De Instructie den Goeverneur van Riebeek door de Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie in Maart 1651 gegeven, staat afgedrukt in onze Kronijk, Jaarg. XII (1856) p. 229-237. Voor zoo ver wij geen afschrift van het op het Rijks-Archief berustend Dagverhaal bezitten, volgen wij de witgave van een gedeelte, geleverd door het Tijdschrift de Zuid-Afrikaan. De Redactie van dit Tijdschrift deelt den aanvang niet volledig mede, maar zegt daarvan het volgende.
‘Het verhaal begint den 14 December des jaars 1651, toen van Riebeek, door de Bewindhebbers der Oost-Indische Maatschappij tot Vlootvoogd aangesteld, zich, met zijne familie, aan boord van den Dromedaris begaf. De Kapiteins der beide andere schepen, Reiger en Goede Hoop, kwamen op den 20 dier maand, daar zij in Texel lagen, aan boord van den Dromedaris, toen bij het openen der papieren bleek, dat de Kapitein van laatstgemeld schip tot fungerend Opperhoofd der nieuwe Volkplanting, bij afwezigheid van den Gouverneur van Riebeek, was benoemd.
Op den 23sten staken zij in zee, en het eentoonige van het verhaal hunner zeereis daarlatende, waarin men den ondernemenden Riebeek meer dan eens over de rankheid van zijn schip hoort klagen, beginnen wij met den dag, toen zij tot groote blijdschap, de lang gewenschte Zuidpunt in het gezigt kregen. Dit gebeurde op den 5den April 1652, wanneer het volgende werd aangeteekend:’
- Omtrent vijf glazen in den nademiddagwacht, zagen wij, Gode lof, het land van de Cabo de boa Esperança, namelijk den Tafelberg, O. en O. ten Zuiden, omtrent 15 à 16 mijlen van ons, zijnde van den Opperstuurman eerst gezien, die wij derhalven vier Spaansche Realen in specie, op het eerste gezigt van het land gezet zijnde, vereerden, en de vlaggen lieten waaijen, met een kanonschot, tot een teeken dat de Reiger en de Hoop, verre te loefwaart op wezende, zulks bekennen zouden.
‘In den nacht kwamen de schepen Reiger en Hoop digt bij den Dromedaris, en vroeg in den morgen van den 6 April wilde men naar de Tafelbaai stevenen, doch men oordeelde het raadzaam eerst te doen onderzoeken of er geene vijandelijke schepen op de reede waren, daar zij meenden dat Prins Robert alhier de retourvloot inwachtte1). Het verhaal, dat nu belangrijker begint te worden, luidt als volgt:’
Stil weder met weinig variabele koelte, en alzoo wij door deze dwarlwinden weinig konden avanceren, en vrij digt onder de wal waren, zonden de sloep, met den Boekhouder Adam Hulster en den Onderstuurman Arend van Seeveren, naar den staart van den Leeuwenberg, met order om den hoek van dien te gaan inspectie nemen, wat en hoe vele schepen op de reede in de Tafelbaai mogten leggen, hetwelk gevoeglijk konde geschieden, zonder zich eens met de sloep aan de aldaar bevindende schepen te vertoonen, opdat wij, na bekomene advertentie, ondertusschen daartegen ter defensie of offensie mogten prepareren.
Omtrent twee uren voor den avond wederom aan boord komende, rapporteerden, dat er geene schepen
lagen, des wij lieten voorstaan, en, Gode lof, niettegenstaande gemelde stilte, nog met eene mooije Zuidelijke koeltjen (op het laatst krijgende), even na zons ondergang, nevens het jagt de Goede Hoop, in de Tafelbaai voor de Versche Rivier, op 5 vademen zandgrond wel en salvo ten anker kwamen, zijnde schipper Jan Hoogzaat met den Reiger, zeewaarts gehouden hebbende, buiten gebleven.
Gaven dezen avond nog order aan onzen schipper David de Konink, om morgen heel vroeg met een der sloepen nevens zes gearmeerde soldaten, behalve de roeijers, vooraf naar land te varen, om te zoeken of er geene brieven van eenige alhier aangewezene en vertrokkene schepen begraven waren, en met een wat groente te halen tot verversching, alzoo wij nu over de vierde halve maand in zee geweest zijn, zonder eenige ververschingsplaats te hebben aangedaan, waardoor het volk al vrij verouderd is; bevolen hen ook de zegen mede te nemen, om met eenen in der haast een trek of twee te doen, tot een versche soô.
's morgens, de wind labberkens uit het N. Westen, edoch den ganschen dag meest W.Z.W., is de schipper Konink met de sloep ten einde voorn. naar land gevaren. De dag een weinig doorgebroken wezende, zagen wij de fluit de Reiger uit zee de baai inkomen, daar, Gode lof, omtrent ten 8 uren voor de middag bij ons wel ten anker kwamen.
Weinig daarna kwam schipper Konink met de sloep wederom, een redelijke soô visch gevangen hebbende, medebrengende een kastje met brieven van den 25 Feb. door den Ed. Jan van Teylingen, Kommandeur der laatst vertrokken retour-vloot, gedirigeerd twee aan den Heer Generaal en Raden van India, en een aan de Opperhoofden der schepen Prins Willem, Vogelstruis, Vrede, Orange, Salmander, Koning David,
Lastdrager en Breda, alhier toen ter tijd nog te verwachten, - zoo veel wij vernemen en merken konden nog niet aangekomen, maar apparent voorbij geraakt en naar St. Helena voortgezeild, zijnde de gem. Kommandeur, maar een koebeest en een schaap bekomen hebbende, den 26 Febr. met de schepen Diamant, N. Rotterdam en Henrietta Louisa, na elf dagen leggens, mede van deze reede die weg af vertrokken. En alzoo wij vernamen uit de missive, door ged. Heer van Teylingen gerigt aan de Opperhoofden der voorm. schepen, dat dezelve eenige paarden in hadden voor het volk alhier in het te maken fort te remoreren, en dat zij lieden dezelve niettegenstaande onze absentie zouden aan land zetten, en overgeven in handen van den Ottentoo, die Engelsch spreekt, waardoor wij meenden, dat dezelve in eenige conferentie met dezen inwoonder waren geweest, en derhalven ietwes uit denzelven mogten vernomen en aan de Edele Heeren Generaal en Raden van Indiën daarover geschreven hebben, dat ons misschien in onze zaken tot eenige narigting ten dienste van de Ed. Compagnie mogte te pas komen, zoo hebben wij hier de missive, niet die particulier aan den Heer Generaal of iemand anders in het privé alleen, maar generalijk aan Zijn Ed. en deszelfs Raden gedirigeerd was, goed gevonden op te breken, om de lectuur tot onzer narigt genomen hebbende, weder toe te sluiten en per eerste gelegenheid voort te zenden, wezende van inhoude als de onderstaande Copy is dicterende:
Copia Missive, door den Ed. van Teylingen geschreven aan de Ed. Heeren Carel Reyniersz., Gouverneur Generaal, en de Heeren Raden van India.
Edele, Erntfeste, Welwijze, Voorzienige en zeer Bescheidene Heeren!
Per het jagt de Leeuwrik, in handen van schipper
Dirk Oogel, is mijne jongste schrijvens aan Uwel-Ed. in dato 26 van de laatste maand des verstreken jaars geweest, waarna eerst po. Januarij adstanti, door harde contrari winde buiten de straat in ruime zee zijn geraakt, na welken tijd gedurig goede wind en voorspoed hebben gehad, invoegen op 15 dezes hier ter reede in de Tafelbaai aan Cabo de Boa Esperance (de goede God zij des hartelijk gedankt), ten anker zijn gekomen, zijnde hier mede twee dagen voor ons gearriveerd de schepen N. Rotterdam en Henrietta Louisa, edoch uit Patria hebben geen schip noch pinas, veel min een fortjen op het land vernomen. Zoo is ons mede slechts een koebeest en een schaap van de Wilden toegebragt, en zien ook, mits de onwilligheid dezer onredelijke menschen, geen apparentie van eenig vee of andere verversching meer te zullen kunnen verwerven, alhoewel koebeesten in abondantie niet verre van het strand door het varend volk gezien zijn, waarom dan ook met den anderen goedgevonden en gearresteerd hebben, om morgen van hier met onze schepen op te breken, en de reis in den naam des Allerhoogsten naar St. Helena te vervorderen, alwaar onze andere schepen zullen blijven inwachten, bijaldien dezelve daar ter reede niet voor ons verschenen zullen zijn, dat wel willen gelooven, doordien het eenige dagen na den anderen, terwijl hier gelegen hebben, hard gestormd heeft, waardoor ligt de Kaap voorbij geraakt en naar het verhaald eiland geloopen zijn, zulks de tijd uitwijzen zal.
Tot dato hebben op de reis, namelijk op den Diamant, maar een man door ziekte verloren, doch op Rotterdam zijn drie, en op Henrietta Louisa vier man gestorven, - God gave het daarmede mag ophouden! Schipper Aart Pleunen, doleert grootelijks over zijne Chirurgijns, die ook in der waarheid beide jonge en
onervarene borsten zijn, gelijk zulks genoegzaam blijkt aan hunne gedane kuren, die zoodanig geweest zijn, dat wel twaalf personen nog zeer miserabel op Henrietta Louisa, zoo aan kwade voeten als anderzins zijn leggende, waarvan eenige (bij zoo verre daarin niet tijdelijk voorzien werd) groot perikel loopen van hunne beenen, ja het leven te verliezen. Tot voorkoming van hetwelk goed gedacht hebben onze Onderbarbier (die een zeer ervaren en wellevend jongman is) op Louisa te laten overgaan, tot welken einde hem ook met den titel van Opperchirurgijn begiftigd hebben, met vertrouwen hetzelve niet kwalijk genomen worde.
Gezegde schipper heeft ons mede te kennen gegeven, hoe hij het gerepeteerde schip uitermate rank heeft bevonden, ja zoodanig dat geen zeil naar behooren heeft kunnen voeren, insgelijks kwantiteit peper gepompt zijn, waarom ook genoodzaakt was een zijner pompen uit te zetten en gestadig een man in de soo1) te houden, tot dat eindelijk (na dat achter van de koebrug ettelijke kaneelbalen en omtrent 40 à 50 zakken peper geligt en boven gebragt waren) gewaar wierden, dat de wiering2) geheel open, en op sommige plaatsen gaten, daar wel een vuist door kon, waren, dat immers eene beklaaglijke zaak, en niemand anders te inputeren zij dan diegenen, wie het opzigt over de gemeene timmerlieden zijn hebbende, die haar geen tijd zijn gunnende, dat de schepen naar behooren voorzien en gedreven werden. Hoedanig het met de Vrede gesteld zij, is den Almachtigen bekend, 't is altoos zulks, dat de schipper, ten tijde nog in de straat waren, verklaard heeft, dat alle glazen wel 8 à 900 ponden gepompt wierd, weshalve ten hoogsten
beducht ben, dat de Overigheid van genomineerde Vrede, als bij ons komen, nog al van meerder zwarigheid zullen spreken, dat God geve contrarie mijne mening mag uitvallen.
Zoo dato bekomen tijding, dat gisteren avond een schip omtrent het Robbeneiland gezien; edoch op dato zijn hetzelve niet vernemende, waarom nog tot morgen avond zullen blijven vertoeven, en alsdan niet te voorschijn komende, de ankers ligten en onder zeil gaan.
Op den 4 des voorgaanden maands, in den avondstond, wierden gewaar dat onze kombuis in brand was, waarom dadelijk timmerlieden in 't werk stellen en eenige gaten zoo binnen als buiten de kombuis maken, om te zien aan boord tusschen de kniën van het schip, daar de brand eerst begonnen had, waaruit vele verbrandde houtskolen voort bekwamen; edoch door het gedurig en veel water gieten werd de brand haast geblust. De groote God moet ook daarvoor in der eeuwigheid geloofd zijn! Hiermede,
Edele, Erntfeste, Manhafte, Welwijze, voorzienige en zeer bescheidene Heeren! bevelen UEd., naar mijne eerbiedige salutatie, de protectie Gods Almagtig, die UEd. in langwijlige gezondheid ter zaligheid wil sparen, en ons door Zijne H. Engelen in het lieve Vaderland geleiden, - UEd. verobligeerden en dienstwilligen Dienaar,
jan van teylingen.
In het schip den Diamant, dezen 25 Feb. 1652, geankerd leggende in de Tafelbaai aan Cabo de Boa Esperance.
Copia Missive, door den Ed. van Teylingen geschreven aan de Opperhoofden van de schepen Prins Willem, Vogelstruis, Vrede, Orange, Salmander, Koning David, Lastdrager en Breda.
Achtbare goede Vrienden!
Dit weinige zal geen ander einde dienen, als om UEd. bekend te maken, hoe met het schip den Diamant, den 15 dezer (de Almagtige zij ten hoogsten gedankt), hier ter reede gelukkig zijn aangekomen, zijnde twee dagen voor ons de schepen N. Rotterdam en de Henrietta Louisa mede hier salvo ten anker gekomen, en gemerkt nu al elf dagen hier gelegen hebben, en geen van u allen opdonderd, dienvolgens van gevoelen zijn, dat welligt, doordien het eenige [dagen] na den anderen vehement gestormd heeft, eenige schepen van de vloot, is 't niet alle, deze Kaap voorbij en naar St. Helena geraakt zullen zijn, zoo hebben met den anderen geresolveerd en goedgevonden om morgen vroeg van hier op te breken en de reis, in den naam Godes, naar verhaald eiland te vervorderen, alwaar met lief verschijnende, Ul. bijaldien noch achter zijt, tot primo April zullen blijven inwachten; en of 't geval Ul. deze reede nog kwaamt aan te treffen, zoo willen Ul. op het hoogste verzocht en vermaand hebben, hier geen tijd te spillen, maar op 't spoedigste het versch water in te nemen, opdat toch tijdelijk voor St. Helena bij den anderen komen, en van daar gezamentlijk de reis naar het lieve Vaderland volvoeren mogen, gelijk ook de order van onze gebiedende Heeren is medebrengende.
Wij hebben hier slechts een koebeest en een schaap ter verversching bekomen, niettegenstaande landwaarts in overvloed door het scheepsvolk gezien zijn, echter hebben ons de wilde onredelijke menschen niet meer als het gezegde willen toebrengen. God geeft Ul. beter geluk mogt hebben, en blijft hiermede van ons vriendelijk de hoede des Allerhoogsten bevolen.
Ul. goedgunstigen Vriend,
jan van teylingen.
In 't schip den Diamant, dezen 25 Feb. 1652, geankerd leggende in de Tafelbaai voor Cabo de Boa Esperance.
De paarden die Ul. zijt inhebbende, mogt vrijelijk aan land zetten, en den Ottentoo, die Engelsch spreekt, bevelen, dat hij dezelve aan de genen, die in 't fortje zullen remoreren, wil ter hand stellen, met belofte dat hem daarvoor een goede recognitie zal toekomen - Vale.
‘Na melding gemaakt te hebben van deze gevonden brieven, vervolgt het dagverhaal’:
Dezen avond voeren nog zamen eens aan land, om ter loops eens ten naastenbij af te speculeren, waar het fort gemaakt zal dienen; kregen dezen avond ook twee wilden aan boord, daaronder een die wat Engelsch sprak, welke wij den buik met eten en drinken dapper vulden; maar na wij daaruit vernemen konden, zoude van hen geen vee te krijgen wezen, alzoo ons door gebroken Engelsche woorden en teekenen te kennen gaven, zij maar visschers waren, en de beesten door die van Saldinia altijd gewacht wierden, zulks wij wel meer uit eenige overgeblevene personen van het schip Haarlem verstaan hadden.
- 's morgens, had den ganschen dag vrij hard gewaaid, uit het Z.Z. Oosten, continuerende tot omtrent 's middags met klare heldere zonneschijn; schijnt tegenwoordig in den droogen tijd te wezen, alzoo de gronden overal van droogte op het land van den anderen geweken zijn, en veel spruitjens van rivierkens heel droog bevinden. Op dato lieten den Raad beroepen1), om met denzelven goed overleg te
maken tot ons aan te vangen werk der fortificatie, enz. waartoe gisteren ten naastenbij plaats uitgezien hebben, die verstaan is van daag eens nader te gaan bezien, en af te meten of ook groot en bekwaam genoeg zal wezen, gelijk wij, uit onze raadspleging gescheiden zijnde, ook gedaan en de plaats bekwaam en groot genoeg bevonden hebben, digt aan de principale Versche-rivier, die apparent rondom de graften van het fort zal kunnen geleid worden. Is wijders op het een en ander zoodanige nadere order gesteld, als bij de Resolutie van dato dezer in ons Resolutieboek kan beoogd worden. Wezende nog dezen avond van den Dromedaris aan land gezonden
| om te arbeiden | 50 koppen. |
| van den Reiger | 39 koppen. |
| van 't Jagt | 11 koppen. |
| ----- | |
| Te zamen 100 koppen. |
- Fraai zonneschijn en redelijk warm weder, is het Opperhoofd Riebeek 's morgens vroeg naar land gevaren, daar het fort dezen dag ten eenemale heeft afgestoken, en 's avonds weder naar boord gevaren; de buitenste poligonen of der bolwerken uiterste punthoeken van den anderen genomen hebbende op 24 roeden Rijnlandsche maat.
| roed. | voet. | duim. | |
|---|---|---|---|
| De binnenste poligonen of veelhoeken op | 13 | 7 | 3 |
| De distantie der binnenste en buitenste poligonen-liniën op | 3 | 6 | 2 |
| De keel | 2 | 3 | 8 |
| De kapiteel | 5 | 0 | 9 |
| De flank | 2 | 0 | 3 |
| roed. | voet. | duim. | |
|---|---|---|---|
| De secunde flank. | 1 | 8 | 6 |
| De face | 6 | 1 | 0 |
| De half-diameter | 9 | 1 | 7 |
| De gordijnen | 9 | 1 | 7 |
| De poligoons hoeken | 90 | graden. | |
| De bolwerk hoeken | 60 | graden. | |
| De tanges of tenalie | 15 | graden. | |
| De strijkhoek | 150 | graden. | |
| De hoek, de flank, formeert | 40 | graden. | |
Maat van het profijl van de wal.
| De basis of onderste aanleg des wals zullen nemen op | 2 | 8 |
| De buitenste dosering of schuyheid(?) | 0 | 4 |
| De binnenste | 0 | 8 |
| De hoogte des wals | 0 | 8 |
| De kruin van dien breed | 1 | 8 |
| De aanleg van de borstweer op de wal | 0 | 10 |
| De buitenste en binnenste dosering van dien, te zamen | 0 | 4 |
| De buitenste hoogte van dien | 0 | 4 |
| De binnenste hoogte | 0 | 6 |
| De kruin van dien breed | 0 | 6 |
En zal den walgang rondom dan blijven 8½ voet breed, welkers nader en perfecter uitrekening, nevens de afteekening, na dezen beter zullen kunnen doen, als ten naastenbij volmaakt zijnde; vooreerst maar ons project, daar misschien nog iets in veranderd of verbeterd kan worden.
Dezen dag zijn die van den Dromedaris en Reiger doorgaans bezig geweest met materialen; enz. te lossen, en de Opperkoopman Riebeek met het verder afsteken van het voorm. enz.
's morgens vroeg naar land gevaren, alwaar het volk met schoppen, spaden, pikken, houwelen en kruiwagens heeft beginnen aan 't werk te stellen, bevindende de aarde zoo mul, dat kwalijk vaste wallen zullen kunnen maken, en alhoewel veel kreupelbosch tusschen de aarde in arbeidde, zoo is echter beduchtelijk door harde regen vrij afregenen zal, ten ware wij bekwaam land vonden tot zoden, om van buiten tegen aan te zetten, daar wij eerstdaags, het noodige ook eerst in trein gebragt hebbende, na uit zullen zien, hebbende dezen dag nog genoeg te doen gehad, om gedeelte van de graften af te trekken, die aan de eene punt in de rivier komt te vallen, en alzoo verhopen heel rondom te leiden; item het volk in orde aan het werk te doen stellen, alzoo zeer weinige daaronder vinden, die haar zulks verstaan.
Omtrent den middag kwam een klein troepje van omtrent negen of tien wilden van Saldinia aan, tegen dewelke zich de Strandloopers, die dagelijks met vrouw en kinderen bij ons aan de tenten zitten, in defensie stelden, met zulken couragie en furie daarna loopende met hassegaayen, pijl en bogen, dat wij genoeg te doen hadden hen te stuiten, hebbende hunne vrouwen naar het gebergte gejaagd; deshalve de schipper Jan Jansen Hoogsaat, met onzen korporaal, nevens eenige gearmeerde soldaten tusschen beiden lieten trekken, dewelke omtrent een halve goteling schoot van ons af zijnde, en de inwoners digt bij een in postuur van battaille staande, een bestand tusschen dezelve door gem. schipper is getroffen, zulks dat dezelve den ganschen dag vredig met elkanderen omtrent onze tenten zich onthielden, en die van Saldinia door teekenen en vele gebroken Duitsche en Engelsche woorden (apparent van het verongelukte Haarlem's volk geleerd en onthouden) te verstaan gevende, voor
koper en tabak binnen korte dagen beesten en schapen zouden brengen, daar wij hen ruimelijk en met goed tractement toe aanmaanden.
Schipper David Konink, nevens twee adsistenten en twee soldaten, met vogelroers en musketten uit visschen gevaren zijnde in de Zoute-rivier, waren deze voorschreven negen Saldinische wilden gerencontreerd en van dezelve zeer minnelijk en fraai bejegend, dat het wonder was; vattende den schipper, zoo haast zij hen hadden beduid, het de Kapitein van een der schepen was, als met eene groote blijdschap om den hals, met teekengevingen, dat zoo wij koper en tabak hadden, zij ons vee genoeg brengen zouden. Zij waren zeer fraaie en zeer fluksche mannen, van bijzondere goede statuur, echter met een redelijk bereide beestenhuid bekleed, die zij zoo fraai op den eenen arm droegen, met zulk eene moedigheid in hunnen gang, als eenige snoeshaan in het vaderland zijn mantel op den schouder of arm dragen kan. Voorm. schipper Konink kwam met vier zakken mosterdbladen en zuring te huis, nevens een vangst van omtrent 750 schoone steenbrasems, daaronder vier delicate andere visschen, schoonder van smaak, als eenige visch in het vaderland wezen kan, gelijkende de een wel bijna schelvisch, doch was wel zoo groot en vet van smaak.
doch zonder zoodanige buijen als gisteren, die sommige zoo fel waren als orkanen; en alhoewel het heel stijf woei, zoo hebben wij echter (in den naam des Heeren) onderstaan met de chaloup en zes kloeke roeijers na land te varen, alzoo bij onze absentie, zoo wij met de kijker bekennen kunnen,
niemand aan het werk bleef, niettegenstaande drie onderstuurlieden tot oppassing van dien dagelijks aan land blijven, met order om het volk bij onze absentie gedurig aan 't werk te houden. Met de chaloup dan, ten einde voormeld, van boord gestoken zijnde, kwamen wij tegen den Leeuwenberg door de klippen met groot perykel en moeite nog aan land, vindende vier balkdeelen uit des Reygers boot, gisteren door nood gesmeten, op 't strand gespoeld, die wij dadelijk door agt mannen bij de tenten lieten brengen, en al het volk aan de loefwaarsche punten in het werk stellen, om van het stuiven door den harden wind in 't aangezicht, bevrijd te wezen; bleven door het continueerend harde weer dezen nagt aan land, alzoo niet één vaartuig van of na land konde varen.
- Wat beter weer; hebben de schepen bezig gebleven met het lossen van materialen en geschut, en aan land in het werk van de fortificatie, die, vermits de mulachtige aarde, in de regentijd met zoden zal moeten vastgemaakt worden, waartoe bekwaam land genoeg hebben uitgevonden, maar vermits de groote droogte nog te hard om te steken. Ruilden heden een koebeest en jonge kalf voor vier plaat koper en drie stukjes van een half vaâm koperdraad, waarvan de schepen na behoren is medegedeeld.
- 's Morgens schoon, lieflijk weder; lieten het versch vleesch voor het volk met groente opschaffen tot verversching, en gingen wij na de gedane Zondagsche Christelijke oefening, met alle de schuiten naar de Zoute-rivier uit visschen, daar wij met drie trekken tusschen 900 en 1000 schoone steenbrasems en eenige andere visschen en harders vingen, zijnde de steenbrasem door elkander stijf eene en eene halve voet groot op het minste.
komt alhier, Gode lof! salvo ten anker het schip de Salamander, met den E. Dirk Snoek en schipper Jan Eysbrands, op den 25 Januarij pass. van Batavia verzeylt, en 13 Febr. nevens de schepen Orangie, Konink David, Lastdrager en Breda, uit de Straat Sunda geraakt, waarover als Vice-Commandeur is de E. Dirk Ogel, verstaande uit de rapporten van gem. Snoek, dat door order van de Heeren Meesters bij de E. Heer Generaal en Raden van Indiën met de eerste schepen, (die wij niet beloopen hebben,) verscheide Indiasche zaden en planten, nevens eenige paarden, voor deze plaats van Batavia verzonden waren, daarvan wij nu destitut blijven1).
- Lieten onzen Raad 's morgens bijeen komen, waarbij verstaan is, dat men den E. Snoek en zijn schipper Jan Eysbrands zoude verzoeken eens
bij ons te komen, om hem te eommuniceeren de gerugten van Prins Robbert en de order daarop bij onze Heeren Meesters gegeven, alsmede de interdictie van
oorlogen tegens Europeesche natie buiten Portugal, welk verzoek in 't werk gesteld, en daarop den E. Snoek alleen aan boord gekomen is, die wij alles ten
dienste van de E. Compagnie gecommuniceerd hebben, om zich met den zijnen tot Compagnies voordeel na te mogen rigten.
- De brieven en andere papieren met onzen Raad gesloten zijnde, hebben wij de Opperhoofden van het schip den Salamander dezelve geintregeert, met recommandatie om aan de Ed. Heeren Bewindhebbers ter Kamer van Amsterdam te bestellen.
- 's Morgens met den dag, de wind slapjes Z.O. wezende, is de Salamander onder zeil gegaan, rakende den avond nog uit ons gezigt. - God Almagtig wil hen geluk en behouden reis verleenen, blijvende wijlieden aan land besig met werken, en de schepen met lossen van materialen, enz. - 's Avonds westelijke landwind, hebben vijf stukken kanon bij provisie in de ramparden gesteld, buiten de twee zeepuntjes, als ieder hoek twee, om langs het strand en ook over het land te flankeeren, en één regt in het midden, dwars over de gordijn na de Tafelberg flankeerende, alzoo hem de Opperkoopman Riebeek eerstdaags meent aan land te begeven in een loots, voor de loots van rauwe planken tegen schuinsche sparren opgesmeten.
- De wind uit het N.W. met tamelijke koelte en fraai zonneschijnweder, hebben heden de stukken van gisteren afgeblazen en met scherp geladen, en eenige pijpen daarvoor gesteld in maniere van schanskorven; zoo zijn wij ook heden een goed stuk de kloof van de Tafelberg, omtrent twee mijlen weegs, opgegaan, daar wij doorgaans het schoonste en vlakste klei-land en andere fraaije vruchtbare aarde vernamen, wijd en breed, als in eenige plaatsen van de wereld zoude kunnen gevonden worden; maar kan door ons weinig volk het honderdste deel niet beploegd of bebouwd worden, daarom niet vreemd ware eenige laboreuse Chinesen ten dien einde hier kwamen, met allerhande zaden en planten, alzoo vrij beter vrugt van te verwagten staat, als ooit van
Illa Formosa kan gehoopt worden, dewijl de grond hier veel vetter en verscheide moerassige plaatsen zijn.
- De wind westelijk met redelijk weer, zijn wij met al onze bagagie en familie na land gevaren, om aldaar te blijven in een loose planken tent, bij provisie wat rouw opgeslagen, opdat het werk wat beter mogte voortgaan. Dezen voorleden nacht had het volk aan land een groote zeekoe gevangen, wel zoo zwaar als twee gemeene vette ossen, hebbende een zeer afgrijslijk monstreus hoofd en verscheide scherpe uitstekende tanden, waarvan de langste ⅞ el lang waren, met een korte hals en lage beenen, de voeten bijna van fatsoen als rhinoceros voeten, edoch gekliefd in vier partijen. Was zeer fel en wreed, en hadden genoeg te doen om te bedwingen, onaangezien met eenige kogels agter de ooren door het hoofd getroffen was, wesende de huid wel een duim dik en zoo hard, dat op sommige plaatsen geen musketkogel door konde geschoten worden: des hem regt voor in het hoofd lieten dood schieten, en het volk eten, alzoo het van goeden smaak was, loopende de melk uit de uyeren.
- Schoon zonneschijn weder met Z.O. wind; hebben dezen morgen order gegeven, om de twee punten, daar gearbeid wordt, vooreerst niet hooger op te halen als vier voeten, dan daar bovenop bij provisie een borstwerk van zes voeten aan te leggen, om in der ijl geschut op de bolwerken te brengen, en dan voorts het fortjen rondsom met een borstweer van gelijke hoogte en breedte te besluiten en aan een te hegten, om daarna van tijd tot tijd het werk voorts na zijn' eisch te volbrengen, en vooreerst
maar voor aanval [een] weinig besloten te wezen, waartoe de Schipper Jan Jansen Hoogsaet alle morgen vroeg aan land komende, zijn volk fraay aanpressende, zijnde de timmerlieden vast besig, om de houtwerken tot de woningen en pakhuizen etc. te prepareeren.
- Op den middag gingen eens agter de bil van den Leeuwenberg langs de duinen om, daar wij tusschen het gebergte en de gem. duinen, wel een paar mijlen weegs lang en omtrent een mijl breed, de schoonste aarde vonden om te bezaaijen en de beesten te weiden die men zoude kunnen wenschen, komende den Leeuwenberg van de andere zijde aan den zeekant bij 't hoofd over wandelen, dewelke in zijn opgang dor en steenachtig is; maar even weder in de Tafelbaai omtrent de laagte komende, vonden weder de schoonste kleigronden van de wereld, welke van verscheide spruiten in den regentijd bevochtigd worden, zijnde nu gantsch droog, en de aarde, vermits den droogen tijd, vrij hard; maar, na de diepe sporen van het vee, merken wij, dat het in 't natte moisson week genoeg valt en bekwaam zal wezen te cultiveren, als er maar volk genoeg toe ware, daar wij eenige getrouwe Chinesen en andere vrije Mardijkers of ook wel Nederlanders toe vereischen, en onder zekere conditie vergund zoude kunnen worden eenige partijen lands te beslaan. Heden zagen ook verscheide walvisschen in de baai, maar kunnen, vermits nog open leggen en met de fortificatie etc. de handen vol hebben, niet aan het vangen beginnen, bovendien zijn wij ook met niet meer dan twee Biscaysche sloepjes voorzien, die niet bestand zijn om een walvisch mede te vangen: des wel te wenschen ware, om van Batavia met nog een paar, van ligte kiaten planken gemaakt, konden geaccommodeerd worden, alzoo die uit Holland te ontbieden, nog te lang aanloopen zal.
- Des Zondags Christelijke vermaning door den Ziekentrooster gedaan wesende, zijn wij met de Schippers Jan Hoogsaet en Turpher, nevens eenige gearmeerde soldaten, stuk weegs over den rug naar de zuidzijde van den Tafelberg gegaan, bevindende, van ons fortjen af tot aan de Zoute-rivier, en ook in het hangen van den berg, zeer schoone wijde en breede vlakte van uitermate fraaije tuinaarde en kleigronden; item agter bezuiden gem. berg zoo vele vlakte als dwars over van het eene gebergte tot 't ander, en van het zeestrand der Tafelbaai tot het zeestrand bij de kleine tafel agter den grooten Tafelberg leggende. Zoude kunnen in een' gantschen dag regt aan begaan worden, alzoo na onze gissing wel omtrent 10 mijlen wijd en breed was, met de schoonste versche rivieren doorloopende, als men zoude willen wenschen, al waren er bij duizende Chinesen of andere bouwlieden, zouden 't het tiende gedeelte van het land niet kunnen beslaan of beploegen, en is ook zeer bekwaam en vet, dat er geen Formosa, dat ik gezien heb, nog Nieuw Nederland, daar ik van hooren zeggen heb, bij te passe komt.
- Hebben dezen morgen op de zuiderpunt eene provisioneele borstwering van 6 voeten breed afgestoken; item, in de plaats van de gordijnen, daar tot nog toe niet aan begonnen is, op dito breedte mede zoodanige borstwering beginnen te maken, om, als voorzeid, ons in dezelve voor eerst te besluiten, en alzoo bij provisie voor eenen aanval wat beschut te wezen, zijnde de noorderpunt op zijne hoogte van 4 voeten dezen dag nog niet geraakt, vermits de hardigheid der aarde, die uit de gracht aldaar gegraven wordt. Ondertusschen wierd vast de kelder van het woon- en pakhuis gegraven, mitsgaders door de timmerlieden met alle mogelijke vlijt gereed gemaakt de
daartoe vereischende houtwerken. Item, bij den tuinier ons uit vaderland medegegeven eenige bakjens aarde om voor eerst tot provisie wat te bezaaijen, hetwelk voor als nog weinig beschieten zal, vermits ons volk te noodig hebben aan den arbeid van de fortificatie; edoch latende ons weinig aan gelegen, vermits de winter en de drooge tijd; maar zoo haast wij ons in eene loose borstwering besloten hebben, en de vogtige tijd begint aan te komen, zullen er met wat meerder magt aan vallen, alhoewel het duizendste deel der bekwame aarde en de valleijen door dit weinig volk niet beploegd of bezaaid kan worden, en eene menigte van Chinezen of andere laboreuse menschen of huisgezinnen wel toe dienden hier te komen, die hier met er tijd de kost genoeg zullen krijgen. 's Avonds betrok de lucht vrij wat, doch zonder regen; wij vernemen ook geene inwooners uit het land van Saldinia, of ergens anders, als somtijds 4 à 5 van de Strandloopers, die niets anders als magere ligchamen en hongerige buiken mede brengen, die wij met wat gort en brood, en somwijlen een dronk wijn opvullen, waarom ons ook wat meer rijst noodig wezen zal, item arak om haar en andere met er tijd uit het land komende, somtijds mede te vereeren, en te beter tot ons genoegen te maken.
- Hebben wij, met Schipper Hoogsaet, in de gegraven kelder den eersten steen gelegd van de muurtjens, daar de steilen van het pak- en woonhuis op zullen gesteld worden, wezende de arbeiders vast bezig met de gordijn te beginnen aan te leggen, van de noordkant, die heden ook op 4 voeten hoogte massief geraakt is.
ondertusschen bezig houdende met zijn tweën, om wat moes en andere kruiden te zaaijen, tot eene proeve vooreerst, en allengskens eenig bekwaam land digt aan de grachten rondom de fortificatie om te spitten, daar hem wat meerder hulp van volk toe zullen geven. als wat beter uit den noodigen arbeid missen mogen.
's morgens omtrent 8 uren wederom kwamen, hebbende den Tafelberg, de Kloof tusschen den Leeuwenberg overgegaan zijnde, heel agter buiten om gewandeld, tot omtrent 6 mijlen het land in, daar zij eene groote schoone bosch hebben vernomen van groote, hooge en regt op wassende boomen, mitsgaders eene menigte van harten, steenbokken en ander wild, daaronder ook cevetkatten, die hier apparent heel abundant zijn, alzoo onder deze Strandloopers eenige teekens daarvan om den hals dragen, en misschien als die van Saldinia ons hier met hare beesten in den groeizamen tijd komen bezoeken, dat onder dezelve wel meer zal vernomen worden. Altoos dat er is, gaat vast, maar hoe abundant zal de tijd moeten leeren, en als men lieden van kennis had, om de katten het cevet af te nemen, zoude men zelfs voor de Compagnie kunnen cevetkatten houden, die de inwoners ons met teekenen beduiden, dat zij ze met strikken vangen, als wanneer daar cevet zoude af te handelen wezen.
Den 7 dito. - Komen tegens den avond hier ter reede de schepen Walvisch en Oliphant, den 3 Januarij uit Texel gezeild, en onder wegen St. Vincent aangeweest, door nood van ziekte onder het volk, daar er de Walvisch 45 en de Oliphant 85 van verloren heeft, en alle beide hunne groote stengen van boven neder
gezeild, zijnde tegenwoordig nog vol zieken, en de Walvisch dapper lek. Het schip de Provincie, uit Zeeland gezeild, was bij haar geweest en aan de Kanarische Eilanden van hen gesteken, zoo zij meenden, na Teneriffa, om aldaar eenige vrouwen, door hun haastig vertrek op het schip blijven staan, aan andere schepen over te geven. Hetzelve begon alstoen mede vele zieken te krijgen, en daarom van resolutie veranderd om de Sarliones aan te doen, zulks te bedugten is ook eene penibele reis zullen hebben, doch willen hopen God Almagtig het verzien zal.
- Hebben zich de opperhoofden van gem. schepen aan land wat komen verluchten en ons werk bespeculeerd, mitsgaders doende geweest met water en groente te halen, om haar volk te ververschen, alzoo tot dato nog geen inwoonder met eenig vee uit het land vernemen, zijnde deze strandloopers niet anders voorzien als met magere hongerige buiken, daar zij dagelijks brood en andere kost toe bedelen om op te vullen, gelijk bij ons zulks aan haar ook al veeltijds gegeven wordt, om hen te beter tot ons te gewennen en met er tijd ons profijt voor de Ed. Compagnie uit te trekken, zoo veel doenlijk zijn zal.
- Is de Opperkoopman Riebeek naar het schip den Drommedaris gevaren, daar den breeden Raad heeft doen bijeenkomen, bij welke goedgevonden is, vermits het werk hier aan land aan de fortificatie met de weinige lieden van den Drommedaris en Reyger in den arbeid zijnde, wat sober voortgaat, en de schepen Walvisch en Oliphant met vele zieken beladen, en daarvan eenige aan land gebragt zijn om te reconvalesceren, dat men van dezelve hier zal laten verblijven 50 koppen, om, na bekomene gezondheid, mede aan de werken te helpen arbeiden, en gemelde schepen van dezelve wat te ontlasten, om met de eerste gele-
genheid voorts na Batavia te laten nakomen, namelijk van den Walvisch 30 en van den Oliphant 20, nevens victualie voor drie maanden, onder behoorlijke recepisse, als wijders bij de resolutie van dato dezer kan beoogd worden. Op dato dezer wierd een Ottento bij onzen barbier gebragt, die zeer zwaar gekwetst was, na dat wij uit hem verstonden, tegen die van Saldinia doende geweest en twee dooden gehad hebben.
- Is alhier in het nog ongedekte stuk van het huis, binnen in het plein van het ongemaakte fortjen staande, door Dominé Boukerius, Predikant per den Walvisch hier gekomen, de eerste predikatie gedaan en het Heilig Avondmaal des Heeren gecelebreerd. De Almogende wil Zijnen genadigen zegen over ons voor het te doene werk verleenen. Amen.
- Dezen nagt is een jongen van het Oliphants volk, hier aan land bescheiden, overleden, genaamd Jochem Andriesz. Dezen middag hebben het fort den naam gegeven van de Goede Hoop na de order van onze Heeren Meesters, en de bolwerken of punten, na de schepen hier ter reede leggende, als namelijk:
De Zuidpunt genaamd den Drommedaris.
De Oostpunt, Walvisch.
De Westpunt, Oliphant.
De Noordpunt, Reyger.
Hebbende het jagtjen van zich zelf den naam van het gantsche fort de Goede Hoop; waarmede de schepen Walvisch en Oliphant hun afscheid hebben genomen, en onze adviesen aan de Ed. Heeren Generaal en Raden van India gesloten en hen ter hand gesteld.
als wanneer het schip de Walvisch egter evenwel onder zeil ging, en de Oliphant nog een boot water haalde, latende wij hier aan land op de twee punten Drommedaris en Reyger, vier voeten hoog zijnde, het geschut halen, en gaven 's avonds, de wind afgenomen zijnde, de fluit den Reyger mede zijne depeche, om met den Oliphant te gelijk te vertrekken. De Almogende wil hen behouden laten voren. Amen.
- 's Morgens schoon lieflijk weêr met kleine labber Z.O. koelte, zijn de schepen Oliphant, de fluit den Reyger mede onder zeil gegaan, om hunne reis naar Batavia te vervorderen, daar hem den Almogenden salvo wil geleiden. Heden lieten alle de broodvaten van beneden boven in het woonhuis brengen, om plaats te maken voor de zware goederen, in den Drommedaris wezende, zijnde de zoldering vermits onze ligte houtwerken zoo zwak, dat dezelve kwalijk genoeg de broodvaten dragen kunnen, doch hebben 't echter onderstaan, om plaats voor des Drommedaris goed te hebben, ten einde morgen mede aan het lossen te komen, en te eerder vaardig mogte worden, om mede na Batavia te vertrekken, gevende ten dien einde dezen avond nog last aan den Schipper, dat morgen vroeg zijn wijn en andere zware vaten aan land zoude zenden.
- Zijn wij eens gegaan na het wrak van het verongelukte schip Haarlem, dat daar diep in het zand nog zagen liggen. Niet mogelijk om het geschut daar uit te krijgen, als zijnde al te diep in het zand geweld, leggende verscheide schoone balken alsmede twee masten op het strand gespoeld, die ons dapper zouden te pas komen, als wij ze hier bij het fort hadden, maar te moeijelijk vallen om te halen, alzoo zij vrij wat ver en zwaar zijn, waartoe men karren zoude moeten maken, gelijk wij ook voor-
nemens zijn, doch principaallijk om het zout, daaromtrent heden in redelijke abundantie bevonden, te halen, zulks dat wij van Batavia of Holland niet nodig zouden hebben, zout te ontbieden. Op dato zijn twee personen van den Oliphant door ziekte overleden, genaamd Swens Erasmus en Jacob Martens.
- 's Morgens vuil, hard, stormig weder, vermengd met harde hagelbuijen uit het Z.W. zulks dat wij genoeg te doen hadden ons goed in de opgeslagene woning droog te houden, ten welken einde daar nog een zeil over halen moesten, als kunnende met de planken zoo digt niet maken, dat wij het brood konden droog houden.
- Onze brieven en andere papieren aan de Ed. Heeren Generaal en Raden van India gereed en vaardig, mitsgaders het schip den Drommedaris van alle goederen voor de Kaap gelost en tegenswoordig zeilree leggende, hebben den Schipper David Konink heden zijne depeche gegeven en voorm. onze brieven overgeleverd, om met den eersten goeden wind, in den naam des Heeren, onder zeil te gaan, en zijne reis naar Batavia te vervolgen, waartoe hem de Almogende zijnen heiligen geleide en zegen wil verlenen. Amen.
Het volk begint hier aan land vrij in te vallen zoo van het roode melizoen als andere ziekte en koortsen, apparent van koude en ongemak hier lijdende, vermits de sobere woning, daar wij ons zelve voor eerst mede nog in behelpen, maar hopen haast beter klaar te maken, hebbende tot dato nog maar bezig geweest om onze victualien en andere drooge waren onder dak te krijgen; leggende het spek en vleesch nog op het bloote veld, onder losse planken voor de zon maar wat bedekt. Op dato is overleden een matroos genaamd Tjerk Klaasz., bescheiden geweest op den Drommedaris,
welke eenige dagen aan het rood melizoen gelegen heeft; en komt op den middag hier ter rheede het schip 't Hof van Zeeland, met Schipper Jan Overstraaten, den laatsten Januarij uit Zeeland gezeild en onder wegen nergens aangeweest; hebbende 37 doden gehad, waaronder den Onderkoopman Zacharias Nansius, en ook twee andere van desperatie buiten boord gesprongen, zijnde voorts de rest van zijn volk meest frisch en gezond.
- 's Morgens heel schoon helder weer met weinig variabele koelte, hebben den Drommedaris met onze twee chaloupen en zijn boot na buiten geboegseerd, op hoop om daar beter slagboegen van wind te bekomen. Dezen voorleden nagt is onze oppertimmerman Hendrik Jansen, van Utrecht, aan het rood melizoen overleden, en de opperbarbier van die ziekte mede ingevallen. Het schijnt God Almagtig ons met die plagen hier dapper komt bezoeken, 't zedert zes à zeven dagen wel 7 à 8 aan die ziekte geraakt zijn. Zoo is ook mede een soldaat van het schip 't Hof van Zeeland dezen nagt overleden en heden ter aarde gebragt.
- Waren die van het Hof van Zeeland nog bezig met water halen, en is onze onderbarbier en constabel mede heel ziek geworden. Tegen den avond begon 't wat hard te waaijen uit het N.W. en alzoo ons de opperhoofden van voormeld schip adverteerden, dat gereed waren om met den eersten goeden wind onder zeil te gaan, zoo hebben hun depeche gegeven, en onze missive en annexe papieren aan den Ed. Heer Generaal en Raden van India geintregeerd. Op dato hebben weder een jonge zeekoe gevangen, wesende van vleesch en smaak even als een kalf, dies wij het volk hetzelve lieten eten.
stapel genaamd Albert Hendrik van koortzen overleden, welke ziekte, alsmede rode loop, langs hoe meer onder het volk toeneemt, dat ons vrij zwak in den arbeid maakt.
- Het weder op den middag een weinig opklarende met een zagt Z.O. koeltjen, heeft het Hof van Zeeland daarmede weder onderstaan anker te ligten en onder zeil te gaan, maar even zijn anker ophebbende, en nog naauwelijks gezwaaid zijnde, dede zein om hulp, des wij hem onze twee sloepjens gemand toe stuurden, die hem nog hielpen een werp wat opwaarts aanbrengen, alzoo wat laag vervallen was, en door onzer sloepen hulp weder hoog genoeg ten anker kwam.
- 's Morgens klaar met weinig koelte uit het N.O. is voorz. schip onder zeil gegaan en salvo buiten geraakt; de Almogende wil hem behouden tot Batavia laten arriveeren! De ziekte neemt hand over hand dagelijks meer en meer toe, zoo dat tegenswoordig van 116 koppen niet meer dan 60 tamelijk gezonden hebben om te arbeiden.
- Harde N.W. wind en veel regen; 's namiddags liep de wind geheel Z.W. met groote slagregens, waardoor wij dezen dag weinig of niet konden vorderen in onzen arbeid aan de fortificatien en de huizing, welke wij met de planken en de pressennings1) zoo digt niet konden maken, dat ons brood en andere drooge waren kunnen voor het nat worden en bederven bewaren. 's Avonds is des ziekentroosters vrouw van een zoon verlost, zijnde het eerste kind,
dat binnen het fort de Goede Hoop geboren is, zoo als wij den ziekentrooster eergisteren eerst eene plaats in het fort hadden gegeven, daar tot nog toe niemand anders als hij in woont, houdende wijlieden nog al te zamen huis in de tenten, buiten het fort voor de loods opgeslagen, maar hopen in de andere week meest al te zamen na binnen te trekken, en aldaar wat beter woonplaats te kiezen.
- Zijn dezen dag bezig geweest met biesen of riet te zaaijen, die wij hier in de duinen agter de bil van den Leeuwenberg abondant gevonden hebben, om onze huizingen mede te dekken, 't welk te hopen is wel succedeeren zal, alzoo het met planken en pressennings van oud zeildoek, zoo digt niet krijgen kunnen, dat ons brood en andere drooge waren ter degen droog mogen houden. Sedert drie à vier dagen herwaarts zijn wel 7 à 8 persoonen aan het roode melizoen en loop, als ook vehemente koortsen ingevallen, en leggen sommige op haar sterven. Zoo is ook mede gisteren en dezen dag onze hovenier, met zijne vrouw en oudste zoon, aan dezelfde kwaal geraakt, zulks dat bijna al ons werk zoodanig daardoor begint te vertragen, dat het gelijkt als stil te staan, altoos vermits de debiliteit van de menschen weinig voortgang te nemen; en zoo God Almagtig met zijne slaande hand niet gelieft op te houden, staat het geschapen, dat wij een lang en sober werk maken zullen; doch willen hopen Zijne Almogenheid ons genadig wezen en zijne plagen van ons afweeren zal. Amen.
- Is gemelde Riebeek, nog wel te passe wezende, gegaan agter den Tafelberg, omtrent zes mijlen van hier, na eene zeer groote boschgasie, vol van groote, hooge, regte, zware, middelmatige en kleine boomen, bekwaam wezende om het grootste werk van te maken, dat men zoude willen wenschen, maar in zoo verre en moeijelijk te halen, dat het beter koop in Holland of Batavia gekogt, en van daar herwaarts gezonden kan worden, dan uit dit bosch te laten halen.
- Bleven vast bezig met omtrent schaars 50 tamelijk gezonde menschen in den arbeid, leggende de rest meest ziek aan den rooden loop, persing en zware koortzen, die zeer weinig deegs kunnen gedaan worden, anders als met wat wijn en eenige groenten, die van ons Hollandsch zaad ietwes begint voort te komen, alzoo tot dato, zedert onze arrivement alhier, nog niet meer als een koebeest met een kalf, en dat in het allereerste, van deze inwoners hebben kunnen bekomen: invoege het hier tegenswoordig een arm en ellendig leven wordt, vermits de een voor en de andere na dagelijks aan gemelde ziekte invalt, en vele daarvan komen te sterven; en zoo ons de Almogende niet weder van die plagen gelieft te verlossen, zien wij weinig kans om ons werk te volvoeren, alzoo ons veel volk afsterft, en de rest meest ziek in de kooijen blijft leggen.
- Vuil, nat, mottig weder, met vrij harde N.W. winden en groote slagregens, waardoor de gantsche dag weder passeerde, zonder eenig werk te kunnen vorderen zoo wel in het een als in het ander; en alhoewel wij riet gevonden hebben om te dekken, zoo mankeeren ons nu persoonen, die zulks met kennis weten te doen, alzoo het geen reeds gedekt is, ten aanzien van de slordigheid en onbe-
kwaamheid, weder moet afgenomen worden; zittende ondertusschen vast in zeer digte tenten, daar wij met den anderen groote koude en ongemak lijden, hetwelk geene kleine oorzaak tot de continueerende en nog dagelijks toenemende ziekte is, en kan, vermits den gedurigen regen en de zwakheid des volks, geen meerder werk gevorderd worden, tot groot verdriet van ieder een.
- 's Avonds hadden vele harde donderslagen en bliksem met zeer zware stormwinden, die somtijds zoo vehement hard aankwamen, dat wij meenden alles ter neder zoude waaijen dat er was, waardoor ook al onze jonge kool en vele andere Hollandsche moeskruiden en vrugten, die zeer fraai voortkwamen, aan stuk geslagen en in den grond bedorven zijn.
- Weer en wind als voren, doch met minder regen, zoo dat wij nog eenigzints wat doen konden met de gezonden die wij hebben, daar er zedert twee dagen herwaarts al weder 8 of 10 van aan de loop en andere ziekte waren ingevallen, en derhalven hoe langer hoe zwakker worden. Hebben ook van daag, op eene andere manier, door een ander persoon laten dekken met het riet voor dezen gesneden, het welk zoo fraai en bekwaam tot dek is, dat het jammer zoude zijn, dat men niemand onder het volk had kunnen vinden, die kennis van rietdekken had; maar na het zich laat aanzien, zal het met dezen man wel gaan, doch wat langzaam, echter redelijk goed, altoos digter en beter als met planken en pressennings, die door het rietdekken vrij gespaard zullen kunnen worden, en ons tot andere nodigere zaken beter te pas komen, alzoo ons uit den Reiger vele houtwerken te kort geleverd zijn.
weder, vermengd met vele donder, bliksem en hagelbuijen uit het westen, waardoor in groote vrees waren, dat alles onder de voet zoude waaijen dat er was, en inzonderheid voor het jagt, alzoo de zee vrij hard de baai inrolde, en zoodanige holle deiningen maakte, dat het genoeg te doen had om af te reijen, leggende gestadig met de boorden bijna onder water te slingeren; en waren wij wel blijde dat den Drommedaris voor dato zoo vroeg hadden laten vertrekken, want tegenwoordig met dit weer kwalijk behouden ten anker zoude kunnen blijven leggen, maar groot perikel geloopen hebben om te vergaan met volk en al, vermits de groote stortingen der zeeën, vallende omtrent de plaats daar het schip hier ter rhede gelegen heeft. Door dit harde weer is ons gezaaide meest al te malen verdorven, en blijven met eenen ook vast belet het nodiger werk te vorderen; wordende de menschen mede van dag tot dag, door het lijdende ongemak, zieker en zwakker, zonder dat daartegen anders te doen is als te wachten naar het beter en bekwamer weer, daartoe patientie nemen moeten, met hoop dat het den Almogenden voorzien zal. Amen.
- In het opspitten van de aarde hebben onze tuiniers gevonden fraaije soorten van esparges, waarop wat nader onderzoek gedaan zijnde, het land overal vol gevonden hebben, wassende aan vele kanten in het wild, van zeer goeden smaak en fatsoen als in het Patria wezende, des wij dezelve laten verplanten en accommoderen, om mogelijk zijnde nog beter en weliger in het groeijen te maken. Behalven de klaverzuring, die men zeer gewoonlijk plag te vinden, hebben nog zekere andere soort van zuring
redelijk abondant gevonden, die de Hollandsche zuring zeer veel gelijkt, en veel beter en gezonder is als de klaverzuring. Het schijnt zich met dezen regen vele kruiden openbaren, en zal het met de Hollandsche vruchten, na het zich laat aanzien, tegen den aanstaanden goeden tijd mede wel gaan, zijnde nu nog bezig, nevens het werk aan de fortificatie, om wat aarde met vijf à zes man te prepareren tot bezaaijing van allerlei Patriasche zaden, tegens voorz. goeden tijd, alzoo hetgeen nu gezaaid is, dagelijks door den hagel en harde winden verpletterd, aan stuk geslagen en ten eenemaal bedorven wordt; doch zijn echter al zoo ver in het Hollandsche groen geraakt, dat wij dagelijks voor onze tafel en de zieken al kunnen genieten radijs, latou en stercors; daarbij gevonden hebbende esparges en Hollandsche zuring, kunnen ook somtijds al redelijk moes maken. Maar ons mankeeren beesten en schapen, daar die van Saldinia, vermits den kouden en onbekwamen tijd nog niet mede aankomen, hebbende deze Strandloopers, die dagelijks hier bij ons zijn, onder faveur van ons kanon wonen, zelf niet anders te eten als klipmosselen en groente van het land, en wanneer die van Saldinia komen, vlugten deze dadelijk weg, behalve een die wat gebroken Engelsch spreekt, die beloofd heeft te blijven, en ons bij die van Saldinia voor tolk te dienen; wat er af vallen zal, en of hij ons dienen zal kunnen, leert de tijd. 's Nachts heeft het den gantschen tijd al hard gewaaid uit het Z.O. hetwelk
- bleef continueren, zoodanig dat de schipper van het jagt met zijn boot niet konde aan land komen, onaangezien al vrij digt aan de wal, op 3 à 3½ vademen ten anker legt, met geschoten strengen en rhaas omlaag, wezende zeer koud maar droog weer, waardoor de arbeid nog tamelijk zijn gang konde
gaan. Op dato is weder een adelborst overleden, genaamd Bartel Jans Oijert.
- Item, en wat wonder dat niet alles onder de voet woei wat overeind stond, loopende het jagtjen mede perikel genoeg om van zijne ankers te spillen; derhalve geene schepen dezen tijd van het jaar hier dienen aan te komen, want kwalijk behouden ten anker zouden kunnen blijven leggen. Op den namiddag deed de schipper van het jagt zein om hulp, maar was onmogelijk, vermits de harde wind, hem met de sloepen bij te komen, en God de Heere gaf dat het weder op den avond wat begon te bedaren, als wanneer gemelde schipper aan land kwam, en uit hem verstonden, maar zein gedaan had, om visch, die gevangen had, van boord te laten halen; zulks hem recommandeerden na dezen, in zoodanige harde weder, niet meer om zoo geringe zaken te doen; want wij hier aan land denkende, dat in nood was, de sloepen mogten toezenden en het volk in perikel stellen om te vergaan, dat om zoo geringe zaken onnodig was, en dienthalven eene zware verantwoording voor hem zoude vallen.
- 's Middags in discours wezende met schipper Turpher van de walvischvangst, communiceerde ons dezelve, dat dagelijks vele visschen in de baai vernomen had, bijzonderlijk in deze maand, en zoo digt bij het schip, dat er wel op konde gesprongen worden uit het jagt. Zoo als wij van strand kwamen, zagen vele harders regt voor onze deur digt tegen het
strand zwemmen, des wij de zegen eens lieten trekken, die zoo vol kregen, dat er de kuil glad uit scheurde, en echter nog wel tien duizend stuks gevangen wierd, daar wij de Ottento wel twee duizend van mededeelden, en ingeval de zegen heel hadden kunnen op het land krijgen, zouden apparent meer als twintig duizend visschen in deze eene trek gevangen hebben. Het is hier dikwijls zoo gelegen, dat wij meer visch vangen dan wij begeeren. Het ware te wenschen, dat de koebeesten en schapen en ander vee mede zoo abundant konden bekomen, tot verfrissching en verkwikking van de zwaar arbeidende en ziekelijk leggende menschen, die haar nog al met oude kost, en somtijds wat visch, behelpen, en daarop hunnen zwaren arbeid doen moeten.
- Was de baai weder vol walvisschen. Het is jammer dat men niet aan het vangen mag vallen, doordien wij nog te veel ander nodiger werk onder handen hebben, en als wij al een visch vangen, zouden ook geen raad weten om de traan te bergen, vermits nog onvoorzien zijn van vaten en hoepels; maar ingevalle hadden materialen om traanbakken onder de aarde te maken, gelijk men in het vaderland doet, zoo zoude daarin kunnen bewaren, hetwelk ook veel beter is als in vaten. Zedert drie à vier dagen herwaarts zijn weder 7 à 8 persoonen aan zware koortzen ziek geworden, daaronder onze bottelier M. Metzelaar en een timmerman, dat al te minder spoed in het werk causeert.
- Heeft de Opperkoopman Riebeek, met een van de Biscaysche sloepjens, onderstaan naar het Robbeneiland te varen, bij zich hebbende den schipper van het jagt, om de inspectie te nemen van 's eilands situatie en gelegenheid, ten einde metter tijd aldaar robben mogten laten vangen; maar omtrent
hetzelve komende, vernamen zoodanige harde stortingen en aanbrandingen van de N.W. zeeën tegen het strand, daar men gemeenlijk aankomt, dat niet mogelijk was met eenig vaartuig de wal te naderen: des ten eersten resolveerden en ondernamen weder terug te keren, en toen omtrent halver wegen de baai en het Robbeneiland geavanceerd waren, kregen de wind vrij stijf van het Z.O. regt uit de baai, zoo dat in groote risico waren om van die harde wind in zee gedreven te worden, en nooit weder aan land of te regt te komen: want ingevalle de Z.O. wind, die de Almogende tot groot geluk deed ophouden, had blijven continueren, zouden, na allen oogenschijn, met de sloep in grooten nood van te vergaan geraakt hebben, vermits geene plaatsen aan het voorm. eiland door gem. aanbranding landelijk was; maar de Heer heeft het merkelijk voorzien, dat het stil wierd, en Gode lof! nog 's avonds behouden te huis kwamen, uit zoodanigen grooten perikel als hier ooit ter wereld uitgestaan is.
- Hebben weder een partij wortelzaad in de aarde, daartoe bereid, laten zaaijen. Deze 7 à 8 dagen droogte heeft de aarde weder zoo hard gemaakt, dat er met pieken en houweelen kwalijk in te komen is, hetwelk ons lang en verdrietig werk aan het uitgraven van de grachten en opvullen der punten en wallen maakt. Op dato is bij den Raad, de persoon Jan Blancq, op het jagt de Goede Hoop, over stoute moedwilligheid, tegen het Opperhoofd petulanter begaan, bij sententie gecondemneerd van de rhede te
vallen, en met 50 slagen gelaarsd te worden, als onder dato dezes bij het sententieboek largo kan nagezien worden.
- Heden is voorz. sententie gepronuntieerd en ter executie gesteld. Idem de persoon Gerrit Dirks van Essen, adelborst, hier aan land voor injurie begaan tegen den schipper van het jagt, gecondemneerd gelaarsd te worden met 400 slagen en den geheelen dag met zes musketten te schilderen, als verder bij sententie op dato dezer in het sententieboek kan gelezen worden. Voorleden nacht is Nicolaas Pieters Venlo, adelborst, van ziekte, dezer wereld, zonder testament te maken, komen te overlijden, en dezen avond ter aarde besteld.
- Heden vernemen de tarwe, op den 3 dezer gezaaid, al voor den dag komt; willen hopen nevens andere aardvruchten mede wel wassen zal, en zoo van de harde wind niet onder de voeten gewaaid wordt, is er na oogenschijn redelijke apparentie toe: zoo hebben mede twee fraaije akkers kool verplant, die ook redelijk tier schijnt te hebben.
- Hebben weder vele walvisschen in de baai vernomen. Op dato waren eens na de Zoeterivier gegaan, leggende omtrent 1½ mijl van hier, bezijden den Tafelberg, agter de Zouterivier, daar wij vele harten en elanden vernamen, gelijk voor dezen meer bespeurd hadden. Des resolveerden strikken te stellen, om te proberen of men hen daarmede zoude kunnen vangen, alzoo zij met roers, door hare wildigheid, niet te begaan zijn.
voorkomt, en reeds al fraaije wil van hebben, gelijk mede doen van asperges, die hier in het wild gevonden en verplant, mitsgaders alle dagen redelijk abondant op tafel hebbende; maar ons kervelzaad is bedorven, vermits niets voortkomen wil, insgelijks de peterselie, welke mede sober valt: edoch hopen in deze nieuwe aarde, die wij gevonden hebben, en vrij vetter schijnt als de vorige, onze gezaaide beter tieren zal, dat de Almogende geve! Wezende ondertusschen met allen doenlijken ijver mede bezig, om onze fortresse in defensie te brengen, alzoo ook onze huizinge bekwaam om in te wonen, alzoo ons tot dato nog onder tenten van oud zeildoek behelpen.
- Schoon zonneschijn weder, met variabele winden en groote branding van de zee tegen het strand, waaruit te presumeren is, dat zoo goeden weer in zee niet is, maar vrij hard moet waaijen of gewaaid hebben; waren ook verscheide walvisschen in de baai. Item dezen nacht zoo koud geweest, dat het natuurlijk ijs gevrozen had. Op dato hebben bij de Verscherivier, bezijden den Tafelberg, omtrent 1½ mijl van hier leggende, en veel vee van elanden, harten en steenbokken hen onthoudende, 16 stuks strikken van lijn van zessen, over diepe naauwe kuilen daartoe gegraven, zoodanig dat voorm. gedierte kwalijk de rivier kunnen naderen om te drinken, of moeten er met de voeten invallen, gelijk gebleken is, want
getrokken vonden, mitsgaders de rest onder het water gevloeid door den regen, welke dezen nacht met harde westelijke winden gevallen had. Op dato hebben een partij tarwe, garst en graauwe erten in de aarde gekregen, mitsgaders eenige andere zaden van moeskruiden, enz. Het is een lust om te zien, zoo schoon als de erten zonder schillen, groote boonen, radijs, salade, beet, spenagie, en meer andere tuinvruchten voortkomen, als ook de tarwe en rapen digt onder het fort gezaaid, insgelijks de kool, die wij omtrent een musketschoot van ons, tusschen beide de versche rivierkens, in zeer schoone vette aarde verplant hebben, daar wij met goeden ijver dapper aan bezig zijn te bereiden, om nog meer zaad in den grond en gevolgelijk, door Gods zegen, overvloedige vruchten te krijgen, tegen de aankomst van de retourschepen uit India, tot derzelver verversching.
- Begon 's morgens weder hard te waaijen uit het N.N.W., met vrij harde hagel en regenbuijen, en nam op den dag zoodanig toe, dat het jagt genoeg te doen had op de rhede om af te rijden, waarom ook al vrij voor ongeluk weder beducht, en niet min blijde waren, dat den Drommedaris, gelijk gezegd, zoo vroeg hadden laten vertrekken: want regt ter plaatse, daar de zware schepen in de baai ordinaris ten anker leggen, met deze N.W. winden zoodanige harde en zware stortingen vallen, dat het menschelijker wijze niet mogelijk is voor ankers of touwen af te staan, maar na apparentie tegen strand of klippen aanraken zouden moeten: want onze sloepen, leggende elk voor eene goede dregge, die zoo ligt zijn,
dreven tegen de strandwal aan, hebbende genoeg te doen, dat zij ze droog op het land krijgen konden, waarom het voor de schepen dees tijds jaars, de Kaap zonder perikel bezwaarlijk aan te doen is. Het was ook zoo hoog water, dat het tot tegen eenige van onze tenten en in de kombuizen aanvloeide, die nogtans al hoog op het strand in 't groene veld staan. 's Avonds is des opperchirurgijns huisvrouw overleden, zijnde hij even uit eene zware ziekte opgestaan, en nog een meisje van hem heel krank, mitsgaders ook nog vrij veel van onze soldaten en matrozen. Edoch beginnen sommige al wat te beteren; willen hopen God Almagtig met zijne slaande hand ophouden, en ons voortaan in gezondheid sparen zal. Amen. Tegen den nacht nam het harde weer meer en meer toe, met de grootste en zwaarste stortregens van de wereld, waardoor
- het weder wat bedaard zijnde, bevonden alle onzen zwaren arbeid, in den nieuwen tuin gedaan, ten eenenmale ondergeloopen, en al ons gezaaide verdronken en bedorven, tot zeer groot verdriet om aan te zien, alzoo wij verscheide akkertjens met tarwe, garst, erwten, kool en andere land- en tuinvruchten bezaaid en beplant hadden, van welke sommige al zoo schoon stonden, dat een vermaak was om te aanschouwen: want daar was zoo magtig water gevallen, dat het land op verscheide plaatsen stond gelijk een zee, alzoo het de rivieren niet al hadden kunnen verzwelgen, staande in ons pakhuis wel een half voet water, en het fort van binnen op verscheide plaatsen blank, mitsgaders de grachten rondom, daar nog anders geen drup water in komen kan, heel vol geregend, en een muur omtrent 2½ voet, van klei en zware steenen, sterk genoeg, 8 voeten hoog opgemaakt tot een kombuis, door de magtige en overtollige inwatering, mede gansch onder den voet gevallen; maar
de werken van onze fortificatie, met zoden opgehaald en nog dagelijks vlijtig aan bezig wezende, bleven, Gode lof, hecht en vast, en is ook te vertrouwen, dat wel vast blijven zullen, alzoo alle mogelijke vlijt daartoe contribueren, om goed werk te maken en te kunnen houden, waartoe ons de Almogende zijnen genadigen zegen wil verleenen. Amen. Het bleef dezen dag nog al vochtig weder, met redelijke doch niet zoo harde westelijke wind als gisteren, die des avonds nog al met regen aanhield tot omtrent in den nacht; toen begon het wederom uit het Z.W. nog veel harder te waaijen, als het ooit te voren gedaan had, met zware hagel en regen, hetwelk meestal het rest van onze schoon staande vruchten en moeskruiden, enz. onder den voet sloeg en bedorf.
- was het zoo veel te schoonder, helder warm zonneschijn weder, maar bitter koude nachten en heel stil. Zagen weder vele bavianen onder langs den voet van den Leeuwenberg weiden, zeer groot en verschrikkelijk om aan te zien. Voorleden nacht is weder een soldaat, genaamd Hendrik Ertman, overleden en op dato ter aarde gebragt. Het gebergte is deze 5 à 6 dagen op verscheide plaatzen ten eenemaal met sneeuw bedekt geworden, doch
land geprepareerd, en met erwten, rapen, wortelen en andere moeskruiden digt onder het fort op hooge mulle zandachtige aarde bezaaid, komende de rapen en wortelen, in het begin van deze maand op hetzelve oord mede gezaaid, zeer fraai voor den dag. Willen hopen God Almagtig met er tijd goede vruchten verleenen en dezelve voor het kwaad weder voortaan bewaren zal. Amen. Met deze voorledene kwade natte gure dagen zijn weder 8 à 10 persoonen ziek te kooi geraakt, dewelke geen ander of beter deeg kunnen doen, als met wat warme wijn, alzoo tot dato nog niet een beest of schaap hebben vernomen, maar hopen in de toekomende maand die van Saldinia met haar vee afkomen en alsdan van dezelve goede partij beesten handelen zullen mogen, zoo tot verversching van ons volk hier tegenwoordig aan land, als die haast met de schepen te verwachten staan, welke al tamelijk van groenten zullen kunnen voorzien, alzoo niettegenstaande het kwaad weder daartegen al redelijk wat in voorraad en bekwaam staat te wezen.
- Hebben wederom begonnen den verdronken en nu wederom opgedroogden tuin aan den bovenkant te omgraven en leggen met een sloot en dijkjen, om in toekomende overtollige afwatering hier door te lozen, alzoo gebleken is, dat de rivierkens hetzelve niet wel verzwelgen kunnen, maar het water bij groote regen aan alle kanten over het land loopt, en op deze manier bekwamelijk zal kunnen voorgekomen worden. Het was dezen dag meest mottig weer, met stille, variabele, edoch meest N.W. winden, en vele walvisschen in de baai.
reren, is de aarde zoo extraordinair schoon en vet, mitsgaders bekwaam om met sloten naar ons voornemen te omgraven, dat niet te twijfelen zij, of zal uitermate vruchtbaar vallen, gelijk al eenigzints blijkt bij het verdronken zaad, daarin voor dezen gezaaid, hetwelk op verscheide plaatsen, onaangezien door het water verstrooid is, in het wild opkomt, inzonderheid op eenige hoeken van bezaaid gewezene akkertjens nog staande is gebleven, als kool en graauwe erwten, welke zeer treffelijk uitlopen en nog al iets van behouden zal kunnen worden; mogen hopen onze rapen en wortelen, op de mulle zandige aarde onder het fort gezaaid, na hare tegenwoordige redelijk schijnende apparentie, mede wel voortkomen en volgroeijen zullen. Dezen voorleden nacht is weder een soldaat, genaamd Albert Elders, overleden en tegen den avond ter aarde besteld.
- Heden op den bil van den Leeuwenberg gegaan zijnde, vernamen en zagen aldaar klaarlijk de N.W. wind uit zee tegen de Z.O. wind in de baai aanwaaijen, de eene zoo sterk als de andere, zulks hieraan genoegzaam onze aanteekening van de winden in de baai niet overeen kunnen komen met de winden, die buiten de baai in zee waaijen, gelijk wij al dikmaals gepresumeerd hebben aan de groote deiningen, om dezen tijd des jaars doorgaans uit het N.W. de baai in vernemende.
- Waren wederom vele walvisschen in de baai, welke voorleden nacht digt aan het strand vrij groot geraas gemaakt hadden, met blazen en ander geweld dat zij daar bedreven. Op dato zijn wij met alle man van het strand met ter woon na binnen in het fort getrokken, daar wij al éénen, namelijk den Noorder punt, genaamd de Reyger, stijf 16 voeten hoog, in volkomen defensie hebben, en bezig zijn aan
den Zuidpunt en wat meer te doen staat. Heden is weder een soldaat, Daniel Le Plae geheten, overleden.
- Vele walvisschen in de baai; hebben bezijden den Tafelberg bij de Verscherivier, het land wat opgedroogd zijnde, weder ondernomen strikken te stellen, om herten en elanden, mogelijk zijnde, te vangen, ten welken einde daaromtrent een klein wachthuisjen van riet laten stellen, voor de personen, die er bij nacht en dag oppassen zouden.
- Schoon helder zonneschijn en stil warm weder, maar dappere koude nachten en morgenstonden. Heden hebben wederom wat garst en wortelen gezaaid in den nieuwen tuin, daar wij dapper aan arbeiden; de verdronken tarwe en erwten, met den laatsten grooten regen weggespoeld, komen op verscheide plaatsen fraai uit de aarde opspruiten: het is jammer dat het niet heeft mogen op zijne bescheidene plaats blijven, maar hopen nu beter bewaren zullen kunnen, met een dijkjen en sloot die er om leggen, hetgeen, vermits de vettigheid en bekwaamheid van den grond, wel meriteert, en te hopen is alles fraai voorkomen zal, gelijk aan het weggespoelde zaad reeds blijkt, dat, als gezegd, aan alle kanten gespoeld zijnde, in het veld heel willig opkomt. In den nanacht begon het wederom zeer hard te regenen en te waaijen uit het Westen, idem
dierhalve wat dangereus is om zoodanig een jagt hier altijd ter reede te leggen, hetwelk genoegzaam met een loots of dogboot of ander bekwaam vaartuig zoude kunnen afgezien en zoodanig jagt hier wel geëxcuseerd moge worden, zoodat na dezen geenen importante zaken bevinden noodig te hebben en emplooi te geven, waarvan ons de tijd ervaring werd geven. Dezen morgen kwam ons volk mede te huis van de Zoeterivier, op de wacht geweest hebbende om herten te vangen, met rapport dat het land door den regen zoo vol water was geworden, dat er geen kans was iets te krijgen, maar noodzakelijk gewacht wierd tot drooger tijd: des wij hen al te malen met derzelver gereedschappen lieten te huis komen.
- Zagen de herten en elanden omtrent even buiten kanonschoot van ons fort in redelijke abondantie weiden en lopen, maar zijn zoo wild, dat men ze niet genaken kan, hetwelk ons zeer verdrietig valt: want, wat middel dat wij aanwenden, kunnen gantsch niet opdoen, en hebben bovendien ook tot dato niets van de inwoonders bekomen, als op onze eerste arrivement, in het begin van April, een magere beest en kalf, gelijk voor dato meer gezegd; invoegen ons tot nog toe in den zwaren arbeid met de oude kost en somtijds wat Kaapsche groente en weinige Hollandsche radijs en salade moeten behelpen, tot er tijd dat ons God de Heer wat anders en meer zal gelieven te laten toekomen of brengen.
- Vele walvisschen in de baai. Op dato hebben den Raad doen beroepen, en gemerkt de schepen, in het voorjaar uit het Patria vertrokken, na onze hoop, nu van dag tot dag hier te wachten staan, geresolveerd, van dezelve staande haar verblijf te vorderen zoo veel volk in den arbeid, als zij, zonder belet van water halen, missen zullen kunnen, om
door zoodanige hulp, in passant voorbijgaan, derzelver Comp. fortresse alhier te eerder in defensie te brengen, en andere noodige zaken, tot voordeel van de Compagnie strekkende, mede bij der hand te mogen nemen, mitsgaders ook te vorderen eenige noodzakelijkheden en victualien, hier ten hoogsten noodig, en wat meer tot dienst van onze Heeren Meesters hier ter plaatse vereischende zij, als breder bij Resolutie van dato dezer.
- De erwten zonder schillen, in den voorleden maand gezaaid, beginnen al lustig te bloeijen, mitsgaders sommige fraaije peulen te zetten, zulks dat te hopen is, dezelve wel succedeeren zullen, gelijk mede de graauwe erwten, op verscheide akkertjens korteling gezaaid, fraai uitkomen; maar de groote boonen vallen hun bloesem altemalen af, apparent door den hagel en lange continueerende koude causeerende, des wij voornemens zijn, nu weder andere te planten, en zoo van tijd tot tijd het gantsche jaar door, telkens met weinig in verscheide maanden van alle vruchten te probeeren, om ten laatsten experientie van de bekwaamste tijden te krijgen.
leden, genaamd Jan Jansen, van Swartsluis, van den rooden loop, daar er nog eenige van in de kooi leggen en dagelijks beginnen in te vallen, apparent van de groente, die men hier gebruiken moet tot verversching, in plaats van versch vleesch, dat hier nog niet te krijgen is; ons dierhalve nog behelpen moeten met de oude kost.
- Hebben weer wat erwten zonder schillen, Turksche boonen, anijs, vencol en alsem gezaaid, mitsgaders eenige mispel- en kwe-korlen op de kanten van de gravende sloten geplant; en als het wat warmer begint te worden, zijn voornemens, om ook wat Spaansche limoenen en appelkorlen te planten, die wij mede uit het patria gebragt hebben. Hebben ook voor dato op verscheide plaatsen en tijden veel suikerwortel en mostaardzaad gezaaid, dat niet voortkomen wil: daarom gissen, dat de bederving van het zaad, gelijk van de kervel en ajuin, voor dezen gezaaid, de oorzaak is. Dewijl onze stokvisch op geraakt is, hebben goedgevonden voortaan versche visch te vangen, en die in plaats van stokvisch te schaffen, om het driemaal schaffen daags, zoo lang deze zware arbeid continueert, te onderhouden, ten welken einde gister uit visschen wezende, weder 400 groote steenbrazems en omtrent 2000 harders gevangen en ingezouten hebben; het ware te wenschen, dat de koebeesten en schapen mede zoo abundant bekomelijk waren, alzoo het versch vleesch wat meer hart als de visch aan het volk geven zoude; edoch willen hopen, dat die van Saldinia met den aankomenden zomertijd haast opdonderen en genegen wezen zullen met ons te handelen, tegen welken tijd wij ook al redelijk in defensie hopen te zijn. De garst en tarwe op den 10 dezer in den niewen tuin gezaaid, begint al fraai voor den dag te komen.
- Heden hebben voor de derde maal twintig stuks rapen geplukt en gegeten, die wij op onze eerste aankomen in een klein akkertjen tot preuve gezaaid hadden, en bevinden dezelve zeer delikaat, en immers zoo goed als in het Vaderland te wezen, waarvan ook gele wortelen; wij hopen tegen de aankomst der retourvloot uit Indië vrij wat rijpende in voorraad te hebben, alzoo dezelve op eenige akkertjens wel fraai staan en wassen, en nog dagelijks meer en meer land gereed krijgende zullen zaaijen. Hebben ook van daag een jonge hart, door den hond gevangen, zijnde nog een zogeling, en van smaak als een jonge zuiglam.
- Begon de wind noordelijk te lopen met zeer zware regen- en hagelbuijen, waardoor het gansche land weder genoegzaam blank als een zee stond, en ten ware wij een sloot hadden gegraven en een kadijkjen gelegd om den nieuwen tuin, dezelve zoude weder ondergelopen hebben en al het gezaaide bedorven geweest, dat nu door dat middel is behouden gebleven.
- Hebben de eerste peulen zonder schillen beginnen te plukken, en al redelijk gele wortelen, omtrent een pink dik, gegeten, die wij een weinig tot preuve op onze eerste aankomst gezaaid hebben; staande diegenen, welken in dezen en den voorleden maand in de aarde zijn gebragt, mede heel fraai, als ook de rapen, kool, tarwe, garst en graauwe erwten. Op dato heeft de korporaal van de soldaten, Joost van der Laak, dronken zijnde, zich vrij stoutelijk verlopen met grove en vuile woorden te voeren en zich te opponeeren tegen den Opperkoopman Riebeek, waar over voor eerst in apprehensie is gesteld.
schone koppen zet of in het Vaderland was; maar de boonen schijnen heel bedorven te zijn, doch nemen echter preuve of zij zullen willen opkomen; de andijvie wast mede zoo fraai, dat een lust is om aan te zien, item ook de Roomsche of groote boonen; hebben al eenige gezaaid, maar door den harden regen al te malen bedorven, daar met de aankomende warmte wat nader preuve van zullen nemen.
- wat beter weer, en wind Z.W. zijnde, wederom onder zeil na voorz. eiland, daar des avonds op eenigen afstand van het land voor eene fraaije zandbaai, tusschen het vaste land, ten anker kwamen. Heden hebben wederom een akker met beet en een dito met beetwortelen gezaaid, die hier fraai voortkomen, zoo wij bemerken aan diegenen, welke voor dato gezaaid hebben.
- Komt het jagt wederom ter reede van het Robben eiland, medebrengende omtrent honderd zwarte vogels, Duikers genaamd, van goeden smaak; item weinige peguins, nevens omtrent drie duizend stuks duiker-eijeren, die al te malen aan het volk omdeelden, om hen eenigzins te dienen tot verversching of vernieuwing, komende niet kwalijk te pas, alzoo de stokvisch op is, en nu al eenige malen met de zegen weinig opgedaan hebben. De Schipper
van gem. jagt, Symon Turver, bragt ook mede een levendige jonge Zee-rob, en rapporteerde, dat dezelve daar maar tamelijk abundant waren en geen spek op het lijf hadden om traan af te branden; item ook, dat er geen versch water te bekomen was, maar peguins en zwarte duikers in groote menigte; doch alhoewel aan de medegebragte Zee-rob scheen, dat wegens het spek deszelfs rapport daarmede accordeerde, zoo heeft de Opperkoopman Riebeek, considereerende de menigte van traan, die jaarlijks uit Moskovië van de robben gehaald wordt, het daar niet bij willen laten, maar geresolveerd morgen in persoon met het jagt derwaarts te gaan, om zelfs alle gelegenheden van het een en ander te gaan onderzoeken, weshalve ten dien einde op
- een fraaije Z.W. wind zijnde, per voorz. jagt van hier na gem. eiland is onder zeil gegaan, mede nemende beide sloepen met eene partij balies en tobben, om eijeren, peguins en andere gevogelte voor het volk mede te brengen om te eten, alzoo de gort en erwten mede al smal beginnen te worden, en die van Saldinia nog met geene beesten verschijnen. 's Namiddags onder het Robben Eiland ten anker komende, gingen na land, en vonden alle de eijeren op de N. hoek door de meeuwen (dewijl de duikers van hunne nesten de vorige dagen door het jagtsvolk waren gejaagd) weggenomen en opgegeten, waarom na de Z. hoek gingen, daar wij het vol eijeren vonden, maar alzoo het laat op den avond wierd, namen maar omtrent 500 à 600 nevens 25 vogels mede na boord, latende zes man aan land.
als voren van de meeuwen ledig gemaakt, gelijk ons zelfs, mede aan land komende, bleek; zulks dat wij niets anders kunnende krijgen, omtrent 600 stuks peguins na onze vaartuigen dreven, die zich lieten voortdrijven of het schapen waren. Ondertusschen liet de E. van Riebeek zes robben dood slaan en villen, die daar in groote abundantie vonden, met vrij dik spek op het lijf en schone dikke vellen, zulks dat er niet alleen traan, maar ook goede vellen van te komen staat, apparent tot goed profijt van de Ed. Compagnie, gaande wijders het eiland rondom, en overal dwars over en weder kruisende, bevond het op vele plaatsen te wezen vrij zandachtig met kleine boschjes, ook op sommige plaatsen redelijk bewassen met gras en allerhande fraaije welriekende kruiden en bloemen; item aan verscheide oorden eenige straaltjens versch water uit den grond naar het strand en over de klippen in zee aflekkende, wel zoo veel dat men geene dorst behoefde te lijden, en als men putten begon te graven, zoude apparent wel meer kwantiteit gevonden hebben. Het woei dezen dag zoo hard uit het Z.O. dat zich gem. Riebeek des avonds niet vertrouwde met de sloep naar boord te varen, maar zond den Schipper met eenig volk na zijn jagt, alzoo maar drie man aan boord waren, blijvende zelfs in persoon nevens 15 à 16 man, 's nachts aan land, en
- het weder bedaard zijnde, is met alle de peguins na boord gevaren en onder zeil gegaan, komende tegen den avond wederom aan land in het fort de Goede Hoop, alwaar het den voorleden nacht zoo hard uit het Z.O. had gewaaid, als het ooit te voren gedaan heeft, waaraan te bespeuren is, dat het gemeenlijk in zee of een mijl à 26 van de wal nog al mooi weer is, als het hier al hard waait.
beek met zijne timmerlieden eens landwaarts in agter den Tafelberg heen gegaan, om te onderzoeken of er ook nabij eenige meer boschgagie als voorheen gevonden, mogte wezen, alzoo het timmerhout, uit vaderland bekomen, veel verbruikt is, en ook wat ligt valt om vaste woningen, enz. van te maken, vermits de harde valwinden uit het gebergte, waardoor somtijds schijnt alles te zullen onder den voet waaijen, wat er is, gelijk wij reeds aan de gemaakte woningen van het ligte hout vernemen, durvende onze zwaarste huizingen zonder stutten niet laten alleen staan. Des, als gezegd, na zwaarder hout is gaan uitzien, komende omtrent 1½ mijl van het fort agter in het hangen van sommige kloven van den Tafelberg, bevond daar zeer schone boschgagie, in welke duizende fraaije dikke en vrij lange regte boomen vonden, in soort bijna als beuken- en essenhout, maar vrij zwaar en wat moeijelijk om te halen, doch echter bij nood te krijgen, brengende twee fraaije stukken, omtrent 2 voeten in het rond dik, mede, om pen