terug  begin  verderprepost
[p. 74]

Hoofdstuk 2 Zuinigheid met vlijt:
de Vooroorlogse Generatie

 
Ze gaan naar huis,
 
zitten voor de buis,
 
gapen, slapen, gapen,
 
betoverd door het ding
 
door voorlichting vergeven
 
staren heel hun leven
 
naar hun kast
 
en al hun last
 
wordt getorst door het ding
 
hun problemen worden besproken
 
op de buis, bij 't roken van een sigaar
 
staren ze met elkaar
 
ernaar.
 
 
 
(ingezonden brief in Hitweek, 26 jan. 1967)

1 Crisis en oorlog als vormende ervaringen

Spaarzaamheid als overlevingsstrategie

De Vooroorlogse Generatie is geboren tussen ongeveer 1910 en 1929.1 Volgens de socioloog Becker heeft de economische crisis van de jaren dertig deze generatie afkerig gemaakt van sociale onrust, oproer, chaos en anarchie. Tevredenheid, gezagsgetrouwheid en arbeidzaamheid zijn volgens deze auteur de onderscheidende waarden van de Vooroorlogse Generatie.2

Alhoewel de invloed van crisis en oorlog op zoiets omvangrijks als een generatie zich alleen op een impressionistische wijze laat schetsen, is het goed hier toch een paar cijfermatige gegevens te geven.3 Op het hoogtepunt van de crisis, dat wil zeggen in de winter van 1936-1937,

[p. 75]

waren er ruim een half miljoen geregistreerde werklozen. Historici hebben uitgerekend dat één op de vier mannen in de jaren dertig korter of langer werkloos is geweest. Nadere specificering levert op dat dat percentage voor geschoolde arbeiders en middenstanders één op drie en voor geoefende en ongeschoolde arbeiders één op twee was. Ongeveer een kwart van alle arbeiders is langer dan een jaar werkloos geweest en tienduizenden zaten van het begin van de crisis in 1929 tot het begin van de Tweede Wereldoorlog zonder werk. Bijna de helft van alle ingeschrevenen werd niet op een of andere manier door de overheid geholpen; 42,8 procent zat in een steunregeling of in de werkverschaffing en slechts 11,2 procent kreeg een uitkering van een werkloosheidsverzekering (afgesloten via een vakbond), die meestal niet erg lang (zo'n twee maanden) duurde.

Het is daarom niet overdreven om te zeggen dat de invloed van de economische crisis in Nederland vérstrekkend is geweest en dat zij het leven van zeer velen diepgaand beroerd moet hebben. In de literatuur is wel gesproken over het leger van werklozen als een ‘vijfde stand’, onder aan de samenleving bengelend.4 Die uitdrukking is in zoverre enigszins misleidend dat de werklozen niet, zoals een stand, een gevoel van onderlinge verbondenheid vertoonden, integendeel; eenmaal werkloos geworden, was men op zichzelf teruggeworpen. Deze ‘individualisering’ van het leed verklaart ook het feit dat de crisis nauwelijks sociale of politieke onrust van betekenis heeft veroorzaakt.

Een interviewproject dat aan het einde van de jaren zeventig aan de Universiteit van Amsterdam uitgevoerd werd, verschaft enig inzicht in hoe individuele levens van mensen door de crisis geraakt werden, Menige respondent of geïnterviewde met een geboortejaar tussen ongeveer 1910 en 1929 herleidt zijn of haar zuinigheid en spaarzaamheid tot die crisisjaren. Een man, in 1918 in Amsterdam geboren, zegt: ‘Het was een krankzinnige tijd: er werd honger geleden en aan de andere kant had je mensen die het heel goed hadden. Die tegenstellingen waren toen enorm. Het is met geen pen te beschrijven, de armoede en de ellende die er toen was. We zijn er niet zo gemakkelijk door geworden. Je wilt alles bewaren en je koopt steeds het goedkoopste.’5 Een in 1909 geboren vrouw vertelt: ‘Die spaarzaamheid heb ik toen geleerd. Ik kan nòg geen geld uitgeven voor mezelf, of kleren die niet versleten zijn weggooien. Ik heb toen weken op volkomen lekke schoenen gelopen, omdat ik beslist voor iedereen een cadeautje met Sinterklaas wilde hebben. Ja, zo was het toen...’6 Een onderwijzer, geboren in 1910, her-

[p. 76]

innert zich: ‘Als ik terugdenk aan de dertiger jaren, denk ik het meest aan de fatale politiek van de Colijn-regering... die een gedeelte van je leven heeft bepaald, ook financieel. Door keihard werken en door spaarzaamheid zijn we er tenslotte bovenop gekomen, maar we dragen er nog de sporen van.’7 Een vrouw met als geboortejaar 1913 verwelkomde haast de oorlog na de ellende van de crisisjaren: ‘Toen kwam godzijdank de oorlog. Voor mij. Want toen werden vrouwen gevraagd bij de ptt. Ik heb zo'n vreselijke schrik voor armoe, zo'n vreselijke schrik. Dag en nacht heb ik gewerkt om me op te werken, omdat ik mijn kinderen wat wilde meegeven met hun trouwen.’ 8 En hoe diepgaand de crisiservaring een persoonlijkheid kon (mis)vormen vertelt een in 1913 geboren man: ‘In mijn latere leven is die periode van werkloosheid altijd een verschrikkelijk iets geweest. Vooral een rem op het vrijuit solliciteren, het vrijuit aanvaarden, reclameren in betrekkingen. Ik heb altijd een bepaalde angst gehad, dat je opnieuw in zo'n periode terecht zou komen. Je grijpt wat je kan krijgen, je bent niet vrij meer. Je bent gebonden aan dat verleden. Je bent doodgewoon een slachtoffer geworden van dat verleden, want je dùrft geen eisen meer te stellen, je dùrft niet meer te zeggen: dat verdom ik, dat doe ik niet. Ik voel me niet vrij, ik ben op mijn hoede, voel vaak een zeker wantrouwen.’9 Een Amsterdamse kapper (1909) toont zich minder geslagen, maar is in feite net zo getraumatiseerd door de armoede en werkloosheid van de jaren dertig: ‘Als ik dat ooit nog eens mee moet maken, dan gooi ik mijn pet in het water, ga eronder zitten en verzuip. Ik neem die armoede nooit meer. Ik ga stelen. Het is misschien niet netjes, maar het was ook niet netjes van een groepering om die mensen zo te laten lopen.’10

De doorwerking van de crisiservaring zou men ook kunnen afleiden uit enige naoorlogse nipo-enquêtegegevens. Gesteld voor de keuze tussen een zeer goed betaalde baan zonder vastigheid en een vaste baan met een lager inkomen, verkoos in 1949 79 procent het laatste; 70 procent verwachtte nog in het begin van 1950 grote tot tamelijk grote werkloosheid.11

Voor altijd, altijd geschonden

Over de nawerking van de Tweede Wereldoorlog - die uiteraard een nog groter numeriek bereik had dan de economische crisis - is weliswaar veel geschreven, maar dan vooral vanuit het slachtofferperspec-

[p. 77]

tief en de tegenstelling tussen collaboratie en verzet.12 Het alledaagse gezichtspunt van de ooggetuige en zijn verwerking van de Duitse inval, de daarop volgende militaire bezetting en ten slotte de bevrijding van een berooid land met een ondervoede bevolking, dit alles is tot nog toe veel minder aan bod gekomen in de geschiedschrijving. Voor een reconstructie van het ooggetuigenperspectief zijn ego-documenten zoals dagboeken, maar ook romans van belang. Uit een bundeling van oorlogsdagboekfragmenten is het relaas van een achttienjarige gymnasiast veelzeggend. Een week na de Duitse inval schrijft hij geëmotioneerd in zijn dagboek: ‘Wat moet het vreselijk zijn, lang oorlog te hebben. Deze vijf dagen (stel dat het daarbij blijft) drukken al een stempel op mijn hele leven. Ach God, als ik het mocht beslissen, zou ik zeggen: laat het Leven maar ophouden. Alles is zo geschonden, het kan niet meer goed worden. [...] God, het leven zoú zo mooi kunnen zijn - maar het is voor altijd, altijd geschonden.’13

Vanuit een totaal andere appreciate, maar evenzeer diep insnijdend is de manier waarop de gymnasiast in Gerard Reve's - dan nog Simon van het Reve geheten - debuut De ondergang van de familie Boslowitz (1946) het begin van de oorlog ervaart:

 

‘Het is oorlog’, zei mijn moeder, ‘het is al op de radio geweest’. ‘Wat zeiden ze dan precies?’, vroeg ik. ‘Ja, dat kan ik allemaal niet navertellen, dan had je zelf maar moeten luisteren’, antwoordde ze. [...] De radio zweeg op dat ogenblik en ongeduldig wachtten we op het begin van de uitzending, om acht uur, Gebruik was, dat deze aangekondigd werd door gekraai van een haan. ‘Ik ben benieuwd, of ze vandaag gewoon kukeleku doen’, zei mijn vader, die uit de gang binnenkwam. Ik hoopte vurig, dat de geruchten, die door de buurt vlogen, alle juist waren. ‘Echt in de oorlog, prachtig’, zei ik zacht voor mezelf. De klok van de omroep begon dat lichte geruis te maken, dat de slagen aankondigt. Ze vielen na de zestien tonen voorspel, langzaam en helder. Daarop kraaide de haan. ‘Dat is een schandaal’, zei mijn vader. Ik schrok, want alles kon nu nog bedorven worden. Wellicht was hier het bewijs, dat in het geheel geen oorlog was uitgebroken. Gerust voelde ik me pas, toen de omroeper de overschrijding van de grenzen van Nederland, België en Luxemburg, door Duitse troepen, bekend maakte. Tevreden ging ik die morgen naar het gymnasium. [...] Op school heerste een plechtige stemming. Het gebouw zou als hospitaal gebruikt worden en de rector deed hiervan mededeling in de grote ge-

[p. 78]

hoorzaal. Hierna zongen allen het volkslied. Het feit, dat de school voorlopig gesloten werd, maakte de dag nog lichter, alsof alle dingen nieuw waren.14

 

De oorlog als absolute ervaring, misschien niet zo wereldschokkend als voor deze twee adolescenten, maar toch als een vormende belevenis in de haast letterlijke zin, dát moet voor zeer velen gegolden hebben. Een oorlogservaring die door juist haar ondeelbaarheid met latere generaties het meest onderscheidende kenmerk van de tussen 1940 en 1929 geboren mensen zou worden en hen tot de ‘Vooroorlogse Generatie’ zou stempelen.

Op een heel ander niveau dan dat van de alledaagse ooggetuigen, namelijk dat van de bestuurlijke en politieke elites, heeft de politicoloog H. Daalder gewezen op het conformisme en pragmatisme waarmee de bezetting de naoorlogse homines novi geïmpregneerd heeft. Vaststellend dat de meeste vooroorlogse politici (Drees, Romme, Oud, Schouten, Tilanus; alien overigens vóór 1910 geboren) na de oorlog gewoon terugkeerden in het parlement, signaleert Daalder ook een aantal jonge ambtenaren en bestuurders die na de oorlog omhoogkwamen. Deze nieuwe generatie - in feite behorend tot de Vooroorlogse Generatie - conformeerde zich als vanzelf aan het pragmatisme van de oudere generatie. De nieuwkomers verwierven een zeker vertrouwen in en zelfs trots op concrete vooruitgang en geloofden in de mogelijkheid van stapsgewijze verbetering van de samenleving. ‘Juist omdat men zelf had moeten ervaren dat institutionele en materiële zekerheden niet vanzelfsprekend waren, kon men zich gemakkelijk vereenzelvigen met datgene dat in de praktijk na 1945 bereikt werd,’ zo schrijft Daalder.15

 

Men zou de generatiesamenhang van de Vooroorlogse Generatie kunnen herleiden tot de volgende bestanddelen: een verzuilde, patriarchale en weinig geïndustrialiseerde samenleving, een economische crisis met massale werkloosheid en armoede, en ten slotte oorlog, bezetting en bevrijding als absolute en ten opzichte van volgende generaties onderscheidende ervaringen. De collectieve identiteit die hieruit ontstaan is, laat zich karakteriseren als sober, spaarzaam, pragmatisch en materialistisch.Doordat deze generatie materiële schaarste als een persoonlijkheidsvormend element heeft beleefd, is zij geoefend in het uitstellen van de bevrediging van materiële behoeften. Tegelijkertijd ver-

[p. 79]

toont zij een materialistische oriëntatie op de samenleving, dat wil zeggen dat de strijd om de directe levensvoorwaarden - werk, inkomen, sociale zekerheid - voor haar nog altijd primair staat. De eerste naoorlogse jaren waarin schaarste, zuinigheid, tucht en hard werken de sfeer tekenden, zouden dit generatieprofiel nog wat scherper etsen.

1H.A. Becker, Generaties en hun kansen (Amsterdam 1992), 35-52.
2Ibidem, 38-39.
3Gebaseerd op P. de Rooy, Werklozenzorg en werkloosheidsbestrijding 1917-1940. Landelijk en Amsterdams beleid (Amsterdam 1978) en van dezelfde auteur Crisis in Nederland. Beelden en interviews uit de jaren dertig, (Rijswijk 1981).
4F.W.G. Goudriaan, ‘Geeft ons Nederlanders toch werk’. Een literatuurstudie naar de bestrijding van de werkloosheid in de jaren dertig ('s-Gravenhage 1986), 35.
5De Rooy, Crisis in Nederland, 72.
6Ibidem, 92.
7Ibidem, 88.
8Ibidem, 105.
9Ibidem, 113.
10Ibidem, 100.
11Blom, ‘Jaren van tucht en ascese’, 193.

12Voor een kritiek hierop: J.C.H. Blom, In de ban van goeden fout? Wetenschappelijke geschiedschrijving over de bezettingstijd in Nederland (Bergen 1983); ook afgedrukt in het reeds geciteerde Blom, Crisis, bezetting en herstel, 102-120.
13Dagboekfragmenten 1940-1945 (ingeleid door A.H. Paape), (Utrecht 1985), 38.
14G. Reve, Werther Nieland - De ondergang van de familie Boslowitz (Amsterdam/Antwerpen 1993), 99-100.
15H. Daalder, ‘De Tweede Wereldoorlog en de binnenlandse politiek’, in: D. Barnouw e.a. (red.), 1940-1945: Onverwerkt verleden? Lezingen van het symposion georganiseerd door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, 7 en 8 met 1985 (Utrecht 1985), 38-39. Die nuchtere pragmatisme en deze afkeer van grand designs en ideologische panorama's sluiten goed aan bij de manier waarop de Tweede Wereldoorlog in enkele bekende oorlogsromans verwerkt is: De donkere kamer van Damocles (1958) van W.F. Hermans en Het stenen bruidsbed (1959) van Harry Mulisch. Beide auteurs - die overigens op grond van hun geboortejaar (respectievelijk 1921 en 1928) tot de Vooroorlogse Generatie te rekenen zijn - voeren in hun romans personages op die opvallen door hun weerzin jegens ideologieën - ‘geen enkele ideologie is het overdenken waard’, laat Hermans de hoofdpersoon Osewoudt in De donkere kamer zeggen - en scepsis jegens absolutisme in zaken van moraal. Zie: A.G.H. Anbeek van der Meijden, ‘De Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse roman’, in: Barnouw, 1940-1945: Onverwerkt verleden?, 73-87, alsook de respons van W.F. Hermans, ‘Oorlog en literatuur’, Ibidem, 88-98. Over de verhouding tussen sociale wetenschap en literatuur zie I. Weijers, Terug naar het behouden huis. Romanschrijvers en wetenschappers in de jaren vijftig (Amsterdam 1991).
prepostterug  begin  verder