Het geloof der kameraden


auteur: Karel van het Reve


bron: Karel van het Reve, Het geloof der kameraden. G.A. van Oorschot, Amsterdam 1989 (zesde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 187]

Restanten

Welwillende lezer. Lieve lezeres! Op dit punt in zijn boek aangekomen, weet de schrijver eigenlijk niet zo goed meer hoe hij verder moet. We hebben nog lang niet alles behandeld. Maar van de nog niet behandelde zaken zijn er vele, waarvan men zich af kan vragen of zij eigenlijk wel tot de leer horen. Zij worden er officieel wel toe gerekend, maar zij hangen er een beetje bij, en zijn vaak niet meer dan kreten, losse beweringen, en niet, zoals de dingen die we tot nu toe hebben behandeld, min of meer samenhangende, enigszins beredeneerde theorieën of stukken van theorieën.

Zo is bijvoorbeeld het ‘leninistische principe van de vreedzame coëxistentie’ officieel een uiterst belangrijk onderdeel van het marxisme-leninisme. In werkelijkheid echter - en een klein beetje rekening met de werkelijkheid moeten we toch houden - is het niet anders dan de in verschillende toonaarden herhaalde bewering, dat kapitalistische en socialistische landen vreedzaam naast elkaar kunnen bestaan. Om aan te tonen dat dit leerstuk eigenlijk al heel lang een belangrijk onderdeel van de leer geweest is worden drie uitspraken van Lenin aangehaald (van 5 oktober 1919, van 18 februari 1920 en van 6 maart 1922) die eigenlijk over iets anders gaan, en daarmee is de zaak bekeken.

Naarmate wij onze eigen lijd naderen vinden we in het marxisme-leninisme steeds meer uitspraken, die als theorieën, als leerstukken worden gepresenteerd, maar dat eigenlijk evenmin zijn als de theorie der Morele Herbewapening of de ‘nasakom’ van Soekarno. Beschouwt men deze dingen als theorieën, dan kan men ook de leuze ‘Persil wast witter dan wit’ beschouwen als een onderdeel van een wereldbeschouwelijke theorie.

[p. 188]

Sterker nog. Er zijn onderdelen van de leer, die alleen maar bestaan uit de bewering, dat er zulk een onderdeel bestaat. Dat geldt bijvoorbeeld voor de economische theorie van het socialisme, die wel tot de leer gerekend wordt, en in de handboeken zelfs een aanzienlijk aantal pagina's inneemt, maar in werkelijkheid helemaal niet bestaat - wat af en toe ook wel met zoveel woorden toegegeven wordt. Een vreemde toestand eigenlijk: een wereldbeweging die een groot deel van de wereldeconomie beheerst heeft wel een theorie over de kapitalistische economie, maar geen theorie over de socialistische economie. Een beweging die naar de omverwerping van het kapitalistische productiesysteem streefde, en die over een dik boek beschikte waarin stond hoe dat systeem werkte en hoe en waarom het te gronde zou gaan, wilde revolutie maken, de macht in handen nemen en dan eennieuw economisch systeem ‘opbouwen’. Maar hoe dat systeem in elkaar zou zitten wist men niet. Wie er naar vroeg kreeg ten antwoord: wij zijn geen ‘utopisten’, geen systeembouwertjes, geen presenteerders van kant en klare patentoplossingen - wij zijn juist de jongens van het wetenschappelijk socialisme! Dit antwoord deed iedereen beschaamd zwijgen, hoewel menigeen die dat niet hardop durfde te zeggen toch wel stilletjes gedacht moet hebben dat juist wetenschappelijke jongens alvorens een oud economisch mechanisme in elkaar te trappen toch misschien beter van te voren iets op papier hadden kunnen zetten van hoe zij zich de economie op de morgen na de revolutie eigenlijk voorstelden. Maar noch op enig tijdstip vóór de invoering van de socialistische economie, noch op enig tijdstip daarna heeft het marxisme-leninisme over een economische theorie van het socialisme beschikt. Men vindt alleen de bewering dat zulk een theorie bestaat, en die bewering kan vele honderden bladzijden beslaan.

Misschien zou het opzetten van zulk een theorie ook wel erg moeilijk geweest zijn: ook in de socialistische economie im-

[p. 189]

mers moet worden geïnvesteerd, dat wil zeggen moet meer worden geproduceerd dan geconsumeerd. Je kunt de productie die de arbeider meer levert dan zijn loon meerwaarde noemen, of zoals de Joegoslaven doen winst, of zoals bij Marx staat ‘aftrek voor de gemeenschappelijke fondsen’, maar in feite blijft het eenzelfde ding. Waar komt nu die socialistische winst vandaan? Uit het variabele kapitaal. Machines brengen immers geen winst op? Het valt niet in te zien hoe onder het socialisme die winst opeens wel uit die machines zou komen. Maar als dat zo is zal bij toenemende mechanisatie en dus toenemend aandeel van het constante kapitaal de winst afnemen, en zal men, wil men blijven investeren, de arbeider net zo veel moeten uitbuiten als onder het kapitalisme en zal dat tot dezelfde verpaupering moeten leiden en tot dezelfde ineenstorting van het productiesysteem. Deze tegenwerping is, bij mijn weten althans, voor het eerst gemaakt ruim honderd jaar nadat Marx had uitgelegd hoe het met dat constante en variabele kapitaal zat, en wel in het jaar 1969 door een cadet van de KMA, de heer M. Th. Sturm.

Niettemin: woorden als ‘imperialisme’, ‘vreedzame coëxistentie’, ‘revisionisme’, ‘opportunisme’ en dergelijke spelen een grote rol in het communistische spraakgebruik, en het is misschien toch wel aardig er een ‘restanten’-hoofdstuk van te maken.

Laat ons beginnen met het imperialisme. Dit is een grensgeval: het is weliswaar een ad hoc in de leer geïncorporeerde kreet, maar die kreet loopt al vele jaren mee, en de man die dit leerstuk aan de leer heeft toegevoegd heeft wel degelijk getracht het in de theorie in te voegen. Aanleiding tot het in de leer opnemen van dit begrip was de eerste wereldoorlog en Lenins verschil van mening hierover met zijn partijgenoten in de socialistische internationale.

Marx en Engels hadden de gewoonte om oorlogen zeer vurig te begroeten en in die oorlogen de zijde te kiezen van de meest

[p. 190]

‘progressieve’ partij, waarbij hun voortdurend de Franse revolutie voor ogen schijnt te hebben gezweefd: zij meenden dat de door het revolutionaire Frankrijk gevoerde oorlogen ‘revolutionerend’ hadden gewerkt. Een oorlog van Duitsland bijvoorbeeld tegen Rusland zagen zij als een ‘revolutionaire’ oorlog, die hun partij in Duitsland aan de macht zou brengen. Zelfs in het veroveren van Sleeswijk-Holstein door Pruisen zagen zij een soort heilige oorlog. Pas na Marx' dood maakte deze vreugde over komende oorlogen plaats voor bezorgdheid over de grote schade die een wereldoorlog aan heel Europa zou toebrengen.

Toen de eerste wereldoorlog uitbrak gingen de socialisten in Frankrijk, Duitsland en Rusland te werk naar de oude gewoonte van Marx en Engels. Zij toonden duidelijk aan, dat de vijand (de tsaristische achterlijke autocratie, het achterlijke half-feodale Duitsland) de reactie vertegenwoordigde en dat het de plicht van ieder rechtgeaard socialist was de nederlaag van die reactionaire staten te bevorderen en zijn eigen land tegen de aanval van die staten te verdedigen. Hun eigen landen achtten zij uiteraard hoog ontwikkeld, zowel industrieel, cultureel als wat de macht der arbeiders betrof; hier kon de achterlijkheid van Rusland weggestreept worden tegen de voorlijkheid van Ruslands bondgenoten, en tegen de Russische revolutie van 1905-1907. De Duitsers konden hier wijzen op hun partij: de sterkste socialistische partij ter wereld. Weer andere socialisten waren naar het voorbeeld van Engels bezorgd, beschouwden de oorlog als een ramp en wilden een spoedige vrede bevorderen.

Lenin echter kwam in 1914 met een geheel andere visie: de socialisten der oorlogvoerende landen behoorden de nederlaag van hun eigen land te bevorderen, en deze ‘imperialistische oorlog’ moest worden omgezet in een burgeroorlog. Hij zag niet de strijd tegen en het verslaan van de reactionaire tegenstander als een mogelijkheid om aan de macht te gera-

[p. 191]

ken, maar de nederlaag en ineenstorting van het eigen reactionaire regiem.

Dit was iets nieuws, en iets anders dan Marx en Engels te zien hadden gegeven, en zijn partijgenoten lieten niet na Lenin dit onder het oog te brengen. Lenin wilde Marx en Engels niet laten vallen, en kwam daarom met de bewering, dat de uitspraken van Marx en Engels juist waren, maar alleen juist voor de tijd waarin ze gedaan waren. Sindsdien was er het een en ander veranderd. Een nieuwe periode in de geschiedenis van het kapitalisme was aangebroken, de periode van het ‘imperialisme’. En die nieuwe periode was zo omstreeks 1895 begonnen - een voor Lenin zeer gunstig tijdstip, omdat door het overlijden van Engels in dat jaar hij daarná niet meer gehinderd kon worden door enige uitspraak van de ‘grondleggers’. Lenin was nu zelf een grondlegger.

Marx en Engels waren bij het beoordelen van oorlogen in zoverre niet erg ‘marxistisch’ te werk gegaan, dat hun ‘verklaring’ van oorlogen niet afweek van de gangbare: zij zagen er niets anders in dan een stuk politieke machtsstrijd. Lenin echter ging uit van de in zijn tijd in zwang gekomen ‘marxistische’ opvatting, dat het vooral economische beweegredenen waren die staten in oorlog met elkaar brachten, en met name economische concurrentie op de wereldmarkt.

In 1916 schreef Lenin in Zwitserland zijn ‘populaire schets’ onder de titel ‘Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme’. Kenmerkend voor dat hoogste stadium achtte hij 1. een concentratie van productie en kapitaal, die een zo hoge trap van ontwikkeling heeft bereikt dat zij monopolies schept die een beslissende rol in het economische leven spelen; 2. samensmelting van bank- en industriekapitaal tot ‘financieel kapitaal’, waardoor een financiële oligarchie ontstaat; 3. groeiende betekenis van de kapitaalsexport; 4. het ontstaan van internationale verbonden van kapitalisten, die de wereld onder elkaar verdelen; 5. einde van de verdeling

[p. 192]

van de koloniale gebieden onder de grote mogendheden. ‘Het imperialisme’, schreef Lenin, ‘is het kapitalisme in dat stadium van zijn ontwikkeling, wanneer de heerschappij van monopolies en financieel kapitaal zijn beslag heeft gekregen, de verdeling der wereld tussen de internationale trusts begonnen is en de verdeling van het hele aardoppervlak tussen de grootste kapitalistische landen geëindigd is.’

Dat is nog niet alles. Met het bereiken van dit stadium is het kapitalisme in een stadium van parasitisme en verrotting gekomen. Parasitisme, omdat de monopolies, zoals het handboek Političeskaja ekonomika (1959) ons leert, ‘een zo belangrijk deel van de productie of de afzet van een bepaalde productiewijze concentreren dat het hun daardoor mogelijk is de concurrentie te beperken en voor hun waren hoge monopolieprijzen vast te stellen’. De drang naar technische verbetering, die tot nu toe tot vervolmaking van het kapitalistische productieapparaat leidde, verdwijnt hiermee, de technische vooruitgang wordt geremd, de activiteit der kapitalisten wordt beperkt tot het couponknippen en het speculeren. Door de kunstmatig hoog gehouden winsten en door de goedkope grondstoffen uit de koloniale gebieden is de bourgeoisie in staat een deel van de arbeidersklasse door hoge lonen en door betere arbeidsvoorwaarden om te kopen: de zogenaamde arbeidersaristocratie.

Het is niet moeilijk in te zien, dat we hier met een ad hoc theorie te maken hebben. Lenins nieuwe en zeer scherpe en konsekwente stellingname tegen de oorlog was in strijd met wat Marx, Engels en Lenin zelf op dit gebied tot nu toe beweerd hadden. In 1904-5 had Lenin in de Japans-Russische oorlog nog op de ouderwetse manier partij gekozen voor Japan als het land met de historisch meest ‘progressieve’ bourgeoisie. Nog in maart 1913 had hij in het bekende Russische dagblad Pravda als zijn mening te kennen gegeven dat de verovering van Adrianopel door de Bulgaren ‘een schakel’ was

[p. 193]

‘in de keten van wereldgebeurtenissen die de ineenstorting betekenen van de middeleeuwen in Azië en Midden-Europa.’ Op de congressen van de Socialistische Internationale, waar de komende oorlog en de houding die de socialisten als hij uitbrak moesten aannemen telkens weer langdurig besproken werd, had Lenin verzuimd zijn partijgenoten van dit nieuwe stadium van het kapitalisme en de daaruit voortvloeiende konsekwenties op de hoogte te stellen, al kon hij zich er wel op beroepen dat hij op het congres van Stuttgart in 1907 mede een amendement had ingediend, waarin werd gezegd dat de socialisten in alle landen, mocht er oorlog uitbreken, alles wat in hun macht was moesten doen om de door de oorlog veroorzaakte economische en politieke crisis te gebruiken om de volkeren in beweging te brengen en daardoor de afschaffing van de kapitalistische klasseheerschappij te verhaasten. Maar dit amendement kon door iedereen worden uitgelegd zoals hij wou.

Het is niet duidelijk wat de oorzaak is van Lenins zwijgzaamheid of afwezigheid op die congressen (Stuttgart, Kopenhagen, Bazel). Misschien dat hij zozeer gepreoccupeerd was door de fractiestrijd in de Russische partij dat hij het afglijden van Europa in een wereldoorlog nauwelijks zag (zoals later de Russische revolutie hem volkomen verraste, en zoals nog later zijn volgelingen lange tijd het bestrijden der sociaaldemocraten belangrijker achtten dan het bestrijden van het opkomende fascisme); misschien wilde hij de kansen dat de Internationale, en met name de Duitse partij, hem zou steunen bij zijn pogingen om de Russische partij in handen te krijgen, niet bederven. In ieder geval moest hij, nu hij eenmaal een zeer duidelijk en zeer afwijkend standpunt had ingenomen ten aanzien van de oorlog, een theoretische basis voor dat standpunt hebben. Zijn nieuwe theorie over het imperialisme verschafte die basis. Als het kapitalisme een stervend, parasitair, rottend kapitalisme geworden is en ieder land als

[p. 194]

imperialistische mogendheid, als halve kolonie, als hele kolonie tot een der imperialistische kampen behoort heeft het geen zin meer in geval van oorlog te spreken van ‘progressieve’ of ‘reactionaire’ bourgeoisieën, van reactionaire en van potentieel revolutionaire landen. Rusland bijvoorbeeld is nu geen achterlijk, reactionair land meer dat verslagen moet worden door het zoveel progressievere Duitsland met zijn enorm grote arbeidersbeweging, maar Rusland is nu een ‘half kolonie’ van Frankrijk en Engeland, een zetbaas van het Anglo-Franse monopoliekapitaal. Duitsland is nu geen ontwikkeld land meer, bedreigd door de Russische middeleeuwse autocratie, maar een imperialistisch land dat met andere imperialistische haaien vecht om een nieuwe verdeling van de wereldmarkt. Arbeiderspartijen die het niet met Lenin eens waren (geen enkele arbeiderspartij ter wereld was het met Lenin eens) konden historisch-materialistisch ‘verklaard’ worden als partijen van de door het monopoliekapitaal omgekochte ‘arbeidersaristocratie’. Personen, publicisten, politici die het niet met Lenin eens waren werden automatisch ‘lakeien’ van het monopoliekapitaal.

De theorie had eigenlijk maar één nadeel, en dat was dat zij waarschijnlijk niet juist was. Er bestonden koloniën, een groot deel van de wereld was onder de koloniale mogendheden verdeeld - al bleef b.v. China nog over - en er waren inderdaad trusts, kartels, monopolies, die vaak een internationaal karakter droegen en elkaar afzetgebieden en grondstoffen betwistten. Er waren ook prijsafspraken, maar de aloude concurrentie ging wel degelijk door, als vanouds, de technische ontwikkeling zette zich in hoog tempo voort, het kapitalisme ‘rotte’ helemaal niet. De noodzaak om de wereld opnieuw te ‘verdelen’ schijnt wel minder groot geweest te zijn dan Lenin het voorstelde; volgens sommige geleerden waren bijvoorbeeld Engeland en Duitsland elkaars beste klanten. Alle statistieken en alle materiaal ontleend aan Hobsons Imperialism

[p. 195]

(1905) en Hilferdings Finanzkapital (1910) bewijzen natuurlijk geenszins dat de oorzaak van die eerste wereldoorlog uitsluitend of gedeeltelijk in die drang tot ‘herverdeling’ van afzetgebieden en grondstofvoorraden gezocht moet worden. Het wijzen op het bestaan van koloniën, afzetgebieden, monopolies, trusts, kartels, concurrentie, prijsafspraken etc. etc. bewijst dat evenmin als het komen aandragen met een echte bezem uit het bezit van mejuffrouw X. bewijst dat deze juffrouw een heks is.

Dat neemt uiteraard niet weg dat Lenins theorie tot op de huidige dag deel uitmaakt van het marxisme-leninisme. Dat de meeste koloniale gebieden de banden met het moederland verbroken hebben en zelfstandige naties geworden zijn heeft daar weinig aan veranderd. Het hangt enigszins van de betrekkingen af die zo'n nieuw land met de Russische regering onderhoudt of men zo'n land brandmerkt als een kolonie onder het mom der onafhankelijkheid (Indonesië in de eerste jaren onder Soekarno), als een medestrijder tegen het imperialisme (Indonesië in de latere jaren van Soekarno) of als een land, in feite geregeerd door de Amerikaanse imperialisten (Indonesië na Soekarno).

Men heeft alleen Lenins theorie iets algemener gemaakt door te beginnen met de eerste wereldoorlog een ‘algemene crisis van het kapitalistische wereldsysteem’ te decreteren, een crisis die zowel economisch, politiek als ideologisch van aard is en die kenmerkend is voor ‘de ineenstorting van het kapitalisme over de hele linie en de geboorte van de socialistische maatschappij’.

 

Het begrip revisionisme heeft een interessante geschiedenis, waarvan hier alleen vermeld zij, dat het ontstond toen de Duitse socialist Eduard Bernstein, een vriend van de oude Engels, meende dat het toch te gek werd dat men bepaalde beweringen van Marx bleef verkondigen terwijl iedereen toch

[p. 196]

kon zien dat ze niet juist, of niet juist meer, waren. Sinds de dagen van Bernstein kan men twee soorten marxisten onderscheiden: zij, die beweringen van Marx die zij niet langer houdbaar achten expliciet willen verwerpen, en zij, die als wat zij doen en beweren eigenlijk niet zo erg meer met Marx klopt nochtans blijven volhouden dat hun correcties, interpretaties, aanvullingen, ‘voortzettingen’ van de leer geheel in overeenstemming zijn met wat de meester bedoelde. De eersten werden door de laatstgenoemden revisionisten genoemd. Na de tweede wereldoorlog wordt het woord ook gebruikt door een communistische partij, die de interpretatie van het marxisme-leninisme door een andere partij niet goedkeurt. Zo zijn de Russen revisionisten voor de Chinezen, de Chinezen revisionisten voor de Russen, hoewel geen van beiden, zoals Bernstein deed, zelf beweren dat zij de leer hebben of willen herzien. Op zichzelf drukt het woord dus alleen maar afkeuring uit over andermans uitleg van de leer.

Eventueel kan degene, die door zijn tegenstander van revisionisme wordt beschuldigd, niet antwoorden met het gebruikelijke ‘dat ben je zelf!’, maar iets subtieler te werk gaan en zijn beschuldiger beschuldigen van dogmatisme. Ook dit woord heeft in de leer geen eigenlijke betekenis. Marxisten-leninisten hebben de gewoonte te zeggen, dat hun leer ‘geen dogma, maar een leidraad tot handelen’ is, een uitspraak die herinnert aan het woord van Wim Kan, dat De Gaulle geen dictator was, maar dat wel iedereen doen moest wat hij zei. Volgens het gewone spraakgebruik is een marxist-leninist wel degelijk een dogmaticus, want er zijn een aantal uitspraken, die hij niet voor discussie vatbaar acht. Iedereen die wel eens een sovjettijdschrift heeft ingekeken weet hoe zorgvuldig men daar bij een ‘discussie’ onderscheid maakt tussen spornye en nespornye, discutabele en niet discutabele vraagstukken. En wat is een dogma anders dan een leerstuk waarover men geen discussie toelaat?

[p. 197]

Zou men een echte definitie willen geven van het woord ‘dogmatisme’ in het communistische spraakgebruik, dan zou die definitie ongeveer moeten luiden ‘het zich beroepen op de leer door iemand met wie men het niet eens is’. Een zo adekwate definitie kan men van de leer zelve natuurlijk niet verwachten. Men draait er bij het definities geven een beetje omheen, men tracht het woord ‘dogma’ daarbij een iets andere betekenis dan de buiten de leer gangbare te geven, omdat men, als men dat niet doet, zichzelf tot dogmaticus verklaart. Een officiële definitie van ‘dogma’ luidt bijvoorbeeld: ‘onbewezen stelling, waarvan op goed geloof wordt aangenomen dat het een onomstotelijke waarheid is’. Houdt men volgens deze definitie een bewezen en door het partijbestuur goedgekeurde stelling voor onomstotelijk, dan zit men goed en is men geen dogmaticus. Het Filosofisch woordenboek (1968) is iets voorzichtiger en zegt: ‘dogmatisme is in filosofie en wetenschap een wijze van denken die met onveranderlijke begrippen [en] formules opereert zonder rekening te houden met nieuwe gegevens uit praktijk en wetenschap, met de concrete omstandigheden van plaats en tijd’.

 

Bezien wij nu de tweeling opportunisme en sectarisme. Opportunisme is volgens het Politiek woordenboek ‘het aanpassen en ondergeschikt maken van de belangen van het proletariaat aan de belangen der bourgeoisie; het verwerpen van de klassenstrijd, de socialistische revolutie en de dictatuur van het proletariaat’. Sectarisme daarentegen is ‘een variant van het linkse opportunisme in de arbeidersbeweging, een politiek die voert tot het losmaken van de communistische partijen van de brede massa's der werkenden’.

Dit is niet zo verschrikkelijk duidelijk. Men gebruikt de woorden opportunisme en sectarisme dan ook niet om enig objectief vaststelbaar feit mee te benoemen. Dezelfde handeling kan men naar believen wel of niet opportunisme, wel of

[p. 198]

niet sectarisme noemen. In het algemeen zal men in het communistische kamp van opportunisme spreken wanneer men meent dat een partij, uit vrees contact met de massa's te verliezen, ‘meedoet’ aan dingen waar zij beter niet aan mee had kunnen doen, of niet meedoet aan dingen waar zij beter wel aan mee had kunnen doen. Van sectarisme zal men spreken als men, door iets ten onrechte te doen of te laten, dat contact met de massa's (dat bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in het aantal bij verkiezingen behaalde stemmen) verliest. Gesteld er is in Nederland in alle lagen der bevolking een diepe liefde voor het huis van Oranje. Zou een communistische partij onder zulke omstandigheden een felle campagne tegen de monarchie voeren, dan zou zij aanhang verliezen. Zij die dat willen vermijden kunnen nu de aanhangers van die campagne van ‘sectarisme’ beschuldigen: als je zo te werk gaat hou je op het eind niet meer dan een kleine secte over. Zij, die deze anti-monarchale campagne wel willen doorvoeren, zullen de tegenstanders van die campagne van ‘opportunisme’ beschuldigen: dezen immers willen, om het ‘contact met de massa’ niet te verliezen, de bourgeoisie in de kaart spelen die met prinses-sekalenders en optochten de arbeiders van de strijd voor het socialisme wil afhouden.

Een voorbeeld uit de Beginselen van het marxisme-leninisme: ‘In 1928 ging Stalin zo ver, dat hij de linkse sociaal-democraten “de gevaarlijkste bedrijvers van bourgeoisiepolitiek in de arbeidersklasse” noemde en overeenkomstige aanvullingen aanbracht in de Stellingen van het vie Congres en het xe Plenum van het Uitvoerend Comité van de Communistische Internationale. Daarmee duwde hij de communistische partijen van de kapitalistische landen de weg van het sectarisme op’.

De lezer zal hebben begrepen, dat zij, die het in dit opzicht in 1928 niet met Stalin eens waren, door hem en zijn aanhangers ‘opportunisten’ werden genoemd. De kracht en tegelijkertijd

[p. 199]

de belachelijkheid van de communistische terminologie ligt hierin, dat men daar, waar het beschaafde spraakgebruik bijvoorbeeld zegt ‘Ik vind het te vroeg om nu al aan te vallen’ of ‘Ik vind het te laat om nu nog aan te vallen’ geneigd is te zeggen ‘Nu aanvallen zou van vroegisme getuigen’ en ‘Nu aanvallen zou een voorbeeld zijn van laatisme, waartegen de grote leiders van het wereldproletariaat zo dikwijls hebben gewaarschuwd’, daarbij een wetenschappelijk en objectief klinkend woord gebruikend om kracht bij te zetten aan een bewering die eigenlijk met argumenten zou moeten worden geschraagd.

Gaat men niet af op de officiële definities, maar op de functie die deze woorden in het communistische spraakgebruik hebben, dan zou de definitie van opportunisme ongeveer moeten luiden ‘afkeurenswaardig streven naar het behoud of het verkrijgen van een grote aanhang’ en de definitie van sectarisme: ‘afkeurenswaardig verliezen van aanhang door het vasthouden aan eigen beginselen’. Op zichzelf immers is het feit dat men tengevolge van vasthouden aan eigen beginselen een kleine groep is niet afkeurenswaardig. Pas de afkeuring zelve maakt het afkeurenswaardig. Anders immers zouden Marx en Lenin zich wel het allerergst aan sectarisme hebben schuldig gemaakt. Ook zij richtten immers hun aanvallen vooral op hun naaste buren in de socialistische beweging, die zij voortdurend handlangers van de vijand noemden. Hun aanhang was, gedurende het grootste gedeelte van hun politiek optreden, beperkt tot enkele honderden, hooguit duizenden medestanders, en zij werden door de rest van de arbeidersbeweging als vervelende en onscrupuleuze jongens beschouwd, met wie men beter niets te maken kon hebben.

Een aardige illustratie van het gebruik van het woord ‘opportunisme’ levert de geschiedenis van de communistische partij van Indonesië. In 1962 moet de toenmalige president, Soekarno, iets gezegd hebben ten gunste van het kapitalisme. Het

[p. 200]

Indonesisch vakverbond sobsi protesteerde op grond van zijn socialistische opvattingen tegen die uitlating van de president. Hierop beschuldigde de communistische partij het vakverbond van ‘links opportunisme’.

De lezer weet nu eigenlijk al genoeg om uit andere -ismen op eigen kracht wegwijs te worden. Hij zal begrijpen, dat economisme de afwijking is, die bepaalde economische voordelen, hogere lonen bijvoorbeeld, zo belangrijk vindt dat men de strijd om de macht ervoor laat schieten, dat staartisme (no joke, kijk maar in de Russische woordenboeken en encyclopaedieën onder chvostizm) het achter de gebeurtenissen aanhinken is, het pas achteraf zich aansluiten bij acties, waarvan men eigenlijk de leiding aan het begin al in handen had moeten nemen; dat reformisme het streven is naar sociale en politieke hervormingen, die het wezen van het kapitalistische systeem onaangetast laten.

Aardige voorbeelden zijn het duo partijdigheid-objectivisme en de trits patriotisme-nationalisme-cosmopolitisme. Vooral het partijdigheid-objectivisme-complex is uitermate interessant. We beginnen met een paar citaten. Hier komen de Beginselen der marxistische filosofie: ‘Proletarische partijdigheid, communistische ideeheid [het sovjetbarbarisme idejnost’ bezorgt vertalers in de hele wereld veel hoofdbrekens; ik heb het hier door een even idioot Nederlands woord vervangen] garanderen de meest diepe, meest alzijdige en meest objectieve kennis van de werkelijkheid, van de wetten van het maatschappelijk leven. De belangen van de arbeidersklasse vallen samen met de objectieve loop der historische ontwikkeling. Het proletariaat is de konsekwent revolutionaire klasse en is terwille van een revolutionaire omvorming der maatschappij geïnteresseerd bij een objectieve, d.w.z. juiste kennis. Daarom vallen echte wetenschappelijkheid en communistische partijdigheid samen.’

De lezer begrijpt de redenering: vroegere wetenschap was

[p. 201]

niet objectief, want zij was beïnvloed door klassebelangen, zelfs als die klassen revolutionair waren. Immers die klassen hadden allemaal slechts gedeeltelijk belang bij een objectieve kennis der werkelijkheid, hun belang kwam op een bepaald moment in botsing met de ‘objectieve loop der historische ontwikkeling’. Het proletariaat echter is een ‘konsekwent’ revolutionaire klasse: zijn belang komt nimmer in botsing met de objectieve loop der historische ontwikkeling. Wie dus partij kiest voor het proletariaat heeft de garantie dat hij de objectieve waarheid deelachtig wordt. Er zijn mensen die dit soort redeneringen slikken en zelfs een zekere geestdrift voelen bij het verkondigen ervan.

Nu het objectivisme. De definitie van het Filosofisch woordenboek luidt: ‘Objectivisme (is een) opvatting die beweert dat de wetenschap niet in staat is tot een critisch waardeoordeel en partijdige conclusies, en zich beter daarvan kan onthouden. Het objectivisme beperkt het terrein van het redelijk denken door de voornaamste sociale, wereldbeschouwelijke problemen als “subjectief”, “irrationeel” aan de onwetenschappelijke ideologie over te laten’.

In theorie hebben we dus, heel kort gezegd, deze opvatting: onpartijdigheid is verwerpelijk, en kan niet tot goede wetenschappelijke resultaten leiden. Partijdigheid, als het tenminste proletarische partijdigheid is, is noodzakelijk om tot wetenschappelijk houdbare resultaten te komen, ja, garandeert zulke resultaten.

Het is hier dat we het dichtst komen bij de gedachte, dat de waarheid en de nuttigheid van een bewering eigenlijk identiek zijn. In vele sovjetpublicaties kan men, impliciet of expliciet, de stelling vinden dat een bewering, die schadelijk is voor de goede zaak, niet juist kan zijn, en dat een juiste bewering of mededeling niet schadelijk voor de goede zaak kan zijn. Wat de theorie betreft is dat natuurlijk niet meer dan een flatus vocis. In de praktijk leidt een dergelijk theoretisch uitgangspunt

[p. 202]

tot verschrikkelijke gevolgen, omdat men gedwongen wordt een juiste, maar schadelijke bewering (bijvoorbeeld ‘Marx heeft een kind verwekt bij zijn dienstmeisje’) vanwege zijn schadelijkheid meteen ook onjuist te verklaren. Men zal dan ook een publicatie, die men schadelijk acht, veroordelen als in strijd met de waarheid. Zo heeft men bijvoorbeeld in 1968 Alexander Ginzburg tot vijf jaar dwangarbeid veroordeeld wegens het compileren van een verzameling documenten - procesverslag, acte van beschuldiging, verdedigingsredes, artikelen in binnen- en buitenlandse pers - over het proces tegen Sinjavski en Daniel. De prosecutie liet er geen twijfel over bestaan dat zij deze compilatie als laster beschouwde, als een onware voorstelling van zaken.

In beschaafder omgeving zal men de mogelijkheid openlaten, dat een geschrift schadelijk voor enige goede zaak, maar nochtans in overeenstemming met de waarheid is, dat een kunstwerk grote artistieke kwaliteiten kan hebben maar nochtans politiek of zedelijk verwerpelijk kan zijn, dat een daad moreel goed, maar praktisch desastreus kan zijn. In de wereld van het sovjetmarxisme zijn die dingen niet mogelijk. Als iets mooi, waar of goed is, dan is het ook nuttig. De verstikkende en corrumperende morele, wetenschappelijke, politieke en juridische atmosfeer, waarin de burgers van de Sovjet-Unie nu al vijftig jaar lang veroordeeld zijn te leven, vindt zijn oorsprong onder meer in bovenstaande opvatting.

 

Tot slot de termen burgerlijk nationalisme, patriotisme, proletarisch internationalisme en cosmopolitisme. Hun betekenis is vrij eenvoudig. Zoals men zal hebben begrepen is burgerlijk nationalisme - om maar te zwijgen van chauvinisme - iets heel verkeerds: onder het mom van patriotisme en het verdedigen van het landsbelang leidt men de arbeiders af van de strijd voor het socialisme, en mobiliseert men ze voor de strijd tegen het socialisme. Patriotisme daarentegen is iets heel moois,

[p. 203]

evenals proletarisch internationalisme, dat overigens in het geheel niet met patriotisme strijdig is. In de praktijk hebben deze termen natuurlijk niet meer dan een afkeurende en een goedkeurende betekenis. Vecht een Estlander in de tweede wereldoorlog tegen de Duitsers onder toezicht van Moskou, dan is hij een patriot. Voert hij in 1970 actie tegen russificatie van zijn land en voor nationale onafhankelijkheid, dan is hij een burgerlijk nationalist. Hebben de Sovjet-Unie en de Chinese Volksrepubliek herrie over een stuk grond, dan zullen zij elkaar van chauvinisme en van verraad aan het proletarisch of socialistisch internationalisme beschuldigen.

Met de term cosmopolitisme is het iets ingewikkelder gesteld. Het woord heeft een uitgesproken en een niet uitgesproken betekenis.De uitgesproken betekenisis: ‘een burgerlijke theorie, die oproept tot het afstand doen van patriottische gevoelens, nationale cultuur en tradities uit naam van de “eenheid der mensheid”. Het cosmopolitisme in de vorm waarin het door de huidige bourgeoisideologen gepredikt wordt drukt het streven uit van het imperialisme naar wereldheerschappij. De propaganda van het cosmopolitisme (de gedachte van het scheppen van een wereldregering e.a.) verzwakt de strijd der volkeren voor nationale onafhankelijkheid, voor staatssouvereiniteit. Het cosmopolitisme is onverenigbaar met het socialistische internationalisme (zie aldaar)’.

Wat de onuitgesproken betekenis betreft: wordt iemand in een communistische publicatie een ‘cosmopoliet’ genoemd, dan bedoelt men veelal te zeggen dat hij een jood is.