Het geloof der kameraden


auteur: Karel van het Reve


bron: Karel van het Reve, Het geloof der kameraden. G.A. van Oorschot, Amsterdam 1989 (zesde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 86]

De ineenstorting van het kapitalisme

Via de geheimzinnige, alles in beweging brengende ‘groei der productiemiddelen’ wordt de ontwikkeling der menselijke samenleving, de overgang van de ene maatschappijvorm naar de andere, veroorzaakt door het ‘in strijd raken’ van de productiekrachten van een bepaalde maatschappij met de productieverhoudingen, of eenvoudiger gezegd: de tegenstelling tussen technische vooruitgang en maatschappelijke structuur. Het begon al bij de overgang van primitieve maatschappij naar de slavenhouderij: de techniek was vooruitgegaan, een mens kon meer produceren dan hij consumeerde, het houden van slaven kreeg dus zin. Moeilijker wordt het bij de overgang van slavernij naar ‘feodalisme’: men zoekt vergeefs in de marxistisch-leninistische literatuur naar ‘gegroeide’ productiemiddelen aan het begin van de middeleeuwen. Wel komt men af en toe - trouwens ook buiten de leer - de bewering tegen dat bij een bepaalde stand der technick het houden van slaven economisch onvoordelig wordt. Men denkt hierbij aan het stukwerk dat men een loonarbeider kan laten doen, zodat hij ‘belang’ krijgt bij kwaliteit en kwantiteit van het door hem geproduceerde. De niet geïnteresseerde slaaf maakt de kostbare machines maar kapot. Het is mij niet bekend of ooit enig rederijk onderzoek in deze richting is gedaan. Waarom kunnen slaven wél de vrij ingewikkelde techniek der Romeinse oudheid bedienen - die maatschappij rustte immers volgens het boekje op slavernij - en niet de vaak op een lager en zelden op een hoger peil staande techniek der middeleeuwen? Waarom kan een slaaf wel katoen planten en oogsten, irrigatiewerken aanleggen, pyramides en andere enorme bouwwerken maken en niet een weefgetouw bedienen wat een kind in een paar weken

[p. 87]

leren kan? Men kan een slaaf niet ontslaan als hij een automobiel vernield heeft - maar hem straffen kan wel.

Ook de overgang van kapitalisme naar socialisme wordt volgens het boekje veroorzaakt door het in strijd raken van de productiekrachten met de productieverhoudingen. Het privaatbezit der productiemiddelen maakt een verdere ontwikkeling der techniek onmogelijk. In de praktijk - dit behoeft geen betoog - is dat niet zo. In de honderd jaar die verstreken zijn sinds Marx de doodsklok over het kapitalistische productiesysteem luidde heeft juist een zeer snelle groei der productiemiddelen plaatsgehad zonder dat het privaatbezit der productiemiddelen deze groei in de weg heeft gezeten. Maar er is meer: dat ‘in strijd raken’ van technische vooruitgang en maatschappelijke structuur hoeft, lijkt het, eo ipso nog niet tot een Umwälzung van de maatschappelijke structuur te leiden. Laat ons een ogenblik aannemen dat Marx, net als de bijbel, ‘toch gelijk had’ en dat op een bepaald ogenblik de Eigentumsverhältnisse tot ‘boeien’ van de techniek worden. Goed. Welnu, dan kan die techniek zich dus niet verder ontwikkelen, of voorzover zij dat doet, wordt zij niet gebruikt (patenten in brandkasten). Nog steeds zien we geen noodzaak voor een sociale omwenteling. Waar zou die vandaan moeten komen? Die techniek zelf is tenslotte machteloos. Men kan hier denken aan menselijk inzicht dat het zonde vindt van die technische ontwikkeling die een zoveel hoger levenspeil mogelijk maakt en die door die verouderde maatschappijvorm niet tot ontplooiing kan komen. Maar daarvan staat in de handboeken eigenlijk niets. Er zijn trouwens maatschappijen bekend waar de techniek tientallen, honderden, duizenden jaren heeft stilgestaan. Wat Marx en zijn volgelingen willen is trouwens veel meer: zij willen dat die socialistische maatschappij de kapitalistische opvolgt met deijzeren noodzaak van een natuurwet. Daartoe was een of andere theorie nodig die dat ‘aantoont’. Aan die theorie nu heeft

[p. 88]

Marx vele jaren gedokterd met als resultaat zijn magnum opus ‘Das Kapital’. De marxistisch-leninistische handboeken worden niet moede ons te verzekeren dat in dit werk wordt aangetoond dat de kapitalistische productiewijze onvermijdelijk tot haar eigen ineenstorting leidt. In het nu volgende overzicht zullen wij ons niet met de econoom Marx bezighouden, maar met de gestalte die zijn beweringen in de Russische handboeken hebben aangenomen. Daar gaat hij dan.

De kapitalistische maatschappij is een maatschappij waarin ‘de hoofdmassa der productiemiddelen in het bezit is van enkele mensen, kapitalisten of groepen kapitalisten, terwijl de meerderheid der werkenden geen productiemiddelen bezit en daardoor gedwongen wordt tot het verkopen van zijn arbeidskracht’.

De economie van die maatschappij berust op de productie van waren, dat wil zeggen van goederen die niet geproduceerd worden voor eigen gebruik, maar voor de verkoop. Nu heeft zo'n goed twee eigenschappen, die men niet door elkaar moet halen: gebruikswaarde en ruilwaarde. Gebruikswaarde is de eigenschap enige menselijke behoefte te kunnen bevredigen, en ruilwaarde is de eigenschap met enig ander goed te kunnen worden geruild. Dat twee dingen met een geheel verschillende gebruikswaarde, een zak sinaasappelen en een fiets bijvoorbeeld - bij Marx en in vele handboeken is sprake van een jas en twintig ellinnen, bij Aristoteles, door Marx geciteerd, van vijf rustbedden en een huis (huizen waren toen nog goedkoop) - tegen elkaar geruild kunnen worden is mogelijk omdat zij in één opzicht gelijk zijn: wat hun ruilwaarde betreft. Waardoor wordt nu die ruilwaarde bepaald? Door de hoeveelheid arbeid die nodig is om die waar te produceren. De waarde van een waar wordt bepaald door de voor haar productie nodige arbeidstijd, waarbij men die arbeidstijd moet zien als een gemiddelde arbeidstijd bij het gemiddelde technische niveau, de gemiddelde bekwaamheid en intensi-

[p. 89]

teit van de arbeid in de tijd en het land waar die waar geproduceerd wordt.

Hoe meer men, gebruik makend van die ruilwaarde, waren tegen elkaar verruilt, des te groter is de behoefte aan een ‘algemeen ekwivalent’, dat wil zeggen een waar die tegen elke andere waar geruild kan worden. In verschillende maatschappijen heeft men in de loop der eeuwen verschillende waren als ‘algemeen ekwivalent’ gebruikt: schelpen, vee, huiden, zout, koper, ijzer, later zilver en goud - de laatste twee zijn bizonder geschikt wegens hun houdbaarheid, gelijkvormigheid en deelbaarheid.

Zo ontstond het geld, waarmee men de ruilwaarde van alle waren kan uitdrukken en waardoor de circulatie der goederen wordt bevorderd. De warenruil gaat nu niet meer volgens de formule waar tegen waar, w-w, maar: w-g-w: waar tegen geld tegen waar.

De bewering nu, dat de waarde van een ding bepaald wordt door de hoeveelheid arbeid, nodig om dat ding te maken, is de ‘waardewet’. Deze wet treedt regelend op in het productieproces: is van een waar het aanbod groter dan de vraag ernaar, dan daalt de prijs tot onder de waarde. Dat heeft ten gevolge dat de producent zich terugtrekt uit het productieproces. Hierdoor ontstaat gebrek aan de betreffende waar, zodat de prijs weer in overeenstemming komt met de waarde. Omgekeerd gebeurt iets dergelijks: is de vraag groter dan het aanbod, dan stijgt de prijs boven de waarde, zodat zich producenten op het maken van die waar gaan toeleggen; hierdoor wordt het aanbod groter, en de prijs daalt in de richting van de waarde. De waardewet heeft nog een tweede belangrijke functie: een producent die het klaarspeelt een waar te vervaardigen waar minder arbeid in zit dan in dezelfde waar zoals zijn concurrent die maakt, is in staat een grotere winst te maken dan zijn concurrent en/of deze door lagere prijzen van de markt te dringen. Zo dwingt hij zijn concurrenten

[p. 90]

over te gaan tot dezelfde technische verbeteringen die hij zelf heeft ingevoerd. Zo wordt door de waardewet de technische vooruitgang bevorderd. Ook heeft de waardewet ten gevolge dat bij dalende prijzen de zwakkere producenten failliet gaan en de productie zich meer en meer concentreert in de handen van enkele grote ondernemers.

Hierboven viel even het woord ‘winst’. Met die winst is het merkwaardig gesteld. Om dat te begrijpen moeten we even in de geschiedenis teruggaan naar een althans in de voorstelling van het marxisme-leninisme bestaan hebbend systeem van ‘eenvoudige warenomloop’, waarbij een producent zijn waar verkoopt met de bedoeling om voor het geld dat hij voor die waar krijgt een andere waar te kopen die hij wil consumeren: de fietsenmaker heeft een fiets gemaakt en begeeft zich met die fiets ter markt, verkoopt hem en koopt voor dat geld een zak sinaasappels. De formule waarin het marxisme-leninisme dit geheel van eenvoudige, maar interessante gebeurtenisen uitdrukt is w-g-w: waar-geld-waar. Anders is het bij de kapitalistische warenomloop: daar gaat de kapitalist ter markt met geld. Hij ruilt dat geld voor waar. Daarna ruilt hij die waar weer voor geld. En wat blijkt nu, als alles tenminste goed gaat? Hoewel bij beide ruilen twee dingen van gelijke waarde geruild werden, is niettemin aan het eind van de formule g-w-g de tweede g groter dan de eerste: de kapitalist heeft winst gemaakt. Er is maar één conclusie mogelijk: die w moet tussen de beide transacties in groter zijn geworden. Onder de ingekochte waar moet zich iets bevinden dat de geheimzinnige eigenschap heeft in waarde toe te nemen tussen de twee momenten dat het gekocht en verkocht wordt. Die waar is de menselijke arbeidskracht. Als van alle waar wordt ook van die arbeidskracht de waarde bepaald door de hoeveelheid arbeid die nodig is om haar te produceren - in dit geval dus door de hoeveelheid arbeid die het geheel van goederen en diensten voortbrengt waardoor die ar-

[p. 91]

beider in staat wordt gesteld te werken. Nu is het merkwaardige van die arbeidskracht dat zij de enige waar is die meer waarde opbrengt dan zij gekost heeft. Men stelt het in de handboeken zo voor, dat de arbeider, wiens arbeidskracht door de ondernemer gekocht is, eerst een aantal uren werkt die de ‘noodzakelijke arbeidstijd’ genoemd worden. In die tijd produceert hij zoveel waarde als nodig is om zijn eigen arbeid te reproduceren, of, minder ingewikkeld uitgedrukt, een waarde die gelijk is aan zijn loon. De rest van zijn werkuren produceert hij ‘meerwaarde’, dat is waarde die uitgaat boven de waarde van zijn arbeidskracht en die de ondernemer zich zonder betaling toeëigent.

Deze visie op de winst is door Marx ontleend aan de klassieke Engelse economie. Men komt de meerwaarde al tegen bij Adam Smith: ‘the value which the workers add to their materials resolves itself into two parts, of which one pays their wages and the other is the profit of their employer’.

Het ‘doel’ van het kapitalistische productiesysteem is het maken van meerwaarde. Dat is de ‘economische grondwet’ van het kapitalisme. ‘Produktion von Mehrwert oder Plusmacherei ist das absolute Gesetz dieser Produktionsweise’.

Nu kan een ondernemer zich geen meerwaarde toeëigenen als hij niet eerst in staat is de arbeidskracht te kopen die die meerwaarde voor hem produceert. Om die te kopen heeft hij kapitaal nodig; hij moet niet alleen arbeidskracht maar ook fabrieksruimte, machines, grondstoffen e.d. kopen. Dat kapitaal nu valt in twee soorten uiteen. Hier moeten we even scherp opletten, want die onderscheiding van twee soorten kapitaal vormt een punctum saliens in de leer: er is konstant kapitaal en er is variabel kapitaal. Het konstante kapitaal is het geld, uitgegeven voor productiemiddelen (grondstoffen, machines, gebouwen etc.), het variabele kapitaal het geld, uitgegeven voor het kopen van arbeidskracht. De winst nu wordt voortgebracht door het variabele kapitaal. Hieruit

[p. 92]

volgt, dat hoe groter het konstante kapitaal, des te kleiner, ceteris paribus, de winst.

Wij willen dat met een eenvoudig voorbeeld verduidelijken. Een kapitalist - laat ons hem A noemen - gaat ter markt met 100 gulden, en koopt voor 80 gulden machines en grondstoffen en dergelijke en voor 20 gulden arbeidskracht. Hij gebruikt die machines, die grondstoffen en die arbeidskracht, produceert iets en verkoopt dat product voor 110 gulden, aldus een winst makend van 10 gulden. Die winst komt uit de gekochte arbeidskracht, die 20 gulden gekost heeft en 30 gulden heeft opgeleverd - vandaar het adjectief variabel. Die 80 gulden productiemiddelen komen er als 80 gulden weer uit - dit stuk kapitaal blijft konstant.

Bezien wij nu kapitalist B. Hij gaat ter markt met 200 gulden, en koopt voor 180 gulden grondstoffen en machines en voor 20 gulden arbeidskracht. Als hij die arbeidskracht in dezelfde mate uitbuit als zijn collega A dat doet, dan brengt die arbeidskracht hem ook 30 gulden op. Zijn winst is dan 10 gulden, dat is 5% van zijn totale kapitaal. Wil hij evenveel winst maken als zijn collega A, dan moet hij proberen uit die 20 gulden arbeidskracht geen 10, maar 20 gulden meerwaarde te halen. Daartoe staan hem twee middelen ter beschikking: verlenging van de werkdag, in dit geval met een derde, of verlaging van het loon, in dit geval tot de helft.

Door de waardewet wordt de kapitalist gedwongen steeds nieuwe en betere machines te kopen, waardoor het aandeel van het konstante kapitaal steeds stijgt en de mogelijkheid om winst te maken steeds kleiner wordt. Hij is dus gedwongen de positie van zijn arbeiders steeds ellendiger te maken. Het steeds armer worden van de ‘brede volksmassa's’, het ‘proletariaat’, waarvan het aantal voortdurend wordt aangegeven door de woorden ‘millioenen en millioenen’, en het door een steeds beter wordende techniek op de markt werpen van steeds meer verbruiksgoederen leidt tot economische crises:

[p. 93]

de mensen hebben geen geld om de door het kapitalistische productiesysteem voortgebrachte goederen te kopen. De prijzen kelderen. Kleine en middelgrote bedrijven gaan bankroet. De werkloosheid stijgt, de lonen dalen. Dan wordt - we zijn ondertussen in de tweede fase van de crisis, namelijk in de depressie - de arbeidsintensiviteit verhoogd, technische verbeteringen aangebracht om daarmee goedkopere waren te kunnen produceren. Dit leidt tot een opleving in de machine-industrie, en die opleving deelt zich mee aan de rest van de industrie, en we gaan weer naar de hausse: de prijzen stijgen, de productie stijgt, nieuwe overproductie en een nieuwe crisis naderen dan alweer. Zulke crises kende de kapitalistische wereld in 1825 (Engeland), 1836, 1847/48, 1857, 1866, 1873, 1882, 1890, 1900-1903, 1907, 1920-21, 1929-1933, 1937-38, 1948-49, 1953-54 en 1957-58.

Aan de ene zijde van de klassenscheiding hopen zich steeds grotere rijkdommen op: een deel van de meerwaarde wordt door de kapitalist niet geconsumeerd, maar ge‘accumuleerd’ - wij zouden zeggen geïnvesteerd in nieuwere en grotere en productievere bedrijven. Dit ‘konstante’ kapitaal neemt naar verhouding sneller toe dan het ‘variabele’. Het proletariaat neemt in aantal toe, maar het proletarische ‘reserveleger’ der werklozen wordt groter, en de materiële positie van het proletariaat wordt relatief en absoluut slechter. Tenslotte ontstaat de volgende situatie: het productieapparaat is enorm geconcentreerd in zeer grote ondernemingen. In die ondernemingen is ook een groot deel van het proletariaat verenigd. Hier komt het beroemde citaat uit de voorlaatste alinea van het 23e hoofdstuk van ‘Das Kapital’ - een citaat dat in geen handboek ontbreekt:

‘Mit der bestāndig abnehmenden Zahl der Kapitalmagnaten [...] wachst die Masse des Elends, des Drucks, der Knechtschaft, der Entartung, der Ausbeutung, aber auch die Empörung der stets anschwellenden und durch den Mechanismus

[p. 94]

des kapitalistischen Produktionsprozesses selbst geschulten, vereinten und organisierten Arbeiterklasse. Das Kapitalmonopol wird zur Fessel der Produktionsweise, die mit und unter ihm aufgeblüht ist. Die Zentralisation der Produktionsmittel und die Vergesellschaftung der Arbeit erreichen einen Punkt, wo sie unverträglich werden mit ihrer kapitalistischen Hülle. Sie wird gesprengt. Die Stunde des kapitalistischen Privateigentums schlagt. Die Expropriatieurs werden expropriiert.’

Zo is dat. ‘De onvermijdelijkheid’, zegt de tweede druk van de Grondslagen van het marxisme-leninisme (Moskou 1962) ‘van de revolutionaire verandering van de kapitalistische maatschappij in een socialistische leidde Marx niet af uit enigerlei utopische wensen, maar geheel en uitsluitend uit de objectieve economische wet van de ontwikkeling der kapitalistische maatschappij.’

Deze hier zeer verkort weergegeven theorie heeft in de loop der jaren nogal wat bezwaren opgeroepen en de leer heeft - ook in de huidige handboeken - op sommige van deze bezwaren gereageerd. De stelling dat de waarde van een waar bepaald wordt door de in die waar ‘gestolde’ arbeid wordt ontkracht door de elders in de leer voorkomende stellingen dat de prijs de in geld uitgedrukte waarde van een waar is en dat die prijs in hoge mate bepaald wordt door vraag en aanbod Een postzegel, waarin misschien voor een honderdste cent arbeid verwerkt is blijkt soms een half millioen waard te zijn. Waarom? Het manuscript van dit boek, waaraan laat ons zeggen 2000 uur gewerkt is door een gediplomeerd intellectueel, is niettemin niet meer waard dan twee, drie duizend gulden. Men kan dan wel zeggen dat die postzegel boven zijn ‘waarde’ en mijn manuscript onder zijn waarde verkocht worden, maar dan vermindert men wel de zin van de bewering dat de ‘prijs de in geld uitgedrukte waarde’ is, zoals dat in de door het partijbestuur goedgekeurde teksten staat.

Bij de meerwaardetheorie is de grote moeilijkheid dat de

[p. 95]

stelling dat de winst uit de arbeid komt slechts een bewering is, uitsluitend gegrond op sentimenten, die respectabel zijn maar geen bewijskracht hebben. Als een aantal mensen gewerkt heeft en er is winst gemaakt, dan stuit het ons tegen de borst dat één hunner, de ondernemer, met de winst gaat strijken, en nog meer stuit het ons tegen de borst als de man die met de winst gaat strijken alleen maar couponknipper is. Maar die gevoelens zijn iets anders dan het bewijs voor de bewering dat de winst uit dat variabele kapitaal komt. Als een ondernemer paarden zou gebruiken inplaats van arbeiders dan komt zijn winst volgens het marxisme-leninisme niet uit die paarden. Laat hij zijn machines door mensen bedienen inplaats van door die paarden, dan komt de winst opeens weer uit die mensen. Vervangt hij die mensen door een machine, dan komt de winst opeens weer niet uit die machine. De meerwaardetheorie zou een stuk waarschijnlijker worden als ondernemer B, hierboven genoemd, inderdaad minder winst maakt dan ondernemer A, dus als bedrijven met naar verhouding meer constant kapitaal minder winst maakten. In werkelijkheid is dat echter niet zo, naar iedereen in zijn eigen omgeving kan constateren. Marx heeft die moeilijkheid ook wel ingezien, en ook de sovjethandboeken gaan er op in. Marx' verklaring (brief aan Engels van 2 augustus 1862) is al even onduidelijk als die van de Osnovy marksizma-leninizma die ik hier in extenso laat volgen:

‘In het productieproces der meerwaarde treden verschillen op tussen de afzonderlijke bedrijfstakken. In sommige bedrijfstakken moet de ondernemer het grootste deel van zijn kapitaal in productiemiddelen steken - gebouwen, machines enz. - die op zichzelf geen winst opleveren, al zijn ze vrij onmisbaar voor het maken van winst. In andere, technisch minder uitgeruste bedrijven wordt het grootste deel van het kapitaal besteed aan het huren van arbeidskracht. De verhouding tussen konstant en variabel kapitaal bepaalt de organische

[p. 96]

structuur van het kapitaal, de structuur van het kapitaal in een gegeven onderneming of een hele bedrijfstak. Hoe groter het aandeel van het konstante kapitaal in het hele kapitaal, des te hoger is zijn organische structuur.

In bedrijfstakken met verschillende organische structuur van het kapitaal brengen kapitalen van gelijke grootte een meerwaarde op van verschillende grootte. In bedrijfstakken met een lage organische kapitaalstructuur zal meer meerwaarde geproduceerd worden dan in bedrijfstakken met een hoge kapitaalsstructuur.

Bedrijfstakken met verschillende organische kapitaalstructuur zouden echter niet kunnen bestaan als de kapitalisten geen gelijke winst uit gelijke kapitalen zouden behalen. Welke zin zou het immers voor een kapitalist hebben om zijn kapitaal in een bedrijfstak te steken met een lage winstnorm? De feiten tonen aan, dat gelijke kapitalen, gestoken in verschillende bedrijfstakken, een min of meer gelijke winst opleveren onafhankelijk van hun organische structuur. Dit is te verklaren doordat naast de concurrentie tussen de kapitalisten binnen iedere bedrijfstak om de verkoop van gelijke waren er [ook] een concurrentie van kapitalisten tussen de bedrijfstakken [onderling] bestaat om een meer winstgevende kapitaalsbelegging. De overgang van kapitalen uit de ene bedrijfstak naar de andere leidt tot prijsverhoging in sommige bedrijfstakken en verlaging in andere. Het kapitaal verlaat de bedrijfstakken waarin zich een overproductie van waren, scherpe prijsdaling en faillissement van ondernemingen voordoet en begeeft zich naar de bedrijfstakken waar gebrek aan waren een prijsstijging heeft veroorzaakt. Op die manier vindt een elementaire gelijkmaking plaats van de winstnorm van bedrijfstakken met verschillende organische kapitaalstructuur en vormt zich een gemiddelde (algemene) winstnorm. Die totale meerwaarde die door de arbeidersklasse wordt voortgebracht, wordt, dank zij zulk een overgang

[p. 97]

van kapitalen, tussen de kapitalisten verdeeld in ongeveer gelijke verhouding tot de grootte van hun kapitalen’.

De vraag die na deze tirade bij enkele lezers zal opkomen is deze: brengen bedrijven met verschillende kapitaalstructuur nu verschillende winst op of niet? Het antwoord is: ja, behalve in de praktijk. Maar als het in de praktijk niet zo is, waar is het dan eigenlijk wel zo? Op die vraag geeft de leer geen antwoord.

Toch is dit een belangrijke kwestie. De ‘Verelendung’ van het proletariaat wordt immers veroorzaakt door de bij steeds geringer wordende arbeidsintensiviteit steeds geringer wordende winst en steeds noodzakelijker wordende verscherpte uitbuiting van de arbeidskracht.

Niet alleen de theoretische basis van deze Verelendung is zwak: ook in de realiteit loopt het veelal anders dan in die beroemde alinea van Marx. Vergelijkt men de materiële positie van de fabrieksarbeider van honderd jaar geleden met die van vandaag - althans in de niet-socialistische westerse wereld - dan ziet men een grote vooruitgang. Het consumptiepakket van het Nederlandse arbeidersgezin zoals dat zo aardig door Multatuli beschreven werd is veel kleiner in omvang dan het tegenwoordige pakket. Wat moet men daarmee aan?

Er zijn hier verschillende uitwegen. Men kan de feiten eenvoudig ontkennen. Men blijft dan domweg volhouden dat bijvoorbeeld de ellende der arbeiders in de Verenigde Staten steeds groter wordt. Men kan dat vrij gemakkelijk volhouden zolang men de berichtgeving over Amerikaanse toestanden maar niet met die groeiende ellende in tegenspraak laat komen. Men citeert dan Lenin (en er is sinds laat ons zeggen 1920 in Rusland geen drukwerk verschenen waarin ook maar één enkele uitspraak van Lenin expressis verbis werd tegengesproken - men moet geloof ik tot de middeleeuwen teruggaan om een vergelijkbare krankzinnige toestand aan te treffen), die geschreven heeft: ‘De arbeider “verelendet” abso-

[p. 98]

luut, dat wil zeggen hij wordt armer, hij wordt gedwongen slechter te leven, zich kariger te voeden, zich steeds minder zat te eten, in kelders en dakkamers te wonen [in de verdiepingen daartussen wonen blijkbaar de kapitalisten. Merk op met hoe “literaire” voorstellingen (de “mansarde” uit de Franse en het “souterrain” der Russische literatuur) hier geopereerd wordt - vhR.] [...] De rijkdom groeit in de kapitalistische maatschappij met een huivering wekkende snelheid - tegelijk met de verpaupering van de arbeidersmassa's’.

Bovenstaande passus vindt men in 1954 aangehaald in een officieel handboek, dat in dit verband opmerkt: ‘In de twintigste eeuw ligt het reële loon van de arbeider in Engeland, de vs, Frankrijk, Italië en andere kapitalistische landen op een lager peil dan omstreeks het midden der negentiende eeuw’. In 1955 heeft de tweede druk van dit werk het Lenincitaat nog wel, maar niet meer die fraaie zinsnede over het reële loon. In de derde druk (1958) ontbreekt ook het Lenincitaat, en in de tweede druk van de Grondslagen (1962) staat: ‘alleen lasteraars en vervalsers kunnen beweren, dat volgens de theorie van Marx en Lenin het levenspeil der arbeiders van de kapitalistische landen nu lager moet zijn dan zeg in het begin der 20e eeuw’. Marx bedoelde namelijk ‘geen ononderbroken proces, maar een tendens van het kapitalisme’, een tendens die ‘zich ongelijkmatig verwezenlijkt’ en die ‘door andere factoren wordt tegengewerkt’.

Als men echter wat de laatste vijftig jaar betreft expliciet en wat de laatste honderd jaar betreft impliciet toegeeft dat het levenspeil der Westeuropese en Noordamerikaanse arbeiders gestegen is, wat hebben we dan eigenlijk nog aan die door Marx zo wetenschappelijk ‘bewezen’ ‘tendens’? Zou men dan niet net zo goed of zelfs beter van een tendens tot stijging kunnen spreken, die door sommige factoren wordt tegengewerkt?

Aardig zijn die ‘lasteraars en vervalsers’, welke woorden hier,

[p. 99]

als elders, uit de mond van een sovjetpublicist zo duidelijk betekenen ‘mensen die iets schrijven dat mijn superieuren niet bevalt’ - het is immers wel boven alle twijfel verheven dat Marx en Lenin wel degelijk aan een absolute verpaupering geloofden. Bovenstaande bloemlezing verelendungscitaten is niet door mij bijeengebracht, maar door de Oostenrijkse jezuiet Gustav Wetter, een uiterst zorgvuldig en zeer fair man, die dank zij dergelijke citaten in de Filosofskaja enciklopedija dan ook een ‘verdraaier’ genoemd wordt...

Men tracht overigens nog iets van de verpaupering te redden door te wijzen op het relatieve aandeel van de arbeiders in de koek der nationale productie. Dit aandeel, zeggen de handboeken, wordt kleiner. Er is dus sprake van relatieve verpaupering. De kapitalist wordt sneller rijker dan de arbeider. Behalve verlenging van de arbeidsdag en verlaging van het loon zijn er nog andere middelen om het reële loon te verlagen. De kapitalist kan namelijk de intensiviteit van de arbeid doen toenemen en daar niets tegenover stellen. Hij kan ook de techniek zo vervolmaken dat de arbeider in zeer korte tijd zijn loon produceert en in de rest van zijn werktijd een meerwaarde van relatief zeer grote omvang. Hiermee zou een deel van de theorie te redden zijn: de man die eerst 100 gulden aan konstant en 100 gulden aan variabel kapitaal besteedde en 20% winst maakte (meerwaarde 40%), gehaald uit 100 arbeiders die elk een gulden loon kregen, gaat nu met een machine van 990 gulden en één arbeider werken en betaalt die arbeider voor dezelfde werktijd een tientje. Hij maakt weer 20% winst. De meerwaarde bedraagt dan 2000%: de ondernemer heeft zich een bedrag van 200 gulden unentgeltlich zugeeignet. De handboeken noemen die mogelijkheid wel, maar maken er niet al te veel werk van, omdat met voorbeelden als het bovenstaande de willekeurigheid van de theorie die met alle geweld de winst uit het variabele kapitaal wil halen, duidelijk blijkt, en omdat bovendien op die manier het reële loon

[p. 100]

ontzaglijk kan stijgen zonder de winst in gevaar te brengen, wat weer erg slecht uitkomt omdat de ellende aan proletarische zijde nu eenmaal steeds groter moet worden.

Treffend overigens in deze hele ineenstortingstheorie van het kapitalisme is, dat deze ‘objectieve economische wet van de ontwikkeling der kapitalistische maatschappij’ de eigenschap heeft ‘tijdloos’ te zijn: het kapitalisme moet ineenstorten, maar die ineenstorting is in 1850 even naturnotwendig als in 1875 of 1900 of 1925 of 1950 of 1975 - een vreemd soort noodzakelijkheid eigenlijk, die een econoom wel als een zwakheid van de theorie zal zien maar die, gezien als onderdeel van een heilsleer, juist een zeer sterke kant heeft: de voorspelling, de ‘wetenschappelijk bewezen’ ineenstorting van het kapitalistische systeem blijft geldig en dus bereikbaar, over honderd jaar evenzeer als over tweehonderd jaar. Ieder verdwijnen, ergens ter wereld, van de kapitalistische productiewijze, ‘bewijst’ de juistheid der theorie: Marx had het al voorspeld. Blijft het kapitalisme elders bestaan, dan bewijst dat niets tegen de voorspelling: Marx ging tenslotte wetenschappelijk te werk, hij is geen Lou de palingboer of soortgelijke zwendelaar die de ondergang der wereld op een dag of wat nauwkeurig voorspelt.

Dit zijn enkele van de moeilijkheden die ontstaan als men dit economische stuk van de leer aan de rede of aan de feiten toetst. Er zijn veel meer vreemde kanten aan. Men denke bijvoorbeeld aan het feit, dat de ineenstorting van het kapitalistische systeem in Rusland plaats vond in een periode, waarin dat kapitalisme geenszins in een crisis verkeerde, doch zich juist in een ongeëvenaarde bloei mocht verheugen. Nog moeilijker is het om de Chinese revolutie in verband te brengen met enige ineenstorting van het kapitalisme. In de streken waar de Chinese communisten het eerst aan de macht kwamen schijnt zelfs helemaal geen kapitalisme te hebben bestaan, zodat Mao zich in heel vreemde theoretische bochten

[p. 101]

heeft moeten wringen om nochtans een ‘proletariaat’ op papier te brengen dat drager van zijn revolutie kon zijn.

Wat verschillende onderzoekers getroffen heeft is het karakter van de crisis die tot revolutie leidt: het is de Verelendung van het proletariaat, de opstapeling van rijkdom enerzijds bij een steeds kleinere groep, het groter worden van armoe en ellende bij een steeds groter wordende groep. Het is die verpaupering en het feit dat de arbeiders ‘geschoold’ en ‘verenigd’ zijn (in grote bedrijven) die ‘noodzakelijk’ tot de revolutie zal leiden. Zoekt men naar de verborgen major in deze redenering dan zou die redelijkerwijs moeten luiden: krijgt een grote bevolkingsgroep het steeds slechter, dan moet dat tenslotte tot opstand en revolutie leiden - een onbewezen stelling en een, waarover menig historicus en socioloog het hoofd zal schudden: het is de meest primitieve voorstelling van revolutie die wij kennen, en als zodanig door velen bewust of onbewust aangehangen. Zij houdt geen rekening met het nogal eens opgemerkte verschijnsel dat juist vermindering van druk aan een opstand vooraf gaat; ook kent de geschiedenis voorbeelden van vergaande verpaupering van grote groepen mensen - de door Marx beschreven verpaupering in Engeland in de 19e eeuw, de verpaupering van het Russische platteland in de jaren 30 en 40 der 20e eeuw-zónder opstand of revolutie. Het is Marx' kunstgreep dat hij in die beroemde alinea een hoop ellende over de lezer uitstort zodat deze gaat denken: ja, inderdaad, zo gaat het niet langer, dat moet wel spaaklopen. Deze publicistische indruk is echter geen ‘bewezen’ ‘historische noodzaak’ - er wordt eigenlijk niet eens een poging gedaan om deze stelling langs de weg van redenering, argumenten, bewijsvoering aannemelijk te maken: zij wordt geponeerd, en verder niets. Het hele dikke boek dat eraan voorafgaat (de fysieke dikte van het boek, met het oog op het groter ontzag dat het op die manier zou wekken, is een punt van overweging geweest bij het schrijven, zoals uit Marx' brieven

[p. 102]

blijkt) tracht immers niet die omwenteling, maar de haar noodzakelijk makende crisis te bewijzen. We hebben hier te doen met een vaak voorkomend verschijnsel: om stelling d te bewijzen, die moet volgen uit stelling c, die weer moet volgen uit b en die weer uit a, neemt men zeer veel moeite om het sequitur tussen a en b en b en c te bewijzen, waardoor de aandacht wordt afgeleid van de leegte tussen c en d.