|
|
|
| |
| | | |
Eeuwich leven.
Nu wil ick den Vorst des werelts eens belachen, eens braveren,
Nu my God tot hoochster eeren
Heeft gebracht, en hem met schanden en met smerten liggen doet
Bevend' onder mijnen voet.
5
Siet, u macht is u ontwendet, o verderver, al u lagen 5
Al u heyrcracht is geslagen.
Voor u is niet meer te vangen: hier en is het Eden niet 7
Daer ghy my wel-eer verriet,
Noch de leugen, noch de slange, noch de vrucht van God verboden
10
Om my andermael te doden. 7-10
Hier en hoor ick niet meer: aerde sijt ghy, vande aerd' genomen
En moet weer tot aerde comen, 11-12
Maer: al sydy stof en assche t'eeuwich leven suldy erven
Vry van sterven en verderven.
| | | |
15
T'heugt my wel dat ghy eens seydet; overtredet het gebot
Want ghy worden sult als God. 15-16
T'is gevallen, ô bedrieger, so ghy spraeckt en niet en meynde
Door Gods goetheyt sonder eynde:
Wt het paradijs gedreven ben ick doemael, maer hoe schoon
20
Is den hemel daer ick woon!
|
Eeuwich leven, 13. al: A heeft ‘nu’, wat echter bij de ‘Druck-fauten’ en bovendien, door Revius zelf in C verbeterd is; 14. A mist de punt aan het einde van den regel.
11-12cf. Genesis 3:19, ‘want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeeren’.
|
|