Over-Ysselsche sangen en dichten


auteur: Jacobus Revius


editeur: W.A.P. Smit


bron: Jacobus Revius, Over-Ysselsche sangen en dichten, (ed. W.A.P. Smit). 2 delen, Uitgeversmaatschappij Holland, Amsterdam 1930 en 1935  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Eeuwich leven.

 
Nu wil ick den Vorst des werelts eens belachen, eens braveren,
 
Nu my God tot hoochster eeren
 
Heeft gebracht, en hem met schanden en met smerten liggen doet
 
Bevend' onder mijnen voet.
5
Siet, u macht is u ontwendet, o verderver, al u lagen5
 
Al u heyrcracht is geslagen.
 
Voor u is niet meer te vangen: hier en is het Eden niet7
 
Daer ghy my wel-eer verriet,
 
Noch de leugen, noch de slange, noch de vrucht van God verboden
10
Om my andermael te doden.7-10
 
Hier en hoor ick niet meer: aerde sijt ghy, vande aerd' genomen
 
En moet weer tot aerde comen,11-12
 
Maer: al sydy stof en assche t'eeuwich leven suldy erven
 
Vry van sterven en verderven.
[p. 264]
15
T'heugt my wel dat ghy eens seydet; overtredet het gebot
 
Want ghy worden sult als God.15-16
 
T'is gevallen, ô bedrieger, so ghy spraeckt en niet en meynde
 
Door Gods goetheyt sonder eynde:
 
Wt het paradijs gedreven ben ick doemael, maer hoe schoon
20
Is den hemel daer ick woon!