de weg der ontkenning met tegenstellingen gepaard, en het wezen der ontkenning der ontkenning, de noodzakelijkheid van een dubbele ontkenning vloeit juist voort uit het tegenstrijdige karakter van de ontwikkeling, uit de werking van de wet van de eenheid en strijd der tegendelen.
Om dit duidelijk te maken stellen wij ons een twist voor tussen twee partijen over enig wetenschappelijk vraagstuk. Een der partijen brengt een bepaalde stelling (these) naar voren. De andere partij komt met de ontkenning van die stelling
(antithese). In elk van deze met elkaar strijdige meningen kunnen elementen van waarheid zijn, maar zij staan op eenzijdige wijze tegenover elkaar als elkaar wederkerig uitsluitend. Tussen de twistenden ontspint zich een strijd der meningen, die resulteert in het optreden van een nieuwe stelling, die de beide voorgaande, elkaar bestrijdende meningen ontkent. Maar hoewel zij de twist, de strijd tussen de tegenstrijdige meningen opheft, verwerpt zij niet de elementen van waarheid die op eenzijdige wijze in elk hunner vervat waren, maar zij vormt een zekere synthese, die gebruik maakt van de positieve momenten van de ontwikkeling van de twist. Daarbij moet men de synthese niet begrijpen als een mechanische vereniging van wat vroeger afzonderlijk bestond, niet als een uiterlijke bijeenvoeging van tegendelen, maar als een geheel nieuwe trap van ontwikkeling. Dank zij de strijd der tegenstellingen worden op die nieuwe trap de eenzijdigheden, die aan iedere trap eigen waren, overwonnen, en wordt een hogere waarheid bereikt, waarin al het positieve dat er vroeger was, bewaard wordt en tegelijkertijd dat, wat niet waar, vergankelijk was, verdwijnt. Die nieuwe trap nu treedt op als ontkenning der ontkenning. Dus de ontkenning der ontkenning is het wetmatige gevolg van de oplossing van de strijd der tegenstellingen.’ Als voorbeeld wordt dan weer de strijd over de eigenschappen van het licht genomen. In de 17e eeuw de deeltjes-theorie (these) die in diezelfde periode in strijd gewikkeld was met de golf-theorie, die in de 19e eeuw zegevierde (antithese). In de 20e eeuw bleek, dat defraktie en interferentie spreken voor de golftheorie, en het foto-electrische effekt en de chemische werking van het licht voor de deeltjes-opvatting. ‘Als ontkenning der ontkenning heeft de huidige lichttheorie de positieve elementen van de vorige theorieën in zich opgenomen en tot een synthese gemaakt door hen van hun eenzijdigheden te bevrijden.’ Ander voorbeeld: toen er nog geen manufaktuur en machines bestonden was elke arbeider ‘univer-
seel’: hij beheerste alle beroepen, want er bestonden geen afzonderlijke beroepen. Daarna kwam de arbeidsverdeling, waarbij iedere arbeider slechts een deel van het arbeidsproces uitvoerde. Onder het socialisme is, dank zij de automatisatie, de arbeider weer ‘universeel’: hij beheerst alle machines. ‘Deze nieuwe trap, die de ontkenning der ontkenning is, is “synthese” van de hele voorgaande ontwikkeling, die de eenzijdigheid van de beide eerste trappen heeft overwonnen en de waardevolle kanten ervan in zich heeft opgenomen: de universaliteit van de oude arbeider en het hoge technische peil van de nieuwe productie.’ Dit lijkt de welwillende lezer, die noch in de tijd vóór de ‘manufaktuur’, noch in de ussr een spoor van die ‘universele arbeider’ kan vinden, misschien een ongelukkig voorbeeld van deze zo interessante wet. Ter verklaring moge dienen, dat het marxisme een aantal in de tijd van zijn ontstaan gangbare wereldverbeterende denkbeelden heeft overgenomen, zonder dat de aanhangers van de leer ook maar een ogenblik hebben nagedacht over de redelijkheid van die denkbeelden. Eén van die denkbeelden is, dat de vooruitgang der techniek een ideale toestand, die in een duistere gouden eeuw ‘vóór de manufaktuur’ bestaan moet hebben, weer ‘op een hoger plan’ zal herstellen. Dat de vooruitgang van de techniek juist een veel vertakter arbeidsverdeling in het leven roept dan ooit bestaan heeft, deert de aanhangers en verkondigers van het marxisme-leninisme niet: feiten hebben nog nimmer een geloof aan het wankelen gebracht.
De definitie, tenslotte, van deze wet luidt als volgt:
‘De wet van de ontkenning der ontkenning is een wet door de werking waarvan het verband bepaald wordt, de opeenvolging, van het ontkende en het ontkennende, tengevolge waarvan de dialectische ontkenning geen blote ontkenning is, die de hele vroegere ontwikkeling ontkent, maar voorwaarde voor de ontwikkeling, in zichzelf bevattend en bewa-
rend al het positieve van vorige stadia, op een hogere basis herhalend enkele trekken van de uitgangstrappen en in zijn geheel een voortschrijdend, progressief karakter hebbend.’
Het interessante van deze definitie is dat zij geen antwoord geeft op de vraag: hoe luidt deze wet? Het is of men een definitie van het begrip automobiel leest in ongeveer deze woorden: ‘De automobiel is een instrument waarmee wij dagelijks met een snelheid van 120 km per uur van Leiden naar Amsterdam en terug rijden, zonder gebruik te maken van de spoorweg en onderweg genietend van het uitzicht.’
Ook deze wet geldt ‘overal’ en ‘altijd’ en ‘absoluut’, en ook hier wordt niet vermeld wat men daarmee bedoelt.
In het algemeen kan worden opgemerkt, dat de drie grote wetten der dialektiek niet anders lijken dan formules waarin men feiten beschrijven kan of beweringen kan doen die ook zonder die formules beschreven of gedaan kunnen worden. Het gebruiken van die formules schept generlei garanties voor de juistheid van de in die formules geklede uitspraken. De formules maken de indruk geen andere functie te hebben dan het verlenen van prestige aan door marxisten-leninisten gedane uitspraken, die er een geleerd, filosofisch uiterlijk van krijgen en bij de lezer het gevoel van ‘zie je wel, het klopt’ wekken. Zelf zijn de formules zo vaag, dat een debat over hun juistheid of onjuistheid eigenlijk niet mogelijk is.
De wetten van de dialectiek gelden niet alleen voor de natuur en voor de maatschappij, maar ook voor het menselijk denken. Zoals het bewustzijn een ‘weerspiegeling’ is van de materie, zo zijn de wetten van het menselijk denken een weerspiegeling, een ‘analogon’ van de wetten die de materie bewegen. Nu zijn de wetten van het denken, de denkregels van oudsher ondergebracht in de logica. Een van de grondregels van logica is, dat een bewering en zijn ontkenning niet tegelijk waar kunnen zijn. Welnu, zegt het marxisme-leninisme, dat is eigenlijk een vrij primitieve opvatting. De dia-
lectiek heeft immers aangetoond dat het zo eenvoudig niet is. De eenvoudige, formele logica weet niet beter dan ‘ja, ja of nee, nee, en al het andere is uit den boze’, citeert men dan Engels. In werkelijkheid is het ingewikkelder. De vader van het Russische marxisme, Plechanov, neemt als voorbeeld iemand met weinig haar op het hoofd (Plechanovs variant van Hegels paardestaart). De uitspraken ‘deze man is kaal’ en ‘deze man is behaard’ sluiten geenszins elkaar uit. Met de gewone logica komt men er hier niet.
De dialectiek nu is een ‘hogere’ trap van de logica. De dialectische eenheid van tegendelen vindt haar ‘weerspiegeling’ niet in de formele logica. Die schiet hier te kort. Wil men dialectische processen bestuderen, dan heeft men de dialectische logica nodig, die rekening houdt met de ‘eenheid en strijd der tegenstellingen’.
Tegen deze en dit soort redeneringen, die men trouwens ook buiten de communistische wereld aantreft, zijn in de loop der jaren wel enige bezwaren gerezen. Laat men de regel van de uitgesloten derde vallen, dan is het niet moeilijk om uitgaande van door niemand betwiste feiten te bewijzen dat Karl Marx de auteur is van het bekende treurspel Hamlet, prins van Denemarken. Iedere bewering wordt dan namelijk bewijsbaar en dus iedere redenering zinloos.
Ook heeft men zich wel afgevraagd welke dan toch de regels van die befaamde ‘dialectische logica’ mogen zijn. Schrijver dezes heeft daartoe een omvangrijk werk bestudeerd van een van de bekendste sovjetfilosofen, M.M. Rozental. Dat boek heet Principy dialektičeskoj logiki - maar men zal er vergeefs in zoeken naar één enkele regel der dialectische logica. Zeer terecht schrijft dan ook de Franse rationalist Julien Benda: ‘Le rationalisme purgé du principe d'identité, la “dialectique de la contradiction” est un flatus vocis dont se paiela liturgie marxiste et dont je la défie de me donner un exemple’.Deze Benda vermeldt trouwens, dat hij eens in een rumoerige vergadering
van met het dialektisch materialisme sympathiserende Franse intellectuelen de vraag gesteld heeft of iemand der aanwezigen hem in de werken van Marx, Engels, Lenin en Stalin - Stalin was toen, in 1947, nog een geniaal marxist - één enkele redenering kon aanwijzen die niet volgens de regels van de burgerlijke, formele logica, maar volgens de dialectische logica verliep. ‘Silence total’...
De moeilijkheid zit hem hier alweer in het door elkaar halen van het ‘zijn’ en het ‘denken’. Ter illustratie een citaat uit een sovjetfilosoof: ‘Engels noemde de dialectiek van de objectieve wereld, van het zijn, de objectieve dialectiek, en de dialectiek van de weerspiegeling van de objectieve wereld in het menselijk hoofd, de dialectiek van het kennen, de dialectiek van het denken noemde hij de subjectieve dialectiek. Kunnen nu de objectieve dialectiek en de subjectieve dialectiek, d.w.z. het weerspiegelde en de weerspiegeling gekenmerkt worden door verschillende wetten? Allicht niet.’ In plaats van dit ‘allicht niet’ zou de redelijke lezer geneigd zijn te antwoorden ‘waarom niet?’. Waarom moet een ding dezelfde eigenschappen hebben als zijn ‘weerspiegeling’? In de ‘weerspiegeling’ van de Noordzee in het menselijk denken kan men niet verdrinken, in de Noordzee zelf wel.
Hoe simpel dit ook klinken moge, er zijn volksstammen die dit niet inzien en die een dwingende logica schijnen te zien in de herhaling van hetzelfde woord in constructies als ‘over ingewikkelde zaken kan men slechts ingewikkeld schrijven’ of ‘een slechte tijd brengt slechte verzen voort’ of in de uitspraak van een beroemde schilder der 20e eeuw: ‘Ik schilder as een berbaar in deze berbaarse tijd’. Dit soort uitspraken, die men ook buiten het marxisme-leninisme vaak hoort, zijn niet redelijker dan de uitspraak ‘een goede beschrijving van erwtensoep moet groen zijn van kleur’.
Daar komt dan nog bij dat men - via Genesis, Hegel en Feuerbach menend dat het menselijk denken een ‘evenbeeld’,
een ‘weerspiegeling’, een soort van duplikaat in iets ander materiaal, van de wereld is - helemaal geen verschil maakt tussen descriptieve en normatieve wetten en regels. Men zou zich eventueel nog kunnen voorstellen dat in het menselijk denken regelmatigheden voorkomen die een sterke gelijkenis vertonen met bepaalde regelmatigheden in de natuur. Maar de logica houdt zich helemaal niet bezig met het menselijk denken. Zij schrijft aan het menselijk redeneren bepaalde regels voor, en zij interesseert zich niet in het minst voor de betrekkingen tussen menselijke beweringen en de werkelijkheid. Nemen wij de volgende praemissen: de eerste druk van Hamlet, prins van Denemarken, dateert van 1650; Karl Marx is geboren in 1850; Karl Marx is een groot dichter; Karl Marx is de auteur van Hamlet, dan rechtvaardigen deze praemissen de conclusie, dat van althans één groot dichter althans één werk voor zijn geboorte reeds gedrukt is. Tegen deze conclusie heeft de logica geen enkel bezwaar. Zij juicht deze conclusie toe, hoewel zowel conclusie als praemissen onwaar zijn. Maar tegen de redenering: ‘Rozental is een slecht filosoof; Rozental heeft een slecht boek over filosofie geschreven; conclusie: Rozental kan geen goede boeken schrijven’ heeft de logica ernstige bezwaren, al hoeft men slechts één boek van Rozental in te zien om te beseffen dat zowel praemissen als conclusie de zuivere waarheid weergeven.
Dat, terwijl wij over een ding spreken, dat ding verandert, interesseert de logica evenmin. Zij ontkent dit feit allerminst, maar zij houdt zich niet met zulke dingen bezig. Zij onderzoekt slechts de juistheid van conclusies, en als men een harer regels voor ongeldig verklaart, wordt ieder redeneren zinloos.
Zelfs voor sovjetmarxisten is de plaats van de dialectiek ten aanzien van de formele logica de laatste jaren een moeilijk probleem geweest, ondanks de grote zekerheid en het grote gebrek aan inzicht, waarmee Engels en Lenin over deze zaak
schreven. De hierboven geschetste bezwaren tegen de officiële sovjet-opvattingen zijn in Rusland niet geheel onopgemerkt gebleven. In de officiële handboeken echter blijft men de dialectiek aanbevelen als een hoogst waardevolle aanvulling voor de formele logica, die slechts geschikt is voor het bestuderen van heel eenvoudige dingen.