|
|
|
| |
| | | |
Geboorte.
Op: Ick sie u wel, al loopty snel.*
Ick ken u wel, ô vande hel
Al legdy hier, onnosel dier 3
Gelijck der menschen kinder.
5
Gods eeuwich Soon, wt uwen throon
Op dat de Heer, tot sijner eer
Mocht worden onsen Vader.
Die noyt en paerd' u heeft gebaert,
10
En sonder sond' u teelde,
Op dat de vleck, en 'tvuyl gebreck
| | | |
Ons droeven val, heeft inden stal
15
Dus maeckty ree, een reyne stee
Int scherpe strooy, en dempich hooy 17
Ligdy met cleyner lusten 18
Op dat een dach, mijn siele mach
De winter-lucht, en 'twint-gerucht
Op dat ghy sout, mijn herte cout
25
De naare nacht, in sware clacht
Dies mijn gesicht, het helle licht 27
In eeuwicheyt sal schijnen.
Het soute nat, o weerde schat
Op dat mijn ooch, van tranen drooch
U handekens, in bandekens
35
Op dat ick zy, verlost en vry
U lippen root, de sondaers snoot
Vertroosten also soetgens,
Der slangen cop, daer suldy op
40
Noch treden met u voetgens. 39-40
| | | |
U oochgens reyn, al sijnse cleyn
Doorstralen alle hoecken,
Ontsienelijck, maer vriendelijck 43
Voor die u aenschijn soecken.
45
O bruydegom, weest wellecom
Ick heb u lang' gebeydet,
Oock in mijn hert, geboren werd 47
En nimmer van my scheydet.
|
Geboorte, 10. A heeft: De cuysche Geest u teelde. Ik volg Revius' verbetering in C.
*Ick sie u wel, enz.: een lied van Breeroo.
3onnosel dier: onschuldig kind.
18met cleyner lusten: ongemakkelijk.
27mijn gezicht: is dativus.
43ontsienelijck: geducht, vreesverwekkend.
47werd: word (imperatief).
|
|