De voorgaande hoofdstukken vormen samen een overzicht van de communistische wereldbeschouwing, zoals die twintig jaar geleden officieel in Moskou werd verkondigd. Ondertussen is er het een en ander gebeurd. Hoe is het in die twintig jaar gegaan met het marxisme-leninisme? Is het gebleven zoals het was? Is het veranderd? Bestaat het eigenlijk nog wel?
Op deze laatste vraag zou je het antwoord kunnen geven dat in de bekende anecdote gegeven wordt door de Poolse rebbe aan wie gevraagd werd of hij aan de dialectiek geloofde. Hij antwoordde: ‘Ja en nee.’
Formeel bestaat het marxisme-leninisme nog steeds. Het is nog steeds de officiële wereldbeschouwing van de Sovjet-Unie. Er verschijnen nog steeds handboeken waarin deze leer wordt uiteengezet. En in grote trekken is de leer, zoals hij in die handboeken staat, dezelfde als de in dit boek beschrevene. Maar er zijn toch vrij grote verschillen.
Het is niet eenvoudig om die verschillen aan te geven. De leer is nog steeds niet geneigd toe te geven dat zij in de loop der jaren veranderd is. De westerse onderzoeker moet die veranderingen zelf opsporen, wat een tijdrovend en buitengewoon vervelend werk is. En bovendien een ondankbaar werk, want het komt voor dat bepaalde stellingen die gisteren nog hardnekkig verdedigd werden, vandaag verlaten blijken te zijn. Ik wil de lezer niet met details vermoeien en beperk me tot een aantal opmerkingen van algemene aard. Om te beginnen heeft de leer veel van haar agressiviteit verloren. De leuze Da zdravstvnet marksizm-leninizm! waarmee de geen kwaad vermoedende Ruslandreiziger vroeger bij wijze van spreken op iedere straathoek geconfronteerd
werd, is verdwenen. Uit het Moskouse straatbeeld zijn in 1988 de leuzen verwijderd. Geen rood spandoek boven een deur geeft meer aan, dat in dit pand een agitpunkt gevestigd is. Zelfs de toch zo goedkoop aan te brengen, want slechts uit negen letters bestaande leuze Slava KPSS! (‘Ere aan de Communistische Partij der Sovjet-Unie!’) is weggehaald, evenals het potsierlijke Lenincitaat ‘Communisme is sovjetmacht plus electrificatie van het gehele land’ - een leuze waaruit sommige Russische mathematici de conclusie hebben getrokken dat sovjetmacht communisme is zonder electriciteit.
In mijn inleiding, twintig jaar geleden, bracht ik de geloofsafval ter sprake, die toen in de USSR aan de gang was: het aantal sovjetburgers dat aanhanger was van en belangstelling had voor het marxisme werd steeds kleiner. Die afval heeft zich doorgezet en strekt zich nu welhaast uit over de hele intellectuele bevolking.
Nikita Chroestsjov was in zekere zin nog een gelovige. Denk maar aan het vuur waarmee hij de stelling verdedigde dat in 1980 in de Sovjet-Unie het communisme zou zijn ingetreden. Om zoiets serieus te propageren moet men het een beetje geloven. Gorbatsjov kijkt wel uit. Lees je zijn boek Perestrojka, dan zie je dat hier eigenlijk geen overtuigde marxist-leninist spreekt. Hij heeft het zelfs expressis verbis over een ‘nieuw denken’ dat nodig is. Wat dat nieuwe denken is zegt hij niet, en evenmin zegt hij dat dat nieuwe denken in de plaats moet komen van de officiële leer. Maar de beweringen die hij doet kunnen moeilijk anders worden uitgelegd dan als pogingen om zich aan die leer te ontwringen. Als de leer in orde was zou er niet over ‘nieuw denken’ gesproken hoeven te worden.
Kijk je moderne handboeken door, zoals Osnovy marksistsko-leninskoj filosofii (Moskou 1977), Kratkij slovar' po filosofii (Moskou 1979), Filosofskij slovar' (Moskou 1980), Naučnyj
kommunizm (Moskou 1983) of het boek van L.G. Olech Naučnyj kommunizm. Predmet i metod (Novosibirsk 1985), dan word je getroffen door de rustige toon van die boeken. Het bekende Lenincitaat bijvoorbeeld, waarin gezegd wordt dat iedereen die niet bij gekken of idealistische filosofen school gegaan is de opvatting huldigt dat de werkelijkheid onafhankelijk van onze waarneming bestaat, heb ik niet meer terug kunnen vinden. De marxistisch-leninistische definitie van materialisme als de opvatting dat de werkelijkheid onafhankelijk van onze waarneming bestaat is nog steeds van kracht, maar wordt betrekkelijk rustig, ja haast timide voorgedragen, terwijl dat vroeger met grote trots en fanatisme gebracht werd, zo van ‘kijk ons eens: anderen zijn zo ontzettend stom om te betwijfelen of de wereld buiten ons bewustzijn wel bestaat, maar wij marxisten-leninisten weten natuurlijk wel beter.’
Die verminderde agressiviteit van de leer, de rustiger toon waarop zij voorgedragen wordt zijn niet zozeer tekenen van verandering in de leer dan wel tekenen van iets wat je ‘invriezing’ zou kunnen noemen. Je zou kunnen zeggen dat de leer in een soort coma verkeert. Bel je bij wijze van spreken de afdeling ideologie van het Centraal Comité van de CPSU op en vraag je hoe het leerstuk van de ‘meerwaarde’ of het leerstuk van de kwantiteit die omslaat in de kwaliteit ook weer luidt, of welke maatschappelijke formaties de mensheid op haar pelgrimstocht ook weer doormaakt, dan krijg je, zij het op wat slaperige toon, dezelfde antwoorden als de antwoorden die in dit boek staan. Als je het hoongelach, de dreigementen en de scheldwoorden waarmee zo'n telefonade vroeger doorspekt was even vergeet, dan is de informatie die de telefonist je verschaft ongeveer gelijk aan die van twintig jaar geleden. De kwantiteit slaat nog steeds om in de kwaliteit, en omgekeerd, en de meerwaarde is nog steeds dat deel van de geleverde arbeid, dat de kapita-
list zich ‘unentgeltlich’ toeëigent. Wat dat betreft is het boek dat ik twintig jaar geleden over deze ideologie schreef nog steeds actueel.
Toch heb ik twintig jaar geleden een paar uitspraken gedaan die je nu ‘verouderd’ zou kunnen noemen. Zo verwijs ik hier en daar naar dingen die niet meer bestaan. In het economische hoofdstuk breng ik bijvoorbeeld een ‘tramconducteur’ ter sprake. Iedereen wist twintig jaar geleden wat een tramconducteur was. Nu weten alleen oude mensen dat. Elders wordt de ‘prinsessekalender’ genoemd. Menigeen zal niet meer weten wat dat was: een door de stichting ‘Pro Juventute’ uitgegeven kalender die versierd was met foto's van vier kinderen: de prinsessen Beatrix, Irene, Margriet en Marijke. Als voorbeeld van een in Nederland verkrijgbare Russische automobiel noem ik de ‘Scaldia’. Twintig jaar later is dat de ‘Lada’ geworden.
Ook bevat het boek voorspellingen die niet zijn uitgekomen, zoals dat er omstreeks 1980 geen Chomsky-fans meer zouden zijn. Blijkbaar had ik een te hoge dunk van hem. Ik verwachtte dat als er in 1980 nog partijprogramma's zouden worden gedrukt, dat dan het jaar 2000 genoemd zou worden als het jaar waarin de communistische maatschappij in de USSR werkelijkheid zou zijn geworden. In officiële uiteenzettingen van de leer figureert die communistische maatschappij nog steeds, maar een jaartal wordt niet langer gegeven. Verder zijn enkele van mijn beweringen over de USSR niet meer geldig: Boecharin is in 1988 gerehabiliteerd. Er zijn weinig politieke gevangenen meer.
Ook treft het mij twintig jaar later, dat ik in mijn uiteenzetting zonder daar verder over na te denken enkele in het ‘orthodoxe’ Nederlandse marxisme gebruikelijke germanismen gebruikt heb. Zo schrijf ik in het economische hoofdstuk over ‘meerwaarde’, terwijl de gebruikelijke, niet-marxistische vertaling van het Duitse Mehrwert ei-
genlijk ‘toegevoegde waarde’ is: Mehrwertsteuer is in het Nederlands ‘BTW’. Ook ‘privaatbezit’ is een marxistisch germanisme. Dat moet zijn ‘privé-bezit’ of ‘particulier bezit’. ‘Privaatbezit’ betekent eigenlijk ‘het bezitten van een wc’.
In de eerste druk van dit boek constateerde ik, dat de leer zich uit enkele gebieden van wetenschap teruggetrokken heeft: natuurkunde, biologie, taalkunde. Vroeger, laat ons zeggen een halve eeuw geleden, was het zo dat het marxisme-leninisme over welhaast alle wetenschappen zijn eigen opvattingen had. Naast en tegenover de ‘burgerlijke’ geschiedschrijving, biologie, astronomie, economie, filosofie, criminologie, literatuurtheorie, pedagogie, natuurkunde, agronomie, bestond een luid schreeuwende, woedend op en neer dansende marxistisch-leninistische variant. Steeds meer van die varianten verdwijnen. Er verschijnen bijvoorbeeld historische studies waar niets marxistisch aan is. Lees je het redactionele commentaar bij de nieuwe volledige uitgaven van de werken en brieven van Tsjechov (1974-1983) en Dostojevski (1972-1990), dan lijkt het haast of Marx nooit bestaan heeft. Het is niet onredelijk om te veronderstellen dat er in de voetnoten van een laat ons zeggen hedendaagse Amerikaanse Tsjechov-uitgave meer invloed van Marx te constateren zou zijn dan in een Russische.
Dat terugtrekken van de leer kun je ook constateren als je kijkt naar wat de Russische overheid zegt over de toestand in de USSR. Tot voor betrekkelijk kort waren er ruw gezegd twee soorten beweringen over de USSR in omloop: de ‘westerse’ en de ‘officiële’ Moskouse. De officiële leer zei dat het in de Sovjet-Unie allemaal prachtig was (behoudens, uiteraard, enkele nog uit de weg te ruimen tekortkomingen), dat de welvaart steeds steeg en dat de bevolking er heel wat beter aan toe was dan in de kapitalistische landen. De ‘westerse’, kapitalistische kijk op de Sovjet-
Unie daarentegen was nogal somber. In westerse ogen was het in Rusland in welhaast alle opzichten een bende. Nu ik dit schrijf - 1989 - is de ‘westerse’, ‘kapitalistische’ kijk op de toestand in de USSR eigenlijk min of meer door de Russische overheid overgenomen. Dat betekent dat de leer van het marxisme-leninisme zo goed als afwezig is uit de beweringen van de sovjet-autoriteiten over de toestand in hun eigen land. Men kan immers niet tegelijk het marxisme-leninisme aanhangen en beweren dat de economie van de USSR in het slop is geraakt, in een zastoj (‘stagnatie’): die zastoj is immers in strijd met de leer. Iemand die de leer aanhangt behoort het bestaan van die zastoj te ontkennen en er met kracht op te wijzen dat mensen die van zastoj spreken lasteraars zijn, betaalde agenten van de CIA, vaderlandsloze gezellen en naar alle waarschijnlijkheid zionisten.
‘De op een na machtigste mogendheid ter wereld kan haar bevolking geen levenspeil bieden, dat ook maar vergeleken kan worden met het levenspeil van de bevolking in een normaal geïndustrialiseerd land’, las ik in oktober 1988 in een Moskouse krant. Volgens de leer is een zodanige toestand niet mogelijk, want de socialistische economie is verre superieur aan de kapitalistische en zorgt voor grotere welvaart dan in een kapitalistisch land mogelijk is. Marx en Lenin hebben dat ‘wetenschappelijk bewezen’.
Dit loslaten van de leer bij het beschrijven van de werkelijkheid kan gezien worden als de voortzetting en voltooiïng van een proces dat al veel langer aan de gang is. In zekere zin houdt een communist, of hij nu een land regeert of in een land tot de oppositie behoort, er tegelijkertijd twee wereldbeschouwingen op na: enerzijds vindt hij de marxistische opvattingen juist, anderzijds echter is hij diep in zijn hart geneigd de in de burgerlijke maatschappij heersende opvattingen te onderschrijven. Men kijke naar de geschiedenis van de USSR: de ‘raad van volkscommissarissen’ werd in
de jaren twintig en dertig voorgesteld als iets heel moois, in de verste verte niet te vergelijken met zoiets verachtelijks als een burgerlijke ‘ministerraad’. Maar in de jaren veertig werden die volkscommissarissen opeens in ministers veranderd. Blijkbaar is een kapitalistische ‘minister’ toch respectabeler dan een communistische ‘volkscommissaris’.
Zo leerden wij in de jaren twintig dat het verkiezingssysteem van de sovjets - getrapt, openbare stemming, arbeiders hadden meer stemmen dan boeren, behoorde je tot een verkeerde klasse dan had je helemaal geen stemrecht - veel en veel beter was dan het rotte stelsel van de ‘burgerlijke democratie’, waar iedereen boven een bepaalde leeftijd mocht stemmen en waar de stemming geheim was. Maar in de jaren dertig werd het Russische kiesstelsel hervormd naar westers model: met de ‘klasse’ van de kiezer werd niet langer rekening gehouden, iedere burger mocht stemmen, de stemming was geheim - althans in theorie - en van alle voordelen van het sovjetstelsel bleek niets over te zijn.
Vroeger was de relativiteitstheorie van Albert Einstein een schoolvoorbeeld van een idealistische, burgerlijke, imperialistische, zionistische, verderfelijke theorie, in strijd met de van buitengewone scherpzinnigheid getuigende uitspraken van de grote natuurkundigen Friedrich Engels en Vladimir Lenin. Trouwens ook de uitspraken van Jozef Stalin werden voor de theoretische natuurkunde van het grootste belang geacht. Vandaag de dag houdt iedere communist diezelfde Einstein voor een groot geleerde en worden zijn werken uitgegeven door de Academie van Wetenschappen der Sovjet-Unie.
Eigenlijk trekt de leer zich terug uit alle serieus bedoelde beweringen over de werkelijkheid. Een voorzichtige vergelijking met het christendom is hier op zijn plaats. Neem onze universiteiten. Die houden zich bezig met het doen
van onderzoekingen naar en het doen van uitspraken over de werkelijkheid: het heelal, de slag bij Nieuwpoort, de Nederlandse taal, de economische groei, het menselijke lichaam, de aardkorst, de kernfusie, de stijging van de zeespiegel. Het christendom heeft over veel van die zaken een mening. Die mening wordt door de universiteit gerespecteerd, mits het verkondigen van die mening beperkt blijft tot de theologische faculteit. Dat is een soort universitair reservaat, waarbinnen zich de kerken hebben teruggetrokken. Daarbinnen mogen zij studenten en docenten voorschrijven wat zij moeten denken, buiten die faculteit worden zij geacht zich nergens mee te bemoeien. Synode noch bisschoppen protesteren tegen het voor min of meer juist houden van de theorie van Darwin door de biologen, noch nemen zij aanstoot als een historicus de kindermoord van Herodes of een linguist de toren van Babel naar het rijk der fabelen verwijst.
Iets dergelijks zou binnen de Sovjet-Unie kunnen ontstaan, en bestaat in zekere zin al: historici, economen, biologen, literatuurtheoretici, logici doen allerlei beweringen zonder zich iets aan te trekken van wat de grondleggers van het marxisme-leninisme op die gebieden beweerd hebben. Neem je een hedendaagse schrijversbiografie ter hand (ik las dezer dagen boeken over Tjoettsjev en over Boelgakov) dan is daarin zelfs geen spoor te vinden van enige marxistische literatuuropvatting. Publicaties over de leer hebben de neiging steeds abstracter en abstracter te worden, en bijna geen uitspraken over de werkelijkheid meer te doen.
Publicaties over de werkelijkheid houden hoe langer hoe minder rekening met het marxisme-leninisme. Zoals je, zittend op de collegebanken van de Katholieke universiteit te Nijmegen, uitspraken van docenten van die universiteit kunt beluisteren die moeilijk verenigbaar zijn met wat in Rome verkondigd wordt, en zoals je aan de Vrije Universi-
teit te Amsterdam dingen kunt horen die in flagrante strijd zijn met de Schrift, zo worden in de Sovjet-Unie steeds meer boeken gedrukt die net doen of de officiële leer niet bestaat.
Je zou de vergelijking zelfs nog verder kunnen doortrekken: een hoogleraar in de geologie aan de VUA zal niet tot zijn studenten zeggen ‘Dat belachelijke scheppingsverhaal uit Genesis nemen wij geologen uiteraard niet serieus.’ Zo zal ook een Russische geleerde die zich niets aantrekt van het marxisme-leninisme zich onthouden van het met zoveel woorden verwerpen of bespotten van de leer. Hij doet of die leer niet bestaat. In geval van nood maakt hij af en toe een tot niets verplichtende buiging in de richting van die leer. Maar hij zegt niet: ‘Ik verwerp die leer. Het marxisme-leninisme is een onhoudbare en belachelijke doctrine.’ Althans op het moment dat ik dit schrijf (zomer 1989) is een dergelijke uitspraak in een Russische publicatie nog niet gesignaleerd.
Je zou ook een vergelijking kunnen maken met de constitutionele monarchie. De koning is eigenlijk afgezet, maar hij mag blijven zitten. Hij wordt met eerbewijzen overladen, de regering regeert in naam van de koning. De mensen die graag door een koning geregeerd willen worden zijn tevreden, en, niet te vergeten, de overheid ontleent een stuk van haar gezag aan die vorst. Maar die vorst heeft niets te vertellen en mag zich nergens mee bemoeien. Hij moet als hij een politieke mening wil uiten eerst toestemming van de regering hebben.
In die vorm, lijkt het, zou de leer nog heel lang kunnen blijven bestaan. Een ideologie, een systeem van beginselen waar men zich op beroept van tijd tot tijd, waar men officieel op steunt, maar waar men verder zo weinig mogelijk over praat. Wie dingen wil zeggen die met die leer eigenlijk in strijd zijn, mag dat doen, mits hij zich maar niet expressis
verbis tegen die leer richt.
Deze stand van zaken is in Rusland zelf niet onopgemerkt gebleven. In een in 1988 in Moskou verschenen bundel opstellen van verschillende schrijvers onder de titel Inogo ne dano (wat zoveel betekent als ‘Er zit niets anders op’, of ‘Er is geen andere mogelijkheid’) wijst D. Foerman (p. 578) op de grote verdraagzaamheid van het tsarenbewind aan het eind van de negentiende en aan het begin van de twintigste eeuw: de Russische vertaling van Das Kapital was bij de erkende boekhandel te koop, revolutionaire auteurs als Tsjernysjevski en Dobrojloebov waren niet verboden. De schilder Ilja Repin, maker van het beroemde schilderij ‘De gearresteerde propagandist’ en van een ander beroemd schilderij, waarop een ter dood veroordeelde revolutionair de bijstand van een priester afwijst, was een officieel erkend schilder die overal exposeerde en verkocht en aan wie de overheid geen strobreed in de weg legde. Maar tegelijkertijd moesten brave, gezagsgetrouwe, ‘rechtse’ auteurs als Chomjakov en Vladimir Solovjov hun religieuze opstellen in het buitenland publiceren, want soms zeiden zij iets anders dan de staatskerk zei, en werd een Russische vertaling van de Bijbel verboden. De Russische autoriteiten verboden Calvijn, want dat was een ketter. Maar Marx lieten ze toe: dat was een Duitse econoom, die met het orthodoxe geloof niets te maken had. Tot 1905 was je strafbaar als je van het orthodoxe geloof op een andere godsdienst overging. Maar dat omstreeks de eeuwwisseling het marxisme onder de intellectuelen steeds meer aanhangers kreeg - dat leek de overheid eenvoudig niet te deren.
Iets dergelijks, zegt Foerman, heb je op het ogenblik in Rusland ook. De staatsgodsdienst (dat zegt Foerman niet, dat zeg ik) is niet langer Grieks-Orthodox, maar marxistisch-leninistisch. Allerlei dingen die eigenlijk in flagrante strijd zijn met dat marxisme-leninisme worden eerder toe-
gelaten dan ketterijen binnen die leer. Het is gemakkelijker om op het ogenblik (dat zal, toen Foerman schreef, 1987 geweest zijn) de brave christen Chomjakov uit te geven dan de ketterse communiste Rosa Luxemburg. De slavofiel Ivan Aksakov komt eerder door de censuur dan Trotski of Boecharin. Je kunt op het ogenblik in Rusland openlijk zeggen ‘Ik ben orthodox!’ of ‘Ik ben slavofiel!’, maar je kunt niet openlijk zeggen: ‘Ik ben trotskist!’
De stand van zaken in 1989 is dus ongeveer zo, dat het sovjetrijk aan alle kanten kraakt, terwijl de officiële leer min of meer onaangetast blijft. Zo kraakte het tsarenrijk in 1905, terwijl de zuiverheid van de staatsgodsdienst scrupuleus gehandhaafd werd.
Het marxisme-leninisme - de term raakt overigens in onbruik, men schrijft tegenwoordig liever: ‘wetenschappelijk communisme’ - heeft, zou men kunnen zeggen, veel van haar ‘macht’ verloren. Maar er is één geloofspunt dat, naar het zich in 1989 laat aanzien, nog steeds heel machtig is. Dat is het handelsverbod. Volgens het Russische Wetboek van Strafrecht staat op ‘speculatie, dat wil zeggen het kopen en verkopen van goederen of andere voorwerpen met het doel winst te maken’ een vrijheidsstraf van twee tot zeven jaar met confiscatie van je vermogen.
We hebben hier te maken met een stukje van de leer, dat eigenlijk in de leer niet genoemd wordt. In de voorgaande hoofdstukken zal men het verschijnsel handel niet genoemd vinden. De leer veroordeelt het in loondienst hebben van mensen en het vervolgens met behulp van de arbeid van die mensen produceren van goederen en het daarna verkopen van die goederen. Dat is de ‘uitbuiting van de ene mens door de andere’ en leidt zoals bekend in de kapitalistische maatschappij tot mateloze ellende. Maar wat is er tegen een individu of een collectief dat zich bezig houdt met goederen van de ene mens kopen en aan de andere mens verkopen?
Wat is er, kortom, tegen handel? Daar staat eigenlijk nergens iets over. Nochtans is de handel, het kopen met de bedoeling om met winst te verkopen, het grootste taboe van de socialistische wereld. Men spreekt in de Sovjet-Unie openlijk over markteconomie, over het zelfstandig maken van bedrijven, over het in pacht geven van grond aan boerenfamilies, maar niemand, voor zover ik weet, schrijft of spreekt over opheffing van dat handelsverbod. Terwijl het toch duidelijk zou moeten zijn dat zolang dat handelsverbod bestaat er geen einde zal komen aan de economische ellende die een socialistische economie nu eenmaal met zich meebrengt. Hier is de leer niet een instrument in handen van de overheid, maar is de overheid in de greep van een stukje van de leer, van een machtig dogma, dat niettemin nauwelijks met zoveel woorden in de leer vermeld staat. Een dogma overigens, dat teruggaat op de oude christelijke opvatting dat homo mercator nunquam deo placare potest: ‘een koopman kan nimmer God behagen’.
Hoe is het met de leer buiten de Sovjet-Unie? Bestaan er handboeken van het marxisme-leninisme in het Chinees, Koreaans, Abessijns, Cubaans, Hongaars, Pools, Servo-kroatisch? Ik heb mij twintig jaar geleden niet in die vraag verdiept, en ik doe dat nu ook niet. Ook bemoei ik me niet met de vraag, hoe het zit met de aanhangers van het marxisme-leninisme buiten de landen waar de leer staatsgodsdienst is. In hoeverre gelooft een Nederlandse, Engelse, Japanse, Chileense, Pakistaanse communist aan de stellingen die in dit boek uiteengezet worden? Doen de gebeurtenissen in de Sovjet-Unie hem zijn geloof verliezen? Ik weet het niet. Sommige communisten, lijkt het, verliezen eerder hun geloof in Moskou dan hun geloof in Lenin.
Trouwens ook buiten de communistische beweging lopen heel wat mensen rond, die, vaak zonder zich daarvan bewust te zijn, bepaalde marxistisch-leninistische leerstellin-
gen aanhangen. Denk maar aan de mensen die geloven dat Philips wel een niet kapot gaande gloeilamp kan maken, maar dat niet doet omdat dan de winst in gevaar zou komen. De theorie der ‘planmatige veroudering’ (‘planned obsolescence’) is eigenlijk een onderdeel van de marxistisch-leninistische stelling dat onder het kapitalisme nieuwe uitvindingen verdonkeremaand worden om de kapitalistische winst te beschermen.
Andere voorbeelden: ‘wij hebben in het Westen weliswaar winkels die vol liggen met de prachtigste waren, maar die waren zijn alleen bestemd voor de rijken. Alleen de rijken immers hebben genoeg geld om die waren te kopen’. Zo'n bewering wordt door menigeen geloofd, en het is een stukje van de communistische leer. (Het is natuurlijk een onjuiste bewering, want als die waren alleen door de rijken gekocht werden zouden die winkels binnen enkele weken failliet gaan.) Heel wat mensen in het Westen geloven, hoewel ze geen communist zijn, dat de dialektiek iets heel interessants en nuttigs is, of dat ons land geregeerd wordt door een ‘heersende klasse’, of dat de Franse revolutie een einde maakte aan het ‘feodalisme’ in Frankrijk, of dat de armen steeds armer en de rijken steeds rijker worden. Kortom, het ‘geloof der kameraden’, hoezeer ook door de ongunst der tijden in het nauw gebracht, bestaat nog steeds.