Een belangrijk verschil tussen de communistische beweging en andere politieke groeperingen die naar een verandering van de maatschappij streven is, dat die andere bewegingen de wenselijkheid van zulk een verandering propageren en alleen op grond van die wenselijkheid het publiek oproepen hun streven te steunen. De communistische leer echter proklameert de historische onvermijdelijkheid van de komst van de door de communisten nagestreefde maatschappelijke orde. Het is ‘wetenschappelijk bewezen’ dat de gehele mensheid in de toekomst in een communistische maatschappij zal leven. ‘De geniale ontdekking van Marx’, schrijft de Russische publicist Sinjavski, ‘bestaat hierin, dat hij wist te bewijzen dat het aardse paradijs, waarvan velen voor hem droomden, het doel was dat de mensheid door het lot zelve was voorbeschikt. Uit de sfeer van het zedelijk streven van afzonderlijke personen (waar zijt gij, gouden eeuw?) ging het communisme met hulp van Marx over naar het gebied der algemene geschiedenis, die sindsdien een ongekende doelmatigheid heeft gekregen en veranderd is in de geschiedenis van de mensheid op weg naar het communisme.
Alles viel toen opeens op zijn plaats. Een ijzeren noodzakelijkheid, een strenge hiërarchische orde legde de loop der eeuwen aan boeien. De aap die op zijn achterpoten ging staan begon daarmee zijn zegetocht naar het communisme. De primitieve maatschappij is nodig om de slavenhoudersmaatschappij voort te brengen; de slavenhoudersmaatschappij is nodig voor het optreden van het feodalisme; we hebben het feodalisme nodig om het kapitalisme te laten ontstaan; het kapitalisme is weer noodzakelijk voor het ontstaan van het communisme.’
‘Als je’, zegt de voor deze uiteenzetting met zeven jaar dwangarbeid gestrafte Sinjavski verder, ‘iemand uit het Westen vraagt waar de Grote Franse Revolutie voor nodig was, dan krijg je de meest uiteenlopende antwoorden. De een zal denk ik (of misschien lijkt het me maar zo?) antwoorden dat zij nodig was om Frankrijk te redden, een ander: om de natie in een afgrond van morele beproevingen te storten, een derde zal zeggen, dat de Franse revolutie de prachtige beginselen van vrijheid, gelijkheid en broederschap in de wereld gevestigd heeft, een vierde zal tegenwerpen dat die revolutie helemaal niet nodig was. Maar vraag een willekeurige sovjet-schooljongen, om maar te zwijgen van meer ontwikkelde lieden, en hij zal u een nauwkeurig en volledig antwoord geven: de Grote Franse Revolutie was nodig om de weg te banen voor het naderende communisme, en daardoor het communisme dichterbij te brengen.’
De voordelen van deze visie zijn zeer groot. Het vechten voor een doel dat misschien niet zal worden bereikt lokt maar weinigen aan. De mens vecht graag als hem daarbij de zekerheid van de overwinning wordt voorgehouden. Hoewel er precies evenveel veldslagen gewonnen als verloren worden komt het heel weinig voor dat zij, die de menigte tot de strijd opwekken (ministers, generaals, journalisten, historici) erbij zeggen dat die strijd misschien wel verloren zal worden. Slechts zeer weinig aanhangers van de communistische leer zijn ooit onaangenaam getroffen door de wel zeer merkwaardige coïncidentie, dat de gewenste en de historisch onafwendbare gang der geschiedenis hier identiek zijn. Slechts zeer weinigen zijn geneigd oorzakelijk verband te zoeken tussen die gewenstheid en het proclameren van die onafwendbaarheid, - zoals ook maar zeer weinig christenen het leerstuk van de eeuwige zaligheid die hun, als ze zich netjes gedragen, post mortem wacht, in verband brengen met het eenvoudige feit dat voor de meeste mensen die eeuwige zaligheid aantrekke-
kelijker is dan de dood of de eeuwige verdoemenis. Bij het Christendom heeft dit samenvallen van het wensenswaarde en het voorbeschikte trouwens een redelijk kantje omdat men het zo kan zien dat de Almachtige het met de mensen zo goed laat aflopen uit de goedheid Zijns harten. Bij het marxisme-leninisme is die coïncidentie veel blinder en onbegrijpelijker: het moet toch wel heel toevallig genoemd worden dat de ontwikkeling der mensheid volgens de door Marx en Lenin na jarenlange universitaire en andere studie ontdekte historische wetten leidt tot een maatschappij die er voor velen buitengewoon aantrekkelijk uitziet.
Een vraag die zich in dit verband vaak heeft voorgedaan is deze: als de door Marx ontdekte wetten van de geschiedenis zo onafwendbaar en ‘wetenschappelijk bewezen’ naar een communistische maatschappij leiden, waarom maken zijn aanhangers zich dan zo druk? Het communisme immers ‘komt tóch wel’...
Het antwoord dat hierop meestal gegeven wordt is, dat de komst van het communisme weliswaar onvermijdelijk is, maar dat de mensen, naar het bekende woord van Marx, de Geburtswehen van die nieuwe maatschappij kunnen helpen verkorten.
Dit is een antwoord dat niet helemaal bevredigt. Men kan er natuurlijk een eind mee komen: de leer heeft ‘bewezen’ dat de kapitalistische maatschappij krachtens zijn eigen wetten ten ondergang gedoemd is, en dat er een communistische maatschappij voor in de plaats zal komen. Vroeger of later gebeurt dat onvermijdelijk. Maar hoe gebeurt dat eigenlijk? We herinneren ons iets gelezen te hebben van soziale Revolution, van het onteigenen der onteigenaars. Door wie? Door het proletariaat. Het proletariaat moet zich daartoe organiseren. Die hele organisatie, die klassenstrijd en die revolutie zijn door historische wetten ‘bepaald’. Het is niet zo gemakkelijk hier de activiteit van de communistische partij uit te lichten
en die niet door historische wetten te doen bepalen, maar af te laten hangen van de ‘subjectieve’ gevoelens van hen, die als ze zich druk maken het historische proces versnellen en als ze zich niet druk maken de mensheid tien, vijftig, honderd, vijfhonderd jaar later bij dat onafwendbare eindpunt zullen doen arriveren.
Wij betreden hier een terrein waarop iedere beweging, overheid, partij, kerk, die een deterministische wereldbeschouwing heeft, met vele voetangels en klemmen bedreigd wordt: een wereldbeschouwing die alleen maar de wenselijkheid van laat ons nu maar zeggen ‘het goede’ propageert heeft hier geen moeilijkheden. Het heeft zin om dat goede te propageren en er voor te ijveren, want dat is de enige weg om het te doen zegevieren. Maar als men zich bezighoudt met de strijd voor de overwinning van het goede en tegelijk de onafwendbaarheid van die overwinning proklameert, dan wordt het natuurlijk moeilijker. Tegenover de zekerheid van de overwinning komt dan de zinloosheid van de eigen inzet te staan. Het Christendom heeft eeuwenlang met dit probleem in de maag gezeten: de almacht Gods en 's mensen vrije wil, twee dingen die de kerk allebei nodig had (het ene om haar gezag te versterken, het andere om een redelijke basis te geven aan haar aansporen van de gelovigen om te doen wat de kerk wilde), maar die natuurlijk onverenigbaar zijn. Bij een werkelijke almacht Gods heeft het geen zin iemand aan te sporen, te straffen of te belonen, want hij kan niet anders. Kan hij wel anders, dan stort die almacht in elkaar.
Bij het Christendom heeft deze problematiek gedurende eeuwenlange, uiteraard futiele, maar daarom soms nog wel interessante debatten zijn neerslag gevonden in een aantal theorieën, die soms vrij ingenieus zijn. In het sovjetmarxisme is de meerderheid van de auteurs die deze zaak behandelen zich van de eigenlijke problematiek niet bewust, en menige middeleeuwer zou glimlachen als hij de wel zeer primitieve
manier zag waarop in Russische filosofische folianten deze zaak behandeld wordt.
Behalve een filosofisch-morele kant heeft deze kwestie ook nog een praktisch-politieke kant. En het is eigenlijk pas op dit punt dat de figuur van Lenin zijn intrede doet in de naar hem genoemde leer.
Bij Marx wordt in vrij vage termen gezegd dat het door het kapitalistische produktiesysteem zelve geschoolde en verenigde proletariaat de onteigenaars zal onteigenen. Lenin zegt iets heel anders. Hij is van mening dat, aan zichzelf overgelaten, de arbeidersklasse het nooit verder zal brengen dan enige strijd voor betere arbeidsvoorwaarden en meer loon: vakverenigingsstrijd dus, die nuttig en belangrijk is, maar die niet genoeg is voor het veroveren van de macht, voor het omverwerpen van het kapitalisme en het vestigen van een socialistische maatschappij. Wil er een socialistische revolutie komen, dan moet het proletariaat twee dingen hebben: een marxistische theorie en een marxistische partij. Die twee dingen kan het proletariaat zelve niet voortbrengen. Zij moeten, van buiten af, aan dat proletariaat gegeven worden door niet proletariërs, door intellectuelen van het slag Marx-Lenin, lieden die hun klassevooroordelen overwonnen hebben en zich hebben weten op te werken tot begrip voor de wetmatigheid van het historische proces dat aan de arbeidersklasse de rol heeft toebedeeld van doodgraver van het kapitalisme.
Twee dingen dus, een theorie en een partij. Die theorie vindt men in dit boek uiteengezet. Wat de door Lenin bedoelde en gestichte partij aangaat, zij is een partij sui generis, een partij van wat Lenin noemt een ‘nieuw type’.
Bij Marx en Engels is ook sprake van die Partei. Maar met dat woord wordt dan eigenlijk een partij in 19e-eeuwse zin bedoeld: een groep mensen die verbonden worden door een politiek doel, maar nauwelijks door enige organisatorische banden. Het beroemde Manifest der kommunistischen Partei was
het manifest van een partij, die naar 20-eeuwse opvattingen nauwelijks bestond. Sterker: in het Manifest zelf stond te lezen dat de communisten geen aparte partij wilden zijn: ‘Die Kommunisten sind keine besondere Partei gegenüber den anderen Arbeiterparteien’. Men zou kunnen zeggen dat de partijvorming der arbeidersklasse bij Marx en Engels iets is dat min of meer vanzelf uit de positie van die arbeidersklasse voortkomt. Zo die partijvorming al leidt tot het oprichten van een organisatie met statuten en besturen en congressen, dan heeft die organisatie een vrij los karakter. Hierbij komt dan nog, dat Marx en Engels nooit veel succes hebben gehad als partijleiders en dat de eerste marxistische partij, de socialistische partij van Duitsland, zich eigenlijk min of meer buiten hen om ontwikkeld heeft. Marx en Engels laten zich in hun brieven soms met zeer grote verachting uit zowel over socialistische arbeiders (‘Knoten’) als over socialistische partijen (‘eine Bande von Eseln’). Die verachting vindt men bij Lenin nergens. Bij hem hangt alles eigenlijk van de partij af. Is zij niet in orde, dan kan het geschiedproces geen doorgang vinden. Die partij is straf georganiseerd, wordt geleid door ‘beroepsrevolutionairen’ en zij is de ‘voorhoede’ van dat proletariaat, zij leidt dat proletariaat.
De hierboven genoemde twee dingen: de ‘historische noodzakelijkheid’ van de komst van het communisme en de uiterst belangrijke taak die de geschiedenis voor het bereiken van dit doel aan de communistische partij heeft toebedeeld, maken die partij inderdaad tot een heel bizondere partij. En wel in het volgende opzicht: van een ‘normale’ politieke partij staat iedere actie in een zekere verhouding tot de werkelijkheid, tot de ‘haalbaarheid’ van het door die actie nagestreefde doel. Een communistische partij echter ‘weet’ dat zij het tenslotte - dat wil zeggen in de naaste toekomst - zal winnen, en op die gepredestineerde eindoverwinning neemt zij als het ware voortdurend een voorschot. Of anders gezegd: bij een ‘normale’
partij (het verschil is natuurlijk altijd relatief en wordt hier om der wille van de duidelijkheid wat overdreven) is het zo, dat de activiteit afneemt naarmate de kloof tussen de actie en de haalbaarheid van het nagestreefde doel groter wordt. Bij een communistische partij is die haalbaarheid om zo tezeggen historisch gegarandeerd: men neemt bij zulk een partij een constante activiteit waar, die niet van de werkelijkheid afhankelijk schijnt. Waar ter wereld zich welke communistische groepering wanneer dan ook bevindt, de omstandigheden moeten wel zeer benard zijn als die groep zich niet bezighoudt met vergaderen, moties aannemen, besluiten nemen, Lenin lezen, geschriften uitgeven, optochten houden, menigten toespreken, leden winnen, cursussen organiseren of althans met een of meer van die dingen. Het maakt niets uit of die groep bestaat uit poolreizigers, guerillastrijders in Viet Nam, hoogleraren aan de Sorbonne, tramconducteurs in Amsterdam of door de Gestapo vervolgde communisten in Duitsland. Voor de nuchtere toeschouwer lijken die hierboven opgesomde activiteiten op dwanghandelingen, op een godsdienstig ritueel. Het verschil met de godsdienst is echter dat rituele handelingen geen betrekking hebben op het staatkundig leven - behalve in betrekkelijk zeldzame gevallen als het zegenen van wapens, het wijden van gebouwen, het zalven van of bidden voor vorsten of het van de kansel verkondigen van politiek getinte beweringen - terwijl de communistische dwanghandeling, hoe ver ook van de realiteit verwijderd, niettemin op die realiteit en uitsluitend op die realiteit betrekking heeft.
Dit laat ons nu maar zeggen metafysische, irreële, religieuze karakter dezer sociale dwanghandelingen kan samengaan met volstrekte onverschilligheid en gebrek aan reactie van het milieu waarin die handelingen zich afspelen, en kan leiden tot een bijna volkomen uitroeiing van de bedrijvers dier handelingen (Duitsland 1933-45). Maar daar, waar de maatschappij
bij wijze van spreken vraagt om enige propagerende, organiserende, ideologiserende, vlugschriften verspreidende en toespraken houdende, leuzen formulerende activiteit - daar kan een betrekkelijk kleine groep communisten juist door dat dwangmatige van hun handelingen uitgroeien tot een grote macht. Terwijl andere, meer ‘reële’ politieke groepen niet goed weten wat zij in een bepaalde ongewone situatie moeten beginnen (Nederland tijdens de bezetting, Rusland in 1917) loopt de communistische machine automatisch door.
In de Russische handboeken wordt over de partij een stortvloed van prijzende woorden uitgegoten (zowel in het lakende als in het prijzende beweegt de communistische schrijf- en spreektrant zich buiten het beschaafde spraakgebruik): zij is onverzoenlijk tegen het kapitalisme, laat zich leiden door de onvervalste beginselen van het marxisme-leninisme, zij is ‘leermeester, gids, leider van alle werkenden’.
Zij is georganiseerd volgens de beginselen van het ‘democratisch centralisme’. De term is van december 1905, pareert sinds augustus 1917 in de statuten van de Russische partij en is later bij andere communistische partijen gebruikelijk geworden. Onder democratisch centralisme verstaat men, dat alle leidende partijorganen gekozen worden door lagere organen of leden, dat al zulke organen periodiek aan de hen gekozen hebbende lichamen rekenschap moeten afleggen, dat alle leden zich aan de partijdiscipline moeten onderwerpen, dat de minderheid zich zonder voorbehoud aan de meerderheid moet onderwerpen, en dat besluiten van de hogere organen absoluut bindend zijn voor de lagere.
Deze beginselen verschillen enigszins van wat men in de kapitalistische, burgerlijke wereld een normale vereniging zou noemen. Ook daar worden bestuursorganen gekozen en moeten zij rekenschap van hun beleid afleggen; ook daar leggen leden zich neer bij verenigingsbesluiten, en werkt de minderheid mee aan het ten uitvoer leggen van besluiten van de
meerderheid. En ook het bindend zijn van besluiten van het hoofdbestuur van de vereniging voor de hele vereniging is in onze wereld geen ongewoon verschijnsel. Maar men voelt aan de onmiskenbaar grimmige formulering wat de verschillen zijn. In onze streken is het gebruikelijk dat er binnen één vereniging of politieke partij verschil van mening bestaat. Een lid, een afdeling, een plaatselijke bestuurder kan het niet eens zijn met het hoofdbestuur, en dat laten merken zonder dat het hoofdbestuur dat lid of die afdeling meteen royeert. De statuten en het program van een ‘westerse’ vereniging zelf zijn in onze ogen, en meestal in werkelijkheid ook, een compromis, want geen twee mensen denken gelijk. Men wordt ten onzent lid ener partij niet alleen omdat men het met bepaalde dingen van die partij eens is, maar ook ondanks het feit dat men het met bepaalde dingen niet eens is. Weinig leden van een normale Nederlandse politieke partij zullen het van harte eens zijn met bijvoorbeeld het verkiezingsprogram van hun partij, en wij zouden het wel als heel onbeschaafd beschouwen als na het congres, waarop dat program bij meerderheid van stemmen is aangenomen, een woordvoerder van de minderheid zich opeens met grote geestdrift over de programpunten zou uitlaten waar hij op het congres tegen geageerd en tegen gestemd heeft. In onze verhoudingen wordt van zo iemand enige terughoudendheid verwacht: een loyale uitvoering van het partijbesluit, een aandeel, als hij dat wenst, in de verkiezingskampagne, waarbij van hem verwacht wordt dat hij zijn afwijkend standpunt althans gedurende de verkiezingsstrijd op de achtergrond zal houden.
Bij de communistische partij ligt dat anders. De voorstander van politiek a zal, als de partij besluit politiek b te voeren, juist met grote geestdrift politiek b gaan verkondigen en met grote hoon en verachting spreken over hen, die ooit gemeend hebben dat politiek a de juiste zou kunnen zijn. Indien hij die politiek a ooit openlijk heeft verkondigd zal hij met veel ver-
toon zijn ongelijk bekennen, en er met klem de aandacht op vestigen dat hij dank zij het wijze partijbesluit het foutieve van zijn vroegere mening heeft ingezien. Dit leidt er toe, dat een communistische partij op buitenstaanders zo vaak de indruk maakt van een mensonterend gekkenhuis - en het is ook een van de oorzaken van de grote aantrekkingskracht die zulk een partij uitoefent. Dit ‘centralisme’ geeft menig communist een gevoel van trots: wij zijn niet zo'n troepje ‘burgerlijke’, slappe, humane aarzelaars en debaters die eigenlijk zelf niet weten wat ze willen, maar een bond van toegewijde strijders die samen één front vormen, en die weten dat politiek geen bewaarschool is, dat waar gehakt wordt spaanders vallen en dat men nu eenmaal geen omelet kan bakken zonder eieren te breken. De vijand is ook zo zachtmoedig niet, en wij kunnen ons de luxe van afwijkende meningen niet veroorloven. Onze partij is geen debatingclub. Velen worden door deze flinkheid, door wat je het padvinderachtige van de communistische beweging zou kunnen noemen, ten zeerste aangetrokken. Het eist bovendien iets van de partijgenoot. Wie bereid is offers te brengen kan hier terecht, zowel wat het offeren van zichzelf als het offeren van anderen betreft.
Zachtmoedige en doodeerlijke lieden worden hierdoor gefascineerd, ze voelen deze discipline als een historische noodzaak. (De grens tussen zachtmoedigheid en bloeddorstigheid is trouwens zeer moeilijk te trekken: het als een afschuwelijke noodzakelijkheid accepteren van bepaalde dingen ligt soms dicht naast het genieten ervan; de ‘historische noodzakelijkheid’ maakt het genieten pas mogelijk. Menige massamoordenaar krenkte zijn medemensen geen haar zolang die historische noodzaak afwezig was. Niet voor niets werd Robespierre incorruptible genoemd. Himmler schijnt men zelfs geen verkeersovertreding ten laste hebben kunnen leggen, en van Dzerzjinski wordt, waarschijnlijk niet ten onrechte, aan de jeugd die telken jare gedwongen wordt brochuretjes over
hem te lezen, verteld dat hij een man was op wie moreel niets viel aan te merken.)
Men vergete hier ook niet de menselijke behoefte aan loyaliteit, die men door zich bij de communisten aan te sluiten kan bevredigen. De trouw aan andere, ‘normale’ partijen wordt altijd getemperd door redelijkheid, ironie, ongeloof, aarzeling. In de communistische partij vindt men een uitlaat voor wat George Orwell zo scherpzinnig ‘nationalistische’ gevoelens genoemd heeft. De gemiddelde intellectueel is een even dom kuddedier als de rest van de bevolking. Het wordt hem echter in beschaafde landen door de in intellectuele kringen heersende openbare mening niet toegestaan loyaal te zijn aan koningin en vaderland, achter de vlag te lopen en het volkslied te zingen en zijn vorst en vaderland ‘right or wrong’ trouw te blijven door dik en dun ook al zou er op dat vaderland en die vorst wel het een en ander aan te merken zijn. Dit soort gevoelens kan menige intellectueel in onze samenleving niet kwijt - en hij vindt dan soms een uitlaat, een object voor die gevoelens in de communistische partij, die hem bovendien nog toestaat te blijven deelhebben aan de in zijn kringen gebruikelijke scepsis tegenover koningin en vaderland in de geijkte zin.
Er is één zeer belangrijk ding dat ook formeel een communistische partij van een gewone partij onderscheidt, en dat is het verbod van fractievorming, een verbod dat sinds 1921 van kracht is. Alle bepalingen over vrije discussie, over ‘democratie binnen de partij’, over het kiezen van besturen en het verantwoording afleggen door besturen aan de leden gaan in rook op door dat verbod van fractievorming. Het kies- en besluitrecht van de leden ener vereniging staat of valt immers met hun recht tot ‘fractievorming’, dat wil zeggen hun recht tot het vormen van groepen die een bepaalde kandidaat, een bepaald besluit voorstaan dat het bestuur misschien niet welgevallig is. Een tegen het bestuur gericht besluit kan immers
moeilijk genomen worden als men niet eerst de mogelijkheid heeft er over te praten - tijdens een partijvergadering of op een bijeenkomst van dissidenten. Zo is het bestuur van een communistische partij eigenlijk al bij definitie almachtig. Bovendien heeft de grens tussen vrijheid en onvrijheid, die tussen bestuur en rank and file ligt al gauw de neiging tot vervagen, omdat namelijk de personen die samen het partijbestuur vormen zelf ook niet aan ‘fractievorming’ mogen doen. Het is dus zo, dat niet alleen het partijlid, maar ook de partijbestuurder de vrijheid mist die hij in een ‘gewone’ vereniging zou hebben: de vrijheid namelijk om te zeggen wat hij wil zonder dat er maatregelen van repressieve aard tegen hem genomen worden.
‘Iedereen is vrij om alles te schrijven en te zeggen wat hem belieft, zonder enige beperkingen. Maar iedere vrije vereniging (de partij inbegrepen) is ook vrij om leden uit te stoten die de naam van de partij gebruiken voor het propageren van anti-partijopvattingen [...] De partij is een vrijwillige bond, die onvermijdelijk uiteen zou vallen, eerst ideëel en daarna ook materieel, als zij zich niet zuiverde van leden die anti-partijopvattingen propageren.’ Men hoeft geen enkele kennis van de praktijk van het communistische partijleven te hebben om bij het lezen van dit in de handboeken vaak aangehaalde Lenincitaat niet te voelen uit welke hoek de wind hier waait. Interessant zijn natuurlijk vooral die antipartijnye vzgljady, in het Nederlandse partijjargon nogal eens, via het Duits, vertaald met ‘partijvijandige opvattingen’. In een redelijke omgeving immers zou niemand het in zijn hoofd halen lid te zijn van een partij, tegen welke hij gekant was, en is het hebben van anti-partijopvattingen moeilijk denkbaar. In communistische partijen echter is een verworpen mening een verwerpelijke mening, een schadelijke mening, een tegen de partij gerichte mening, en wie die mening uit, wordt uitgeworpen in de buitenste duisternis.
Ieder lid van een communistisch partijbestuur loopt de kans het slachtoffer te worden van een meerderheid die hem van ‘partijvijandigheid’, verraad etc. beschuldigt en tot zwijgen brengt - zodat tenslotte één man als dictator overblijft, wat ook het geval geweest is, en is, in menige communistische partij.
Men zou deze stand van zaken enigszins kunnen vergelijken met het Nederlandse Reglement betreffende de Krijgstucht, dat in artikel 31 een gestrafte militair uitvoerig de mogelijkheid geeft om zich te beklagen, maar hem die mogelijkheid in artikel 30 weer in belangrijke mate afneemt door de bepaling, dat onredelijk beklag strafbaar is. Zo mag een lid van een communistische partij gerust zeggen wat hij wil, zolang hij maar niet iets ‘partijvijandigs’ zegt, - en het bestuur maakt uit wat men daaronder verstaat. (Hier is de recruut beter af, want of zijn beklag redelijk is of niet wordt niet uitgemaakt door de man over wie hij zich beklaagd heeft.)
Overigensis de mogelijkheid om vrij te spreken door deze bepaling niet geheel en al gesloten: zoals de soldaat ondanks die bepaling kan klagen, zo kan een communist desondanks op een congres voorstellen Paul de Groot af te zetten. En zoals het theoretisch mogelijk is dat die soldaat gelijk krijgt, zo is het ook theoretisch mogelijk dat het initiatief van die ene man - die daarover van te voren met niemand openlijk heeft kunnen spreken - tot het aftreden van Paul leidt.
Dit is een groot en belangrijk verschil met bijvoorbeeld het leidersbeginsel der nazi's. Daar had reglementair niemand iets te vertellen behalve de Führer, hier heeft reglementair iedereen alles te vertellen, behalve dan dat hij de besluiten van de meerderheid moet eerbiedigen en gehoorzamen moet aan de leiding die hij zelf gekozen heeft.
Het ‘democratisch centralisme’, zoals hierboven geschilderd, mist overigens weer de voordelen van de openlijke dictatuur à la het nazisme, fascisme, het absolute koningschap en de
hiërarchische verhoudingen overal waar lagere instanties aan hogere gehoorzamen zonder - althans binnen die hiërarchie - de hogere organen te kunnen controleren. De absolute vorst, de dictator, de kapitein van een schip, de militaire bevelhebber kan zijn ondergeschikten een tamelijk grote vrijheid van meningsuiting toestaan, daar immers het te nemen besluit door hem, en niet door die ondergeschikten moet worden genomen. De communistische aanvoerder kan zijn ‘officieren’ niet voor een krijgsraad bijeenroepen, want een meerderheidsmening in die krijgsraad is bindend voor de commandant.
Het gevolg hiervan is, dat een communistische leiding vaak niet of slecht bekend is met de mening van de rank and file. Zij beschikt wel over allerlei middelen om die mening te vormen, voor te schrijven, af te dwingen, maar zij heeft - behalve langs de weg van min of meer politionele spionage - geen reguliere, openbare middelen om er achter te komen wat de gewone leden denken. Die leden hebben immers geleerd alleen dat te zeggen wat de leiding hun voorgeschreven heeft.
Een tweede gevolg is, dat de rank and file heel weinig invloed hebben op de leiding. Dat is bij andere dictaturen wel mogelijk. Hij, die uitsluitend gehoorzaamheid aan zijn chef verschuldigd is en over het besluit van zijn chef geen enkele zeggenschap heeft, kan niettemin veelal door het met meer of minder klem uiten van zijn mening het besluit van die chef beïnvloeden.
Een derde gevolg van deze stand van zaken is de noodzaak voor de leiding om de mening van de leden te manipuleren, voor te schrijven, te organiseren. In een ‘normale’ vereniging bestaat er een min of meer automatische overeenstemming tussen bestuur en leden, want als het bestuur de leden niet bevalt kiezen zij een nieuw bestuur. Een bestuur dat weet hoe het hoort treedt dan ook af bij het minste teken van algemene ontevredenheid: een regering treedt af als zij in een be-
langrijke zaak het parlement tegen zich krijgt. Het bestuur zal, als het graag wil blijven zitten, moeite doen om de meerderheid gunstig voor zich te stemmen, maar als die meerderheid niet gevonden wordt is er niets aan te doen. Het communistische bestuur echter verhindert het opkomen van een tegen het bestuur gerichte meerderheid door het represseren als ‘partijvijandig’ van alle tegen het bestuur gerichte kritiek én door het besteden van veel tijd en moeite aan het opbouwen en in stand houden van een eigen meerderheid. Voor de in feite ontbrekende discussievrijheid wordt een kunstmatige in de plaats gesteld: men organiseert discussies binnen de partij door een kleine speelruimte vrij te laten voor meningsverschillen en over die verschillen te doen debatteren. Men organiseert amendementen op bestuursvoorstellen, die, evenals die bestuursvoorstellen zelf, met algemene stemmen worden aangenomen. Als een nieuw bestuur moet worden gekozen, zorgt men er voor, dat de door het bestuur gewenste candidaten door een gewoon, liefst een algemeen geacht lid, min of meer spontaan worden voorgesteld. Als het zittende bestuur een van haar leden door een ander wil vervangen, geeft zij dat bestuurslid opdracht zijn candidatuur in te trekken - met een beroep op het democratisch centralisme, en niet geheel ten onrechte, want staat er niet geschreven dat de lagere organen aan de hogere gehoorzamen moeten?
Zo ontstaat het paradoxe en voor buitenstaanders verwarrende beeld dat laat ons zeggen de ussr in 1936 bood: een steeds sterker wordende terreur, processen en fusillades, grote angst bij allen, vooral bij de communisten, doodsangst om ook maar iets te zeggen dat de autoriteiten onwelgevallig zou kunnen zijn, en tegelijk een enorme, massale discussie over de nieuwe grondwet in duizenden vergaderingen over het hele land, in alle lagen van de sovjetbevolking en in alle persorganen. Sterker nog: een massale, dag en nacht overal in het land, op scholen, partijvergaderingen, bibliotheken, fabrie-
ken en universiteiten voortdurende toejuiching van die arrestaties en die fusillades, waarbij elk der sprekers en juichers verteerd werd door angst dat het morgen zijn beurt zou zijn. In deze rubriek hoort ook het paradoxe beeld van de verkiezingen in een communistisch land, waarvoor een enorme propaganda gevoerd wordt, terwijl de kiezer slechts op één enkele candidaat kan stemmen en de ambtenaren van het stembureau eventuele tegenstemmers gemakkelijk kunnen herkennen doordat alleen zij van het stemhokje gebruik maken: wie vóór stemt hoeft alleen maar zijn stembiljet in de bus te doen.
Omgekeerd zal men ook kosten noch moeite sparen om een door de overheid genomen besluit een geestdriftig onthaal te doen vinden bij de bevolking - bij het invoeren van de doodstraf of het afschaffen ervan, bij het toelaten van abortus provocatus of het verbieden ervan zorgt men ervoor dat niet alleen de partijgenoten, maar de hele bevolking luide blijk geeft van zijn tevredenheid met de te nemen maatregel.
Dit alles brengt met zich mee dat er een geheel kunstmatige voorstelling ontstaat van wat de rank and file eigenlijk denkt. Dit heeft voor de leiding een positieve kant voor zover het haar mogelijk is een menigte te beïnvloeden door bepaalde gezindheden bij haar te veronderstellen en haar te dwingen die te uiten. Ook is het een voordeel voor de overheid dat de gewone man zijn eigen mening alleen maar te weten kan komen via de door de overheid gehanteerde uitingen van de openbare mening. Anderzijds kan die voorstelling, niet of nauwelijks in bedwang gehouden door de werkelijkheid, aanzienlijk van die werkelijkheid gaan verschillen. De gaping die op die manier ontstaat is te gevaarlijker omdat zij niet geregistreerd en niet bekend gemaakt wordt. Dit leidt er weer toe dat een communistische leiding van groot wantrouwen vervuld is ten aanzien van de eigen volgelingen en deze zo min mogelijk aan zichzelf wil overlaten.
Hier moge en passant aan worden toegevoegd, dat de moeilijke positie van de communistische dictator, die zijn officieren niet naar hun echte mening kan vragen omdat die mening formeel voor hem bindend is, een aardige parallel vindt in de communistische denker, die heel voorzichtig moet zijn bij het raadplegen van zijn eigen denkvermogen, omdat de redelijke conclusie van zijn denkvermogen formeel voor hem bindend is. Zoals immers de communistische partij in feite een dictatuur, maar officieel een democratie is, zo is de communistische leer in feite een dogma, maar officieel een op redelijke conclusies uit wetenschappelijke waarnemingen berustende theorie. Dit onderscheidt - hierop wijst Blakeley in zijn Soviet Scholasticism - de communistische denker van de middeleeuwse scholasticus, die zeer ver kon gaan in het volgen van ervaring en rede, omdat hij bij een conflict tussen rede en geloof vanzelf door dat geloof gecorrigeerd werd.