Het geloof der kameraden


auteur: Karel van het Reve


bron: Karel van het Reve, Het geloof der kameraden. G.A. van Oorschot, Amsterdam 1989 (zesde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 70]

De pelgrimstocht der mensheid

Er is in en buiten het marxisme een geweldige literatuur ontstaan, die dit fragment tracht te interpreteren. Wij zullen ons met die literatuur hier niet bezighouden, maar alleen nagaan hoe de in dat fragment uitgesproken gedachte er uit zïet in het huidige sovjetmarxisme.

Een sovjet-uiteenzetting van het historisch materialisme begint meestal met er op te wijzen dat er in de menselijke samenleving wetten werkzaam zijn. Die wetten zijn aan de sovjet-geleerden wel, maar aan de westerse geleerden niet bekend. Ik citeer: ‘De in de maatschappij optredende krachten, processen, verhoudingen, wetten hebben in de loop der eeuwen duizenden jaren lang over de mensen geheerst en doen dat in de kapitalistische wereld nog. Wat is de aard van deze krachten, maatschappelijke verhoudingen, wetten? Voor de burgerlijke sociologie en historiografie is dat tot op deze dag een geheim.’

Wil men iets van deze dingen begrijpen, dan moet men om te beginnen inzien, dat de mens zich van het dier onderscheidt door zijn arbeid. ‘Arbeid, productie als doelgerichte werkzaamheid, gericht op het gebruiken en onderwerpen van de natuur en haar krachten is het voornaamste wat de mens van de dieren onderscheidt. Daarom is de bizonderheid van de maatschappelijke band die de mensen in de maatschappij verbindt hierin gelegen dat het allereerst een productie-band is.’ Wat de mensen in de maatschappij verbindt is de productie. Die productie is heel belangrijk: ‘Alvorens zich met wetenschap, kunst, godsdienst, filosofie en politiek bezig te houden moeten de mensen drinken, eten, zich kleden, en daartoe moeten zij levensmiddelen, kleding voortbrengen, woningen bouwen, productiemiddelen scheppen. Zonder voortbren-

[p. 71]

ging van materiële goederen is het maatschappelijk leven onmogelijk. De productie en reproductie van materiële goederen is de levensbasis van de maatschappij. Met het ophouden van de productie zou alle geestelijk leven van de mensen afsterven, zou de maatschappij ten onder gaan. Daarom moet men de sleutel tot de bouw en ontwikkeling van de maatschappij niet in het bewustzijn van de mensen, niet in hun politieke, filosofische, religieuze, zedelijke denkbeelden zoeken, maar in de productiewijze van materiële goederen.’

Deze passus is kenmerkend voor het marxisme-leninisme. Men lette op de herhalingen, die er zo'n belangrijke rol in spelen - een rol die overigens nog nooit onderzocht is: ‘zonder voortbrenging van materiële goederen is het maatschappelijk leven onmogelijk’, en dan nog eens: ‘de productie en reproductie van materiële goederen is de levensbasis van de maatschappij’ en dan nog eens: ‘met het ophouden van de productie zou alle geestelijk leven van de mensen afsterven’ en tenslotte nog een keer: ‘zou de maatschappij ten onder gaan’. Deze herhalingen strekken zich uit over honderden, duizenden pagina's, komen met kleine variaties terug in ieder nieuw handboek, in ieder artikel over het onderwerp. Men maakt zich geen voorstelling van het geestelijke leven onder een marxistisch-leninistische regering als men zich geen rekenschap geeft van de deprimerende, afstompende werking van dit soort volzinnen, waaraan de onder zo'n regering levende lezer dag in dag uit wordt blootgesteld, zodat hij gaat wanhopen nog ooit een menselijke stem te zullen horen, ja aan de mogelijkheid van het bestaan van die menselijke stem gaat twijfelen.

Men lette ook op de merkwaardige conclusie: omdat zonder productie van materiële goederen de maatschappij onmogelijk wordt, moet men de ‘sleutel’ tot de bouw en ontwikkeling dier maatschappij in die productie zoeken. Men vindt deze redenering terug in de woorden die Engels in 1883 sprak

[p. 72]

op het graf van Marx: ‘Zoals Darwin de ontwikkelingswet der organische natuur ontdekte, zo ontdekte Marx de ontwikkelingswet der menselijke geschiedenis, de tot dusverre onder ideologische overwoekeringen verborgen gebleven eenvoudige feitelijkheid, dat de mensen vóór al het andere eerst moeten eten, drinken, wonen en zich kleden, voor ze aan politiek, wetenschap, kunst, religie enzovoort kunnen doen; dat dus de productie van de onmiddellijke materiële dingen om te leven, en daardoor de telkens aanwezige economische ontwikkelingstrap van een volk of van een periode de basis vormt, uit welke zich de staatsinrichtingen, de rechtsopvattingen, de kunst en zelfs de religieuze begrippen van de bedoelde mensen hebben ontwikkeld, en waaruit die dan ook verklaard moeten worden - niet, zoals tot dusverre geschiedde, andersom’.

Met deze toespraak, schijnt het, heeft Engels niet alleen Marx, maar ook zijn leer begraven, want dat de mens eerst moet vivere voor hij kan philosophari was de ouden reeds bekend en geen ‘ontdekking’ van Marx, en bewijst nog geenszins dat de ‘sleutel’ tot het ‘philosophari’ gezocht moet worden in het ‘vivere’. Men kan met evenveel recht beweren dat de mens om te filosoferen lucht en water nodig heeft en dat ‘daarom’ de ‘sleutel’ tot dat filosoferen in lucht en water moet worden gezocht. Men ziet de met eindeloze herhalingen doorspekte uiteenzetting al in zo'n sovjet-handboek staan: ‘Zonder lucht en water zou Kant zijn filosofische werken niet hebben kunnen schrijven. Lucht en water vormden de levensvoorwaarden voor Kants voortbestaan. Indien Kant niet over lucht en water zou hebben beschikt zouden zijn hersens geen zuurstof hebben ontvangen, zou hij gestorven zijn, zou hij geen filosofie hebben kunnen bedrijven. Daarom moet de sleutel tot de filosofie van Immanuel Kant worden gezocht in het water en de lucht van de stad Koningsbergen, thans Kaliningrad’.

[p. 73]

Men kan trouwens de redenering van Engels ook gerust omdraaien: alvorens de mensen levensmiddelen, kleding kunnen voortbrengen, woningen bouwen, productiemiddelen scheppen, moeten die mensen kunnen denken, overleggen, organiseren, en daartoe hebben zij politiek, religie, zedelijke ideeën nodig. Zonder die organisatorische, juridische, ideologische basis zou het produceren van materiële goederen tot chaos en stilstand komen, zou het materiële leven afsterven (de lezer vulle hier zelf de passende deprimerende herhalingen in). Daarom moet men de sleutel tot de maatschappij niet in de productiewijze van materiële goederen, maar in 's mensen politieke, filosofische, religieuze, zedelijke, juridische ideeën zoeken...

Maar wij dwalen af. Basis van de menselijke samenleving is dus de menselijke arbeid, de productie van materiële goederen. Eigenlijk kan men zeggen dat het door Marx opgetrokken gebouw drie verdiepingen heeft: de ‘productiekrachten’, die de ‘productieverhoudingen’ en daarmee de sociaal-economische ‘basis’ van de maatschappij ‘bepalen’, en daarboven, als derde verdieping, of in het Nederlands als tweede verdieping, de juridische, politieke, filosofische, religieuze en artistieke ‘bovenbouw’.

Laat ons onderaan beginnen. Wat zijn ‘productiekrachten’? Ik geef nu weer de voorstelling van zaken die we in het sovjet-marxisme vinden - buiten verantwoordelijkheid, maar wel op gezag van Marx en Engels. De productiekrachten zijn de technische middelen die de mens in een bepaalde historische periode gebruikt om goederen te produceren, plus de technische vaardigheid die de mens in die periode bezit. De techniek en de vaardigheid om die te gebruiken, zouden wij zeggen. Die productiekrachten nu ‘bepalen’ de ‘productieverhoudingen’, dat wil zeggen de eigendomsverhoudingen, dat wil zeggen de positie van de verschillende bevolkingsgroepen ten aanzien van de productiemiddelen. De productiekrachten

[p. 74]

bijvoorbeeld van het ‘stenen tijdperk’ ‘bepaalden’ de primitieve maatschappij van het ‘oercommunisme’, een maatschappij waarin de productiemiddelen gemeenschappelijk bezit waren en waarin nog geen arbeidsverdeling bestond. Hogere productiekrachten bepalen weer een hogere maatschappijvorm. ‘Le moulin à bras vous donnera la société avec le suzerain; le moulin à vapeur, la société avec le capitaliste industriel’ zegt Marx in een in dit verband nogal eens geciteerde passage van zijn Misère de la philosophie.

Die productiekrachten nu ontwikkelen zich, en er ontstaat dan een ‘tegenstelling’ tussen die krachten en de productieverhoudingen, wij zouden zeggen tussen de stand van de techniek en de sociale structuur van de maatschappij. ‘Een lijfeigene kan geen machines bedienen die een meer ontwikkelde en bij de arbeid geïnteresseerde arbeider eisen. Pas toen tengevolge van de ontwikkeling der productiekrachten de lijfeigenen-arbeid zichzelf begon te overleven, maakten de latifundiën der grootgrondbezitters plaats voor kapitalistische bedrijven’, zegt een handboek, dat er even verder op wijst dat ‘de uitvinding van het mechanische weefgetouw, de spinmachine en de stoommachine en het optreden daarbij van een nieuw type arbeider de industriële revolutie hebben veroorzaakt. Steunend op nieuwe productiekrachten maakte de bourgeoisie een einde aan de feodale organisatie der economie. De toepassing van machines gaf de kapitalist grote voordelen boven de kleine producent. In verband daarmee werd het bankroet van het kleine bedrijf, het losmaken van de producenten van de productiemiddelen en het scheppen van een leger van huurarbeiders versterkt. Tegen de grote kapitalistische productie, gewapend met machinetechniek, kon noch het kleine bedrijf van handwerkers en boeren, noch het geijkte grootgrondbezittersbedrijf, gebaseerd op het werk van lijfeigenen, zich handhaven.’

Zo veranderen, afhankelijk van de verandering der produc-

[p. 75]

tiekrachten, de productieverhoudingen, en daarmee de hele maatschappij: de ontwikkeling der mensheid is een reeks van veranderingen, voortgekomen uit de ontwikkeling der productiekrachten - van de productiekrachten van het stenen tijdperk tot die van de communistische maatschappij in de - volgens de laatste berichten nabije - toekomst, en die ontwikkeling verloopt als volgt:

Het stenen tijdperk wordt gekenmerkt door zeer primitieve productiekrachten: stenen bijlen, speerpunten, messen. Die primitiviteit maakt twee dingen onmogelijk: het privaatbezit van productiemiddelen en de uitbuiting van de ene mens door de andere. Privaatbezit is onmogelijk omdat slechts door gemeenschappelijke inspanning het bereiken van een levensminimum mogelijk is. Daar bovendien iedere producent slechts zoveel kan voortbrengen als hij voor een minimumbestaan nodig heeft, is het voor de ene mens niet mogelijk zich het product van andermans arbeid toe te eigenen zonder hem het leven onmogelijk te maken. Daar deze uitbuiting niet bestaan kon, bestond er ook geen staatsapparaat, maar werden alle beslissingen collectief genomen of toevertrouwd aan ervaren lieden. Daar privaatbezit ontbreekt, ontbreekt ook het gezin. Men leeft in zogenaamde ‘gentes’, groepshuwelijken, waarin de vrouw een leidende positie inneemt - het zogenaamde matriarchaat. Dit is begrijpelijk, omdat de man zich, met behulp van stenen speer- en pijlpunt, bezighoudt met de jacht, terwijl de vrouw, met stenen hak, een primitieve landbouw bedrijft. Daar de resultaten van die landbouw minder aan ups en downs onderhevig waren dan die van de jacht (hoe men dat heeft vastgesteld wordt niet vermeld - er wordt trouwens eigenlijk van geen enkele stelling of ‘wet’ verteld welke observaties tot het proclameren ervan hebben aanleiding gegeven) sprak het vanzelf dat de vrouwen een leidende rol kregen.

Maar de productiekrachten stonden niet stil. Het metalen tijd-

[p. 76]

perk brak aan, betere productiemiddelen ontstonden, de productie nam toe, de stammen ruilden onderling producten, ook binnen één stam vindt warenruil plaats en arbeidsverdeling. Er ontstaan landbouwers, jagers, handwerkslieden. In plaats van de ‘gens’ ontstaat de familie, met één man als opperhoofd, als de kleinste economische eenheid. Het matriarchaat maakt plaats voor het patriarchaat, het monogame huwelijk doet zijn intrede. Hieraan ziet men, dat een verschijnselals het huwelijk niet, zoals de ‘idealisten’ beweren, een door God gegeven instituut of een ‘algemeen menselijke’ zaak is, maar een verschijnsel dat ‘bepaald’ is door een bepaalde maatschappelijke formatie. Daar één mens nu over de middelen beschikt om meer te produceren dan hij voor een zeer laag levensminimum nodig heeft, begint het zin te krijgen de in stamoorlogen gemaakte krijgsgevangenen niet meer te doden, maar voor de stam te laten werken: de slavernij doet zijn intrede, de slavenhoudersmaatschappij ontstaat, een maatschappij waarin sommige mensen wel, anderen niet in het bezit zijn van productiemiddelen: de slaven niet en de slavenhouders wel, een maatschappij met twee klassen, uitbuiters en uitgebuiten. Zulk een maatschappij kan niet meer geregeerd worden door gemeenschappelijk overleg, maar er is een staatsapparaat nodig, dat wil zeggen een apparaat ter onderdrukking van de bezitloze klasse door de bezittende, ter onderdrukking van de slaven door de slavenhouders.

Deze slavernij is een progressieve fase in de ontwikkeling der mensheid. Een verder doorgevoerde arbeidsverdeling ontstaat, de productiviteit van de arbeid wordt groter, grotere specialisatie ontstaat, schepen, waterleidingen, bevloeiingswerken, wegen, steden worden gebouwd, en dank zij de arbeid der slaven kunnen sommige mensen zich wijden aan de beoefening van kunst en wetenschap. Maar deze maatschappijvorm wordt op den duur een knellende band, die de ont-

[p. 77]

wikkeling der productiekrachten tegenhoudt. De slaven hebben geen belang bij productievergroting, zijn niet geschikt voor het bedienen van kostbare machines. De slavenhoudersmaatschappij gaat ten onder en maakt plaats voor het feodalisme.

Hier zijn de handboeken niet erg duidelijk. Volgens de theorie moeten de productiekrachten in die feodale maatschappij van hoger orde zijn dan in de slavenhoudersmaatschappij. Daar echter de techniek in het oude Rome op een heel wat hoger peil stond dan laat ons zeggen in het middeleeuwse Duitsland, kan men het hogere peil van de productiekrachten onder het feodalisme niet met voorbeelden adstrueren. Evenmin kan men geloofwaardig maken, dat het feodalisme de plaats van de slavernij innam doordat die hogere productiekrachten in de schoot der oude maatschappij ‘uitgebroed’ waren, zoals Marx dat noemt. Ze zijn eenvoudig niet aan te wijzen. Dit verklaart waarschijnlijk de vaagheid der handboeken op dit punt.

Op zichzelf is die vaagheid zeer interessant: we hebben hier een systeem van beweringen, dat niet aarzelt uitspraken te doen, die ver beneden het peil liggen waarboven men in de niet-marxistische wereld een bewering wetenschappelijk verdedigbaar acht. Datzelfde systeem nu aarzelt een bewering te doen, die uit haar eigen grondbeginselen volgt, doch in strijd is met de in en buiten het marxisme gebruikelijke visie op de Middeleeuwen. Waarom is men in het ene geval niet bang om in tegenspraak te komen met de ‘burgerlijke wetenschap’ en in het andere geval wel? Waarom ziet men er geen been in over de primitieve maatschappij dingen te beweren (communisme, hard werken) die niet alleen door antropologen, maar ook door iedereen die wel eens een kijkje in de binnenlanden van Nieuw Guinea of Suriname genomen heeft, voor onzinnig worden gehouden, terwijl men aarzelt een traditionele opvatting over de Middeleeuwen (lager technisch niveau dan

[p. 78]

in de Oudheid) aan te vallen? Mogelijk antwoord op deze vraag: in het ene geval (oercommunisme) handhaaft men, de eigen leer propagerend, een 19e-eeuwse opvatting, in het andere (feodalisme) komt men als men de eigen leer konsekwent toepast met het geijkte 19e-eeuwse geschiedbeeld in strijd. In het algemeen immers laat zich zeggen, dat de marxistische geschiedbeschouwing wel een (betrekkelijk, want honderd jaar oude) nieuwe visie op het geschiedbeeld geeft, maar in grote trekken het traditionele geschiedbeeld zelve onaangetast laat - ja zelfs van een groot conservatisme blijk geeft op dit gebied.

In de Russische handboeken laat men voor alle zekerheid de slavenmaatschappij niet ten onder gaan aan de groei van zijn eigen productiekrachten, maar door slavenopstanden en invallen van barbaren. Soms ook werkt men met een combinatie van oorzaken, waarbij die ‘productiekrachten’ toch weer een, zij het vage, rol spelen: ‘De productiekrachten van de slavenhoudersmaatschappij konden, toen zij een bepaald peil hadden bereikt, zich niet verder ontwikkelen in het kader van de gegeven productieverhoudingen. Dezen werden een rem op de verdere ontwikkeling der productiekrachten. De arbeid van slaven, die in het geheel niet geïnteresseerd waren, geen belang hadden bij de resultaten der productie, gaf uiterst beperkte mogelijkheden voor de groei der productiekrachten. De productietechniek bleeflaag. Wrede uitbuiting had een moordende uitwerking op de voornaamste productiekracht van de slavenhoudersmaatschappij - de slaven. Zij (die onderdrukking) riep heftig verzet van de slaven op. Met de ontwikkeling der slavenhoudersmaatschappij verscherpte de klassenstrijd tussen uitgebuite massa's en onderdrukkers. Die klassenstrijd, die verschillende vormen aannam, tot gewapende botsingen toe, bracht de grondslagen van deze maatschappijvorm aan het wankelen. In de loop van een lange historische ontwikkeling die gekenmerkt werd door

[p. 79]

slavenopstanden en oorlogen, maakte de slavenhoudersmaatschappij plaats voor de feodale structuur.’

Dat feodalisme nu zit als volgt in elkaar. Er bestaat privaatbezit van productiemiddelen. Weliswaar onderdrukken de feodale edelen de boerenstand, maar die boeren zijn geen slaven - dat wil zeggen volgens sommige boeken zijn ze dat soms eigenlijk wel, en kunnen ze bijvoorbeeld, zoals in de Russische 19e eeuw, verkocht worden, maar ze hebben wel bezit: land, werktuigen. Ze hebben belang bij een zo hoog mogelijke productie, want een deel daarvan mogen zij zelf houden.

De ontwikkeling der productiekrachten staat ondertussen niet stil. Binnen die feodale maatschappij ontwikkelt zich het handwerk, de handel, het verkeer, de steden, en in die steden een burgerij die zich met het produceren en verhandelen van goederen bezighoudt. Er ontstaat een kapitalistische productiewijze binnen het kader van de feodale maatschappij. Hoe die kapitalistische productiewijze in elkaar zit zullen we in een volgend hoofdstuk zien. Hier is alleen van belang dat de maatschappelijke structuur, de staat, het recht, de standenindeling van de maatschappij, de godsdienst en een heleboel andere dingen in die feodale maatschappij de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze tegenhielden. De bourgoisie had bijvoorbeeld behoefte aan vrijhandel, aan het opheffen van tolgrenzen. Zij wilde steeds meer mensen aan de landbouw onttrekken, maar door de binding van de lijfeigene aan de grond was dat niet mogelijk. Ten behoeve van de technische ontwikkeling van haar productiemiddelen had de bourgeoisie behoefte aan vrije wetenschap. Deze tegenstellingen nu tussen de maatschappelijke structuur van het feodalisme en de opkomende kapitalistische productiewijze leidden tot de burgerlijke revolutie - in Nederland in de 16e eeuw, in Frankrijk aan het eind van de 18e eeuw. Resultaat van die revolutie is de kapitalistische maatschappij. Ook hier

[p. 80]

weer privaatbezit van productiemiddelen, een enorme vooruitgang der techniek, een uitbreiding van handel en industrie over de hele wereld. Ook deze maatschappij is gebaseerd op uitbuiting: de kapitalisten buiten de arbeiders uit. Hier is echter niet, zoals onder de slavernij, de uitgebuite het eigendom van de uitbuiter, hij is ook niet zoals onder het feodalisme fysiek afhankelijk van de landheer, die hem dwingt een deel van zijn tijd voor die heer te werken of hem een deel van zijn productie af te staan - nee, hier is de uitgebuite volkomen vrij om te werken of niet te werken voor de uitbuiter. Hij heeft echter zelf geen productiemiddelen en moet, om niet van honger te sterven, zijn arbeidskracht verkopen aan hen, die wel die productiemiddelen bezitten.

De ontwikkeling der productiekrachten staat echter niet stil. Het winstmotief, dat in de kapitalistische economie zulk een belangrijke rol speelt, wordt tot een rem op de ontwikkeling der techniek. Hier zijn we weer bij Philips terug, die wel eeuwige gloeilampen zou kunnen maken, maar dat niet doet omdat hij dan niet genoeg verdient, om van de niet ladderende nylonkous en de onverslijtbare automobiel maar te zwijgen. Leest men zo'n Russisch handboek, waarin dit alles glashelder uiteengezet wordt, dan begrijpt men niet waarom nog steeds zoveel Nederlanders in ondeugdelijke, van ‘ingebouwde veroudering’ voorziene kapitalistische fordjes en dafjes rondrijden inplaats van in socialistische, onverslijtbare škoda's, trabanten en scaldia's, en waarom reizigers als zij naar Moskou gaan meer nylons bij zich hebben dan op de terugweg.

De tegenstellingen nu tussen bourgeoisie en proletariaat, de strijd op leven en dood tussen deze twee klassen leidt tot een proletarische revolutie die de vestiging ten gevolge heeft van een socialistische maatschappij, waarin de productiemiddelen eigendom zijn van de gemeenschap, waar geen antagonisme tussen verschillende klassen meer bestaat, en waar de ontwik-

[p. 81]

keling der productiekrachten door niets meer geremd wordt. In die socialistische maatschappij onderscheidt men twee stadia. Het eerste stadium noemt men socialisme. Dat is het stadium waarin zich op het ogenblik bijvoorbeeld de Sovjet-Unie bevindt. Kenmerkend voor dat stadium is, dat de mensen werken naar hun vermogen en beloond worden naar hun prestaties. Onder dat socialisme echter groeien de productiekrachten zo onstuimig dat men op den duur overgaat in het tweede stadium van het socialisme, genaamd communisme. Onder het communisme nu is de productie van verbruiksgoederen zo overvloedig, dat ieder geeft naar zijn krachten en ontvangt naar zijn behoeften.

Overziet men deze hier kort samengevatte heilsgeschiedenis der mensheid, dan ontwaart men een bekend aandoende kringloop: van het ‘oercommunisme’ der ‘primitieve maatschappij’ via slavenhoudersmaatschappij, feodalisme en kapitalisme komen we weer bij een ‘hoger’ communisme terug. Ook is het niet moeilijk in de reeks: stenen tijdperk, slavernij, feodalisme, kapitalisme de vertrouwde indeling prehistorie, oudheid, middeleeuwen en nieuwe tijd te herkennen. In het fragment van Marx zag het er overigens iets anders uit: de primitieve maatschappij ontbrak; Marx sprak van ‘asiatische, antike, feudale und modern bürgerliche Produktionsweisen’. Die ‘asiatische Produktionsweise’ is in het huidige communistische schema naar de achtergrond verdwenen. Zij onderscheidde zich van de ‘antike’ doordat de productiemiddelen (land, slaven) grotendeels in handen van de overheid waren. Boze tongen beweren, dat deze maatschappijvorm in de jaren dertig dezer eeuw uit het schema verwijderd is omdat zij teveel leek op de sovjetmaatschappij: een zeer starre en zeer wrede dictatuur, zichzelf op walgingwekkende wijze verheerlijkend, het land besturend met een bureaucratie die ieder ‘particulier initiatief’ - geestelijk of economisch-onmogelijk maakt. Anderen zijn weer van mening dat men het zo ver

[p. 82]

niet moet zoeken: het was eenvoudig, zeggen zij, te ingewikkeld, zoveel maatschappijvormen, en men heeft er gemakshalve eentje onder de tafel laten vallen, zoals in de reeks prehistorie, oudheid, middeleeuwen en nieuwe tijd de oude rijken van Babylonië, Assyrië en Egypte een beetje onder de tafel vielen. Hoe dit ook zij, na 1930 constateert men de neiging om het beroemde Marx-citaat af te breken vóór die ‘asiatische Produktionsweise’ ter sprake komt. Daar staat overigens weer tegenover, dat af en toe in een handboek de auteur, zonder Marx te noemen, deze kwestie ter sprake brengt zoals in het volgende fragment:

‘In het Oosten - in Egypte, Babylonië, Assyrië - zijn lange tijd overblijfselen bewaard gebleven van de verhoudingen der primitieve gemeenschap. Daarmee waren verbonden betrekkelijk primitieve vormen en een vertraagd ontwikkelingstempo der slavernij. De noodzaak tot het door collectieve arbeid onderhouden van irrigatiewerken (kanalen, dijken enz.) bevorderde hier de handhaving van de commune, verlangzaamde de ontwikkeling van het persoonlijk grondbezit. Het land werd eigendom van de staat, die de gestalte aannam van een slavenhoudende despotie’.

Hier wordt zoals men ziet de ‘aziatische’ maatschappij tot een wat primitieve variant van de slavenhoudersmaatschappij gemaakt.

Deze indeling van de geschiedenis der mensheid in vijf maatschappijvormen plaatst communistische historici voor niet geringe moeilijkheden. Men denke aan de primitieve volkeren van bijvoorbeeld Zuid-Amerika, wier economie juist gekenmerkt schijnt te worden door het feit dat er nauwelijks gewerkt hoeft te worden om in leven te blijven. Ook schijnt het gemeenschappelijk bezit der productiemiddelen in dat soort maatschappijen heel moeilijk aantoonbaar te zijn - men is geneigd in de marxistische visie een negentiende-eeuws misverstand te zien. Met de andere maatschappijvormen is

[p. 83]

het al niet beter gesteld: de Griekse en Romeinse oudheid kende wel slavernij, maar een maatschappij, bestaande uit twee klassen, slaven en slavenhouders, en een economie die voornamelijk op het werk van slaven gebaseerd was, schijnt men toch moeilijk in de oudheid te kunnen aantonen. Ik wees reeds op de moeilijkheden met de ‘hogere’ productiekrachten van de ‘feodale’ maatschappij. Ook zonder voorbeelden en citaten zal de lezer wel willen geloven dat hier een heilloze verwarring heerst en er eindeloze verhandelingen worden geschreven in een vruchteloos pogen om deze uit de negentiende eeuw stammende, door ter zake onkundige lieden gemaakte onderscheidingen te maken tot in werkelijkheid bestaande kenmerken - niet ongelijk aan soortgelijke, telkens weer opduikende pogingen buiten het marxistische wereldbeeld: men denke slechts aan de zinloze discussies over de ‘grens’ tussen dode en levende natuur, aan de twisten over ‘wanneer de middeleeuwen beginnen’ of eindigen, of over wat eigenlijk romantiek of lyriek is.

Een even treurige als lachwekkende complicatie treedt bovendien op als gevolg van het van overheidswege in communistische landen gepredikte uiterst primitieve en barbaarse chauvinisme: ieder communistisch land wenst ‘one up’ te zijn ten aanzien van het burgerlijke westen, om van de concurrenten in het eigen kamp maar te zwijgen. Het gaat voor een communistisch historicus niet aan om laat ons zeggen het feodalisme in zijn eigen land later te doen verschijnen dan bij de buren. Iedereen probeert op potsierlijke wijze zijn eigen land zo vroeg mogelijk tot ontwikkeling te laten komen, en het is interessant waar te nemen voor welke feiten en overleveringen men wel en voor welke men niet uit de weg gaat. Nog hachelijker is een ander aspect: we hebben gezien dat de ene maatschappelijke formatie plaats maakt voor de andere doordat de productiekrachten zodanig gegroeid zijn dat de productieverhoudingen er te ‘eng’ voor geworden zijn en

[p. 84]

plaats moeten maken voor nieuwe. Hier kan men twee vragen stellen. Ten eerste kan men vragen hoe het komt dat sommige, ja zeer vele maatschappijen helemaal niet veranderd zijn in de laatste millennia. Waarom zijn de ‘productiekrachten’ in het Amazonegebied of in Nieuw-Guinea onveranderd gebleven, terwijl ze in Nederland alsmaar ‘groeiden’? En daarmee samen hangt een tweede vraag: wat is eigenlijk de oorzaak van de groei van die productiekrachten?

Een sluwe lezer zal het antwoord op deze vragen al vermoeden. De groei van de productiekrachten immers is in dit systeem een primum movens: de hele geschiedenis der mensheid wordt door die groei op gang gebracht en gehouden. Zodra men naar zo'n primum movens maar met de vinger wijst worden de mandarijnen van zo'n systeem zenuwachtig en kwaad, en dat is begrijpelijk, want heeft men eenmaal een eerste oorzaak vastgesteld, dan komt het hele systeem op losse schroeven te staan als men dan niet tevreden is en gaat vragen naar de oorzaak van die oorzaak. Een vergelijking met de christelijke theologie dringt zich op. Wie heeft alles gemaakt? God. De natuurlijke wedervraag: wie heeft God gemaakt? wordt ons door de theologen onmogelijk gemaakt door God per definitie oorzaakloos te maken. Een primitieve, maar blijkbaar effectieve truc, die ook door de theologen van het marxisme-leninisme wordt toegepast: ‘de feiten tonen aan, datmen de oorzaken van de ontwikkeling der productie niet buiten deze, maar in die [productie] zelf moet zoeken’, zegt een handboek van 784 pagina's - waarin men overigens vergeefs naar al was het maar een aanduiding van een van die ‘feiten’ zoekt. Een ander handboek zegt: ‘Op de ontwikkeling der productiekrachten hebben vele factoren invloed: het geografische milieu en de bevolkingsdichtheid, de toeneming van de behoeften der mensen, de [...] successen der wetenschappelijke kennis etc. Maar geen dezer factoren is de voornaamste, de grondoorzaak van de ontwikkeling der

[p. 85]

productie. De voornaamste voorwaarde van ontwikkeling der productie zijn de reeds door de maatschappij geschapen productiekrachten, en de voornaamste oorzaken voor de ontwikkeling der productie moet men allereerst in de productie zelf zoeken, en niet erbuiten.’

De interessantste poging om uit deze marxistische moeilijkheid te komen is van een Russische communist, in 1938 gefusilleerd (nadat hij op marxistisch-leninistische wijze bekend had dat en verklaard had waardoor hij een agent van Hitler was geworden) en nog steeds niet ‘gerehabiliteerd’ (whatever that means) Nikolaj Boecharin. Hij is de auteur van een in de huidige handboeken overigens met zoveel woorden verworpen ‘evenwichtstheorie’, die hier op neer komt, dat een maatschappij die evenveel consumeert als produceert in ‘evenwicht’ is met de natuurlijke hulpbronnen waaruit zij put, met het ‘milieu’. Een verandering in dit evenwicht (teweeggebracht door het milieu of door de maatschappij) leidt tot een verandering van de productiekrachten: zij nemen toe of verminderen; de maatschappij degenereert of ontwikkelt zich verder.