terug  begin  verderprepost
[p. 204]

De voordelen van de leer

De Engelse econoom en essayist Keynes vraagt zich, over het marxisme schrijvend, ergens af hoe het mogelijk is dat ‘a doctrine so illogical and dull can have exercised an influence over the minds of men, and through them over the events of history’. De klacht is meer gehoord. Ik herinner mij een History of Europe waarvan de auteur als hij bij Lenin is aangeland zich verbijsterd afvraagt hoe iemand die zulke vervelende boeken schreef een zo enorme invloed op de wereldgeschiedenis kon hebben.

‘Illogical and dull’. Keynes vergeet dat het juist deze twee eigenschappen zijn, die de leer aantrekkelijk maken. Men legge de werken van Plato, Herodotus, Tacitus, Homerus, Sophocles, Aristofanes, Apuleus naast het Nieuwe Testament. Dit laatste werkje is veel slechter geschreven en veel minder interessant, veel duisterder, primitiever dan welk fragment van welk der hierboven genoemde klassieke auteurs ook. Maar niettemin is datzelfde Nieuwe Testament er in geslaagd (niet zonder dwangmaatregelen uiteraard, maar alvorens de Christenen hun index librorum prohibitorum konden opstellen en anderen konden dwingen óók Christenen te worden moesten zij over een niet door dwang tot stand gekomen aanhang beschikken) de klassieke literatuur voor zo'n tien eeuwen van het toneel der Europese cultuur te verdringen. De enorme verveling, de gruwelijke pretentie, de ontelbare herhalingen van steeds dezelfde formules, de duistere, heilige formules zelve zijn het juist die voor die aanhang zorgen. Niemand heeft zich ooit voor de Gouden ezel laten verbranden (hoewel: misschien danken wij het bewaard blijven van dat boek aan de samizdat-werkzaamheid van een of andere kloosterling die daar met zijn leven voor heeft moeten boeten), maar velen

[p. 205]

hebben zich laten doden voor dat Testament - zoals er zover ik weet niemand ooit door aanhangers van Apuleus verbrand is, terwijl duizenden ter dood zijn gebracht door aanhangers van het Evangelie. Het is juist de hocus-pocus, de ‘productiekrachten’, het ‘imperialisme’, het ‘opportunisme’, ‘revisionisme’, de ‘eenheid en strijd der tegenstellingen’, die de leer aanhangers bezorgen. Het credo quia absurdum geldt ook hier. Niet voor niets vertalen Nederlandse neo-marxisten het door Marx gebruikte Duitse woord Praxis niet, zoals zij op school hebben geleerd, met ‘praktijk’, maar met het veel duisterder en indrukwekkender ‘praxis’.

Dit is slechts één van de aantrekkelijkheden der leer. Een andere is, dat het een heilsleer is. Zij predikt en voorspelt op korte termijn (een jaar of twintig) een einde aan alle honger, onderdrukking, onrecht, onwetendheid, oorlog, misdaad, vijandschap, haat. Het is, zoals de zaken op het ogenblik staan, de enige leer die dat doet.

Een voordeel is ook, dat de leer ‘totalitair’ is. Zij beperkt haar uitspraken - en wat de communistische overheid betreft haar ingrijpen - niet tot het gebied van alleen de filosofie, alleen de economie of de politiek of de geschiedschrijving of de psychologie of de opvoeding of de aesthetica. Nee, zij bestrijkt al deze gebieden, heeft voor alle problemen een oplossing, heeft over ieder twistpunt een mening. Dat de leer op het ogenblik in Rusland een beetje in versukkeling raakt - de geloofsafval aldaar is van voor de overheid zorgwekkende omvang - is misschien mede het gevolg van een zich uit sommige gebieden (taalwetenschap, natuurkunde) discreet terugtrekken van de leer.

Een ander voordeel is, dat het marxisme-leninisme niet alleen een duidelijke analyse geeft van - ja, van wat? van alles eigenlijk! - maar bovendien ingrijpen predikt in het geschiedproces. De leer zegt niet alleen ‘zo en zo zit de zaak in elkaar’, maar zij zegt tegelijk ‘dit en dat moet gedaan worden’. De fi-

[p. 206]

losofen, zegt Marx, hebben de wereld alleen maar op verschillende manieren geïnterpreteerd. Het komt er op aan haar te veranderen. En dat doet het marxisme-leninisme. En iedereen die wil kan meedoen, kan zichzelf opofferen (een zeer menselijke neiging) en kan anderen opofferen (ook een zeer menselijke neiging).

Mooi is ook, dat de leer een duidelijke oorzaak aangeeft van alle kwaad, en één oorzaak, één duidelijk omschreven, vijand die men bestrijden kan. Wie iets tegen watervervuiling heeft heeft het moeilijk. Er is tegen die vervuiling wel iets te doen: verbod tot het lozen van industrievuil in rivieren bijvoorbeeld, maar veel factoren verzetten zich daartegen: de traagheid die zoveel dingen die gedaan zouden moeten worden verhindert gedaan te worden, de fabrikanten die door zo'n verbod op kosten gejaagd worden, de verschillen tussen de betrokken landen: schoonhouden van de Rijn zou Frankrijk meer kosten dan Duitsland, en Duitsland meer dan Nederland, terwijl Nederland het meest zou profiteren. Dan de technische moeilijkheden om dat vuil kwijt te raken, de onwil van regeringen en parlementen om dingen te doen die de belastingbetaler geld gaan kosten etc. etc. Heeft men echter voor die vervuiling één oorzaak: het kapitalisme, en één remedie: afschaffing van dat kapitalisme, dan hoeft men zich over die vervuiling geen zorgen te maken. De wereld is vol ellende, het is moeilijk te bedenken wat je ertegen doen kunt: vaak is het om te beginnen al moeilijk om er achter te komen of een bepaald kwaad nu eenmaal uit de menselijke natuur voortvloeit dan wel althans theoretisch voor effectieve bestrijding vatbaar is. Maar hoe menigvuldig ook de plagen die het mensdom teisteren: het marxisme-leninisme heeft er niet alleen een remedie voor, maar wijst ook de schuldigen aan, zodat men zich geheel aan het bestrijden van de aartsvijand van het mensdom kan wijden. Tal van ontwikkelde lieden, die het niet in hun hoofd zouden halen laat ons zeggen de joden tot de schuldigen aan

[p. 207]

alle maatschappelijke euvelen te verklaren, zijn zonder blikken of blozen bereid de kapitalisten deze rol toe te delen.

Mensen die voor dat soort dingen gevoelig zijn krijgen bovendien nog een extra beloning doordat die vijand niet eenvoudig in zijn burcht zit en daaruit verdreven moet worden, maar voortdurend intensief en bewust bezig is de komst van het socialisme tegen te houden. De tegenstanders van het communisme worden voorgesteld of zij met het Communistisch Manifest in de hand zitten, ononderbroken overleg met elkaar plegen en zich voortdurend afvragen: hoe kunnen wij de goede zaak dwarsbomen?

Alle onaangename verschijnselen waar de partij mee te kampen heeft worden gezien en voorgesteld als het resultaat van welbewust handelen van de tegenpartij - een uiterst primitieve zienswijze, die men bij bepaalde geesteszieken eveneens aantreft: zij zullen alle handelingen en beweringen van iemand met wie zij ruzie hebben interpreteren als tegen hen gericht. Is die gerichtheid niet formeel aantoonbaar, dan is dat een bewijs te meer: de tegenstander heeft hier van een vermomming gebruik gemaakt (de duivel, ostendens se, sicut deus). De revisionisten willen bijvoorbeeld de zuiverheid van de leer vertroebelen. Zij geven dat niet rechtstreeks toe, maar zeggen dat ze juist de zuiverheid van de leer bewaren willen! Waakzaamheid is geboden!

Een citaat uit Grondslagen van het marxisme-leninisme: ‘De revisionisten treden gewoonlijk op onder de dekmantel van de strijd tegen het dogmatisme, tegen leerstelligheid. Zij verbergen hun feitelijke afwijzing van het marxisme door zich er op te beroepen dat de marxistische leer zelve het vervangen van verouderde stellingen door nieuwe veronderstelt. Maar het vervangen van verouderde stellingen door nieuwe marxistische stellingen heeft niets gemeen met het prijsgeven van de grondbeginselen van het marxisme-leninisme, de stellingen die de ziel van deze revolutionaire leer uitmaken. Het gevaar

[p. 208]

van het revisionisme schuilt dan ook hierin, dat het onder het mom van ontwikkeling van het marxisme het marxisme verwerpt. Het spreekt vanzelf dat de communistische partijen de strijd met het revisionisme [...] als een van hun voornaamste plichten beschouwen.’

Afgezien van de Harry Mulisch-stijl en het leuke onderscheid tussen marxistische stellingen die kunnen verouderen en marxistische stellingen die het eeuwige leven hebben, is hier het interessante de voorstelling, die men zich van die ‘revionisten’ maakt: zij houden van tijd tot tijd vergaderingen. De voorzitter staat op en zegt: heren (of zegt hij kameraden?) het zal u bekend zijn dat wij ons ten doel hebben gesteld het marxisme-leninisme te verpesten. Nu begrijpt u wel, dat we dat niet rechtstreeks kunnen doen. De communisten over de hele wereld weten immers dat de grote successen die de zaak van het communisme behaald heeft in de laatste halve eeuw juist in belangrijke mate toegeschreven moeten worden aan de onsterfelijke leer van Marx, Engels, Lenin en, pardon, van Marx, Engels en Lenin. Wij moeten dus behoedzaam te werk gaan. Heeft iemand een voorstel? Hier staat X op (vul in: Tito, Chroestsjov, Dubček, Brezjnev, Mao) en zegt: mij dunkt dat een goede dekmantel voor onze perfide activiteiten zou zijn juist een beroep op de zuiverheid van de leer. Wij moeten, naar het mij voorkomt, het marxisme-leninisme kapotmaken onder de leus dat wij het in zijn oorspronkelijke zuiverheid willen herstellen! Wij moeten de grondslagen ervan aantasten door te zeggen dat deze leer geen dogma mag worden, door er op te wijzen dat de grote leermeesters der arbeidersklasse juist altijd gewaarschuwd hebben tegen dogmatisme, citatologie etc. Dit voorstel wordt aangenomen. De cia geeft via de Ford-Foundation een fikse subsidie. Een commissie wordt benoemd om dit nader uit te werken. Enige tijd later verschijnen de eerste artikelen in deze zin, en het revisionisme is op mars.

[p. 209]

Dit is eigenlijk de voorstelling, die de communist met zich meedraagt, al zal hij zich niet altijd van de idiotie van zijn eigen redeneringen bewust zijn. Soms verscherpt en verdicht zich deze voorstelling tot een luguber soort werkelijkheid: dan zien we een ‘proces’ opgevoerd worden compleet met aanklagers, verdedigers, rechters en beklaagden, die dan bekennen aan vergaderingen als boven geschetst te hebben deelgenomen - het lijfelijke verkeer met de duivel dat zo populair is bij heksenprocessen.

Al in het Communistisch Manifest zien wij de Vijand optreden: Paus en tsaar, Metternich en Guizot, Franse radicalen en Duitse politiespionnen hebben zich verenigd tot een heilige alliantie etc. Iedere werkelijk tegen het communisme gerichte actie bevestigt natuurlijk de juistheid van deze visie, zoals de primitieve of paranoïde mens de werkelijk tegen hem gerichte acties van zijn medemensen zal gebruiken als bewijs voor het bestaan van een enorme vijandelijke samenzwering. Beziet men de onafzienbare bergen communistische publicaties tussen de twee wereldoorlogen, dan blijkt daaruit dat de pers en de regeringen in West-Europa toch eigenlijk wel bij voortduring gepreoccupeerd zijn geweest met de vraag: hoe kunnen wij de communisten en de ussr te gronde richten? Dat in werkelijkheid tussen 1920 en 1940 zeer weinig - if any - redactievergaderingen en kabinetszittingen aan dit onderwerp zijn gewijd is een veronderstelling die slechts ingegeven kan zijn door slechte inblazingen van de Vijand, en die bijvoorbeeld weerlegd wordt door de Duitse inval in Rusland van 1941. Nietwaar?

Dan zijn daar de wat je zou kunnen noemen ‘voor koningin en vaderland’-gevoelens, waardoor menige intellectueel, die geleerd heeft dat hij tegen de ‘Establishment’ moet zijn, niettemin gekweld wordt. Ik verwijs hiervoor naar p. 128 van dit boek.

Een hiermee enigszins samenhangend voordeel van de leer

[p. 210]

zijn de perspectieven, die zij biedt aan de velen die een hekel hebben aan vrijheid. De Russische schrijver Toergenjev, zelf een groot minnaar en voorstander van vrijheid, en naar de mate van zijn krachten ook bevorderaar ervan, citeerde vaak zuchtend de Duitse versregel Der Mensch ist nicht geboren, frei zu sein. Naast een grote behoefte om vrij te zijn, met rust gelaten te worden, zijn eigen gang te gaan, anderen met rust te laten heeft de mens ook, geloof ik, een zeer sterke neiging tot tyrannie - zowel tot het uitoefenen als tot het ondergaan ervan. Naast de afkeer van dwang, onderdrukking, beperking e.d. leeft in de mens ook een afkeer van vrijheid. Het gevoel dat hij mag denken en zeggen wat hij wil is menige burger van een democratisch land ondragelijk. Hij wil graag voorgeschreven krijgen wat hij denken moet (iedere academische docent die met opstandige studenten te maken heeft gehad kan bevestigen hoe groot deze behoefte bij vele studenten is) en het zit hem niet lekker dat andere mensen iets anders denken dan hij en dat ongestoord kunnen doen - en dat er geen instantie is die zich daar zorgen over maakt en regelend optreedt.

Dat de Westerse wereld zoiets als persvrijheid kent mag eigenlijk een wonder heten. De meeste mensen zouden bij een opinieonderzoek geloof ik desgevraagd antwoorden dat persvrijheid iets moois is, mits er geen misbruik van wordt gemaakt - een uitspraak waar alle beknotters van de persvrijheid van Napoleon tot en met Fidel Castro het van harte mee eens zijn. Het wezen van de persvrijheid is nu juist dat men dat misbruik ontkent, of liever gezegd dat men anderen toestaat dat misbruik te maken, of nog anders gezegd dat men weigert onderscheid tussen gebruik en misbruik te maken. De tyrannieke trek van deze leer is al vrij vroeg opgemerkt door lieden als Bakoenin, Herzen, Proudhon, Bismarck. Van deze laatste vond ik bij Leopold Schwarzschild een prachtig citaat uit 1878: ‘Wenn jedem das Seinige von oben her zuge-

[p. 211]

wiesen werden soll, gerät man in eine zuchthausmässige Existenz, wo jeder unter dem Zwang der Aufseher steht. Und im Zuchthaus von heute, da ist der Aufseher wenigstens ein achtbarer Beamter, über den man sich beschwerden kann. Aber wer werden die Aufseher sein in dem allgemeinen sozialistischen Zuchthaus? Gegen die wird es keine Beschwerden gehen, das werden die erbarmungslosesten Tyrannen sein, die je erfunden wurden, und die anderen werden die Knechte dieser Tyrannen sein’.

Bismarck, sprekend in de liberale 19e eeuw, kon niet weten dat deze erbarmungslose Tyrannen ook de grootste massamoordenaars van alle tijden zouden zijn. Ook realiseerde hij zich misschien niet hoe groot de neiging van veel mensen is om zich in een Zuchthaus te begeven, geestelijk of lichamelijk, als Aufseher of als Knecht.

Grote voordelen biedt ook de omstandigheid dat de leer de voordelen van wetenschappelijke pretentie en on wetenschappelijkheid in zich verenigt. De wetenschappelijke pretentie oefent grote aantrekkingskracht uit op het 19e en 20e-eeuwse publiek. Velen die over de leer schrijven nemen de pretentieuze terminologie over, volgens welke mensen als Owen, Proudhon, Fourier ‘utopische’ socialisten waren, maar Marx en Engels de scheppers van het ‘wetenschappelijk’ socialisme, hoewel niet valt in te zien, op de keper beschouwd, wat er in hun geschriften zo verschrikkelijk wetenschappelijk is, en al hebben zij over het socialisme niet meer dan enkele pagina's geschreven. Maar de pretentie maakt enorme indruk: onze theorie is ‘wetenschappelijk bewezen’.

Hierbij valt op te merken dat het nu juist het kenmerk is van wetenschappelijke theorieën, dat zij niet zeer lang geestdriftige aanhangers hebben. Vaak gaat het zo dat een theorie enige decennia lang probeert erkenning te vinden, aanhangers en tegenstanders heeft - maar vijftig jaar later is van al die strijd niet veel meer over, omdat de theorie gewonnen of verloren

[p. 212]

heeft en, zelfs als zij gewonnen heeft, allang niet meer door serieuze geleerden in haar oorspronkelijke vorm aangehangen wordt. Van Schopenhauer is het fraaie woord dat de waarheid ‘nur ein kurzes Siegesfest beschieden ist, zwischen den beiden langen Zeiträumen, wo sie als paradox verdammt und als trivial geringschätzt wird’. Er zijn geen ‘orthodoxe’ darwinisten, keynesianen of aanhangers van Newton meer, zoals er over twintig jaar geen Chomsky-fans meer zullen zijn. Maar marxisten zijn er nog steeds en zullen er misschien over honderd jaar nog zijn.

De mogelijkheid om na honderd jaar nog steeds aanhanger te zijn van een economisch-sociaal-historische theorie hangt niet samen met haar wetenschappelijkheid, maar juist met haar onwetenschappelijkheid. Ik wil dat proberen uit te leggen.

 

Men heeft wel tegen Marx, Engels, Lenin en (de vierde figuur verandert van tijd tot tijd: het ‘grootste genie der mensheid’ Stalin, de ‘trouwe leninist’ Chroestsjov, de ‘grote roerganger en voorzitter’ Mao, ‘el lider maximo’ Fidel) aangevoerd dat hun theorieën niet wetenschappelijk waren omdat hun voorspellingen niet uitkwamen. Marx, Engels en na hen Lenin en Stalin beweerden dat onder het kapitalisme de rijken steeds rijker en de armen steeds armer werden, dat het kapitalisme in steeds zwaardere crises terecht zou komen en tenslotte ineen zou storten. Dat is niet gebeurd. De Verelendung blijkt bijvoorbeeld in de kapitalistische wereld niet plaats te hebben, het proletariaat in Engeland, Duitsland en Frankrijk heeft zich niet verenigd en is niet in opstand gekomen. Die kritiek op zichzelf is natuurlijk gerechtvaardigd, maar het doen van een voorspelling die niet uitkomt maakt de theorie waarop die voorspelling gebaseerd is nog niet onwetenschappelijk. Evenmin maakt het uitkomen van een voorspelling een theorie wetenschappelijk. Men kan tenslotte op grond van een

[p. 213]

wetenschappelijk lachwekkende theorie een voorspelling doen die uitkomt.

De wetenschappelijkheid van een theorie hangt niet zozeer af van zijn juistheid, bruikbaarheid, adekwaatheid of hoe men het noemen wil - dingen die een theorie, wil zij goed zijn, natuurlijk wel moet hebben! - maar van wat men noemt zijn ‘falsificeerbaarheid’, dat wil zeggen van de mogelijkheid zich een situatie voor te stellen, voor welke die theorie niet opgaat. Ik wil dit met enige voorbeelden illustreren.

Stel iemand stelt een theorie op die luidt: een onder water gedompeld lichaam verliest zoveel aan gewicht als het gewicht is van het door dat lichaam verplaatste water. Een wetenschapsman, ook al heeft hij nog nooit een lichaam onder water gedompeld, zal na enig nadenken geneigd zijn die theorie het predikaat ‘wetenschappelijk’ toe te kennen. En waarom? Niet omdat hij die theorie juist vindt. Geen natuurkundige zijnde, heeft hij nooit over dit soort zaken nagedacht, zelfs niet in het bad. Maar hij heeft opgemerkt dat er zeer wel een situatie denkbaar is, waarvoor die theorie aantoonbaar niet opgaat: bijvoorbeeld een situatie, waarin iemand, keurig volgens alle eisen die aan natuurkundige proeven gesteld worden tot de waarneming komt dat een lichaam als boven omschreven helemaal geen gewicht verliest, of twee keer zoveel als het gewicht van het verplaatste water. Het is deze ‘falsificeerbaarheid’ van de theorie die de theorie voor het predicaat ‘wetenschappelijk’ in aanmerking doet komen.

Ander voorbeeld, ditmaal niet aan de natuurkunde, maaraan de linguistiek ontleend. De bewering ‘alle Engelse substantieven vormen hun meervoud door achtervoeging van een s’ is wetenschappelijk interessant, omdat men maar met één voorbeeld van een Engels substantief hoeft aan te komen dat zijn meervoud op een andere manier vormt, en de bewering blijkt niet met de werkelijkheid te kloppen. Als het meervoud van horse niet horses maar bijvoorbeeld horsim of hearse was, zou de

[p. 214]

bewering al onjuist blijken te zijn. Daarom is zij wetenschappelijk (zij het, uiteraard, onjuist). Komt iemand echter met de bewering ‘het Engels is bij uitstek geschikt om de kleurschakeringen van schilderijen te beschrijven’ dan is de wetenschapsman geneigd het hoofd te schudden: hij kan zich geen stand van zaken voorstellen, waarbij deze bewering onjuist zou blijken. Dat zelfde geldt voor beweringen als ‘augustus is een zeer belangrijke maand’ of ‘de hemelen verkondigen Gods eer’ of ‘Poesjkin is een groot dichter’. Dit soort uitspraken zijn niet wetenschappelijk, want een redelijke weerlegging ervan is niet denkbaar. Die onweerlegbaarheid wordt veroorzaakt door de grote vaagheid van de begrippen waarmee zo'n bewering werkt. Indien ‘groot’ van een dichter gezegd, betekent: iemand die soms oplagen van meer dan 100.000 exemplaren haalt, of iemand aan wie tenminste 75% van de auteurs van Russische literatuurgeschiedenissen het predicaat ‘groot’ toekennen - dan is er geen vuiltje aan de lucht. De uitspraak ‘Poesjkin is een groot dichter’ wordt dan falsificeerbaar: als we kunnen aantonen dat hij nooit meer dan 75.000 in één oplage gehaald heeft, of dat slechts 60% van de bovengenoemde auteurs hem ‘groot’ noemt, zou de bewering niet juist zijn. Maar zolang we niet weten wat met ‘groot’ bedoeld wordt kunnen we ons geen Poesjkin voorstellen op wie de bewering ‘Poesjkin is een groot dichter’ niet van toepassing is.

Het marxisme-leninisme nu bestaat voor een groot deel uit beweringen, die wetenschappelijk niet interessant zijn. Uitspraken als ‘alles verandert’, ‘de kwantiteit slaat om in de kwaliteit’, ‘het maatschappelijke zijn bepaalt het bewustzijn’, ‘alle moraal is klassemoraal’, ‘de communistische partij is de voorhoede van het proletariaat’ hebben eigenlijk geen betekenis. Men zou precies moeten weten wat er met ‘proletariaat’, ‘bewustzijn’, ‘veranderen’, ‘bepalen’, ‘omslaan’ etc. bedoeld wordt, maar dat komt men ook bij vlijtig zoeken niette weten.

[p. 215]

Dit alles is, wetenschappelijk gezien, natuurlijk een nadeel, en men kan dan ook wat iemand wetenschappelijk waard is onder meer aflezen aan zijn wel of niet serieus nemen van de leer. Maar voor de aanhangers is deze on wetenschappelijkheid een uitkomst: de gelovige beschikt over een aantal stellingen, waarvan de onjuistheid onmogelijk bewezen kan worden - ‘onweerlegbare’ stellingen dus - en wat kan men zich beter wensen?

Ook trouwens op punten waar de leer wel vastigheid geeft en betrekkelijk duidelijke uitspraken doet zorgt zij ervoor die uitspraken vergezeld te doen gaan van tegen-uitspraken, die de falsificeerbaarheid van de oorspronkelijke uitspraak te niet doen. Zo is een van de telkens terugkerende beweringen, dat de ontwikkeling van het kapitalistische productiesysteem noodzakelijkerwijs moet vastlopen: de productieverhoudingen worden te nauw voor de productiekrachten en die krachten kunnen zich daarom niet meer ontwikkelen, uitvindingen worden in de safe gelegd etc. Nu zijn dat tot op zekere hoogte controleerbare uitingen. Sinds Marx dat uitgevonden heeft zijn meer dan honderd jaar verlopen, en in die honderd jaar is de technische ontwikkeling in het geheel niet tot stilstand gekomen. Integendeel: de ontwikkeling der ‘productiekrachten’ binnen de volgens Marx die ontwikkeling onmogelijk makende kapitalistische productieverhoudingen is juist enorm geweest. Daar moet iets op gevonden worden. En wat men - in casu Lenin - erop gevonden heeft is niet een redelijke erkenning dat de oude heer Marx het blijkbaar niet bij het rechte eind gehad heeft, maar het aan Marx toevoegen van een ‘ontsnappingsclausule’: ‘Het zou fout zijn te denken’, schrijft Lenin, ‘dat deze tendentie tot verrotting een snelle groei van het kapitalisme uitsluit; neen, afzonderlijke takken van industrie, afzonderlijke lagen der bourgeoisie, afzonderlijke landen vertonen tijdens het imperialisme nu eens de ene, dan weer de andere tendentie’.

[p. 216]

Hiermee wordt de theorie onweerlegbaar: rot het kapitalisme, dan heeft Marx gelijk. Rot het niet, dan heeft Marx ook gelijk. Ieder geval van het in de safe deponeren van een nieuwe uitvinding bewijst de juistheid van het marxisme-leninisme. Ieder geval van toepassing van een uitvinding bewijst die juistheid ook. Een stukje theorie dus, dat in geen denkbaar stukje praktijk weerlegd kan worden. Zo'n stukje theorie luidt dan als volgt: verschijnsel a leidt noodzakelijkerwijze tot verschijnsel b. Dat is een onwrikbare wet die wij ontdekt hebben en die de burgerlijke geleerden tot dusverre onbekend is gebleven. P.S.: soms leidt a niet tot b. Dit is ook een wet die wij ontdekt hebben! Zo is er geen enkele proef op de som denkbaar, die de theorie zou kunnen weerleggen.

Er zijn meer van die ontsnappingsclausules. Een citaat uit de Grondslagen der marxistische filosofie: ‘Het beantwoorden van de bovenbouw aan de basis mag men niet metafysisch opvatten als iets absoluuts en onveranderlijks. Het sluit gevallen die er niet aan beantwoorden en ermee in tegenspraak zijn niet uit - [gevallen die] onvermijdelijk [zijn] in ieder ingewikkeld en zich ontwikkelend proces’. Dat is zoiets als wanneer men eerst met grote klem de wereldschokkende ontdekking proklameert dat roodharige mensen roodharige kinderen hebben - wat de kortzichtige burgerlijke geleerden niet willen en trouwens krachtens hun klassebepaaldheid niet kunnen inzien - en daarna, als men gewezen wordt op de vele blonde, zwarte en bruinharige kinderen van roodharige ouders, aan deze stelling de waarschuwing toevoegt dat men deze grote marxistisch-leninistische ontdekking natuurlijk niet ‘metafysisch en absoluut’ moet opvatten, want dat er in ieder ingewikkeld zich ontwikkelend proces wel degelijk gevallen - ‘afzonderlijke’ gevallen uiteraard! - voorkomen van roodharige ouders met niet-roodharige kinderen. Interessant is het hier bijna obligatoire gebruik van de woorden ‘metafysisch’, ‘absoluut’ en soms ‘mechanisch’. Met het metafysisch, abso-

[p. 217]

luut en mechanisch opvatten van een marxistisch-leninistische bewering bedoelen de aanhangers van deze leer eigenlijk niet veel meer dan de goede gewoonte om iemand die iets beweert aan zijn woord te houden.

Dit soort ontsnappingsclausules maken het marxisme-leninisme wetenschappelijk onbruikbaar en tegelijk ‘ideologisch’ onkwetsbaar. Het opzienbarende en nieuwe van de marxistische ‘ontdekking’ blijft gehandhaafd, omdat men de oorspronkelijke formule ‘als a, dan b’ niet opgeeft, maar slechts voorziet van het verlengstukje ‘behalve in de gevallen niet-b’. De ‘wet van de ontkenning der ontkenning’ geldt ‘absoluut en overal’ - behalve in gevallen waarop zij niet van toepassing is. Het maatschappelijk zijn bepaalt het bewustzijn, behalve wanneer iemand van de bourgeoisie naar het proletariaat overloopt (zoals Marx en Lenin, cf. de bekende ‘overloperspassage’ van het Communistisch Manifest); het kapitalistische systeem leidt tot moordende concurrentie, behalve wanneer de kapitalisten zich aaneensluiten tot trusts, kartels, monopolies en zo. Het kapitalisme leidt tot Verelendung van het proletariaat behalve wanneer deze tendens zich tijdelijk niet doorzet. Het kapitalisme valt van de ene economische crisis in de andere, behalve wanneer zo'n crisis uitblijft, want ‘de marxisten hebben nooit beweerd, dat de ene cyclus beslist gelijk is aan de andere’ en dat ‘de eigenaardigheden der crises niet aan veranderingen onderhevig kunnen zijn.’ Vooruitgang der techniek leidt tot sociale omwentelingen (slavernij werd afgeschaft toen machines opkwamen), behalve in gevallen wanneer men (het oude Rome) geen machines gebruikte omdat slaven goedkoper waren. De basis ‘bepaalt’ de bovenbouw, behalve uiteraard wanneer de bovenbouw de basis bepaalt; onze kennis van de werkelijkheid is ‘juist’, maar wordt anderzijds wel weer voortdurend ‘juister’. Ruimte en tijd zijn de grondvormen van het bestaan van de materie. De ruimte heeft slechts drie dimensies. De ruimte drukt de orde

[p. 218]

der gelijktijdig bestaande voorwerpen uit. Maar de relativiteitstheorie van Einstein is juist. Zo wordt de structuur van de maatschappij bepaald door de ontwikkelingsgraad der ‘productiekrachten’, behalve wanneer de structuur van de maatschappij daardoor nu juist niet bepaald wordt (ontwikkelingsgraad der productiekrachten is in de vs en in de ussr ongeveer op hetzelfde peil, de maatschappelijke structuur niet). Er bestaan geen eeuwige morele voorschriften, - behalve de door Lenin genoemde. Alle ideologie is klassebepaald, behalve wanneer ze niet klassebepaald is. Ondernemingen met een relatief groot ‘constant’ kapitaal maken minder winst dan ondernemingen met relatief klein ‘constant’ kapitaal, - behalve wanneer beide soorten ondernemingen ongeveer evenveel winst maken. In de communistische maatschappij ontvangt iedereen naar zijn behoeften, behalve als hij behoefte heeft aan schaarse goederen.

De leer lijkt hier op iemand, die met de nieuwe ontdekking ‘alle koningen sterven een gewelddadige dood’ ten tonele komt en daardoor natuurlijk op enige belangstelling kan rekenen van de zijde der wetenschap: hij beweert immers een correlatie gevonden te hebben tussen het bekleden van het koningschap en het sterven van een gewelddadige dood. Zulk een correlatie is vroeger nooit geproclameerd, al waren er altijd wel koningen die een gewelddadige dood stierven en al had af en toe wel eens iemand opgemerkt dat er waarachtig alweer een koning een kopje kleiner gemaakt was. Mannen der wetenschap echter zullen, alvorens vreselijk enthousiast te worden, proberen of er geen koningen te vinden zijn die op hun bed gestorven zijn aan zogeheten natuurlijke oorzaken. Zij zullen die koningen tegen de nieuwe theorie aanvoeren, beleefd en dankbaar vermeldend overigens dat het de verdienste van de nieuwe theorie is gewezen te hebben op een aantal ziektes en jachtongevallen die misschien wel als vergiftigingen en maar al te welgerichte schoten moeten worden

[p. 219]

beschouwd. Hierop antwoordt de uitvinder der theorie (of zijn plaatsbekleder wanneer de uitvinder ondertussen - al of niet gewelddadig - het tijdelijke gezegend heeft) dat men zijn theorie natuurlijk niet mechanisch, ondialectisch, karikaturaal, absoluut en metafysisch moet opvatten, en dat van iedere ‘afzonderlijke situatie’ diepgaande studie gemaakt moet worden, dat men de theorie niet zomaar klakkeloos op iedere situatie kan toepassen als een soort kant en klaar recept, dat er natuurlijk gevallen zijn waar het koningschap niet geleid heeft tot een gewelddadige dood, maar dat dit nu juist bewijst dat we niet met een dode, formalistische, burgerlijke theorie te doen hebben, maar integendeel met een wetenschappelijke, zich voortdurend ontwikkelende theorie die juist rekening houdt met de vele verwikkelingen en tegenstellingen en veranderingen die de werkelijkheid nu eenmaal eigen zijn. Burgerlijke geleerden zullen nooit begrijpen, dat onze theorie juist veel beter is dan hun eenzijdige ‘theorieën’. Het is, ondanks alle laster, wel degelijk juist dat koningen een gewelddadige dood sterven. Anderzijds wil dat niet zeggen dat er geen koningen op hun bed sterven. Alleen lasteraars en betaalde propagandisten van het Amerikaanse zionistische imperialisme beweren dat er volgens onze leer nooit een koning op zijn bed sterft. (De ‘lasteraar’ is dan iemand die met keurige citaten komt uit het werk van de oorspronkelijke uitvinder der theorie en zijn eerste aanhangers.) Enzovoort enzovoort.

Van alle dialectische hocus-pocus ontdaan komt in haar nieuwe gedaante de theorie hierop neer dat alle koningen een gewelddadige dood sterven, behalve de koningen die dat niet doen, een uitspraak, waarvan de wetenschappelijke waarde gelijk is aan ‘soms regent het op zondagmiddag’. Maar gehanteerd door aanhangers geeft deze van een ‘ontsnappingsclausule’ voorziene versie aan de theorie een formidabele, zij het bij nader inzien lachwekkende onkwetsbaarheid. Geen

[p. 220]

enkele tegenstander zal ooit met een koning kunnen komen aandragen die niet aan de theorie beantwoordt.

Behalve de wetenschappelijke pretentie en de boven omschreven onweerlegbaarheid heeft het marxisme-leninisme nog de aantrekkelijke eigenschap van zekerheid. Terwijl ‘echte’ wetenschap zich voortdurend beweegt in een klimaat van scepsis en twijfel, beweegt het marxisme-leninisme zich in een sfeer van zekerheid, vertrouwen, geloof. ‘Bolshevism’, zegt Bertrand Russell in de inleiding tot zijn kort na de Russische revolutie verschenen Practice and theory of bolshevism, ‘is not merely a political doctrine; it is also a religion, with elaborate dogma's and inspired scriptures. When Lenin wishes to prove some proposition, he does so, if possible, by quoting texts from Marx and Engels. A full fledged Communist is not merely a man who believes that land and capital should be held in common, and their produce distributed as nearly equally as possible. He is a man who entertains a number of elaborate and dogmatic beliefs - such as philosophic materialism, for example - which may be true, but are not, to a scientific temper, capable of being known to be true with any certainty. This habit, of militant certainty about objectively doubtful matters, is one from which, since the Renaissance, the world had been gradually emerging, into that temper of constructive and fruitful scepticism which constitutes the scientific outlook.’

Dit geheel en al ontbreken van een ‘temper of constructive and fruitful scepticism’ is wetenschappelijk gezien een duidelijk nadeel natuurlijk, maar voor de gelovige, de trouwe aanhanger is het alweer een uitkomst. Hij is geen marxist-leninist geworden om te twijfelen. Twijfelen kan hij thuis ook.

De leer heeft nog een ander voordeel en dat is haar negentiende-eeuws, ‘ouderwets’ karakter. Er bestaan een aantal negentiende-eeuwse gemeenplaatsen, opinions chic,

[p. 221]

door bijna ieder weldenkend mens gedeelde opvattingen die in de loop van de twintigste eeuw zijn aangevochten en veelal door de ‘wetenschap’ verlaten zijn. Ik noem de opvatting dat prostitutie het gevolg is van armoede; dat criminaliteit veroorzaakt wordt door een verkeerde inrichting der maatschappij, en wel speciaal door het kapitalisme; dat in de natuur een ontwikkeling te zien is van ‘primitieve’ organismen, zoals eencelligen, naar meer ‘ingewikkelde’, zoals mensen; dat godsdienstige denkbeelden ontstaan omdat de mens nog geen inzicht heeft in de natuurwetten; dat men onderscheid moet maken tussen ‘oorzaak’ en ‘aanleiding’; dat het milieu waarin iemand opgroeit bepalend is voor wat hij denkt en schrijft; dat een schilderij moet lijken op wat het voorstelt en liefst iets moet voorstellen wat zelf mooi en interessant is; dat de maatschappij in de binnenlanden van Nieuw-Guinea ‘primitiever’ is dan de onze; dat de economie van het oude Athene en van het oude Rome gebaseerd was op de arbeid van slaven; dat slavernij is afgeschaft omdat het niet langer winstgevend was om slaven te houden; dat bepaalde dingen, met name natuurwetten, ‘wetenschappelijk bewezen’ zijn. Veel van deze opinies zitten zeer ‘vast’ en zijn generaties lang van vader op zoon, van meester op leerling doorgegeven, en leiden onder intellectuelen een min of meer ‘ondergronds’ bestaan. Wie het marxisme omhelst krijgt de gelegenheid en het recht om al die dingen weer gewoon te geloven.

prepostterug  begin  verder