Het spoor van de scarabee. Het spoor van de scarabee (heilige kever in Egypte) loopt in het zand. Het vervloeit, het is niets, daargelaten nog dat het plotseling zichtbaar wordt en iets verder even plotseling ophoudt, omdat het beestje een stuk steen beklommen heeft, of om een andere reden. Zulk een spoor trekt ook dit boek door het beetje tijd, dat zijn maker ervoor gegeven is en dat hij eraan gegeven heeft. Het begint ergens, indien ge 't weten wilt op de derde september negentienhonderdveertig - de datums doen er niet toe, maar zijn als toegift erbij gezet -, het zal ook ergens ophouden, op een datum veraf of dichtbij, waarover ik me geen zorgen maak en waarop ik een steen zal beklimmen of wanneer een steen op mij gelegd zal worden. De scarabee is de mens, die immers iets met mest en iets met heiligheid te maken heeft. Zoveel over de titel van deze inleiding. Ge ziet, dat dit een soort dagboek wil zijn. Het leven dat men leidt, bepaalt de inhoud; de enkele nieuwsgierige lezer die ik mij voorstel, weet dus, dat hij geen belangrijke uitwendige gebeurtenissen zal tegenkomen en dat dit een dagboek zal zijn van mijn innerlijk leven. Zo is althans de opzet. De wereldgebeurtenissen zijn niet buitengesloten, al was het maar dat ik bijvoorbeeld noteer, hoe ik, zittend op mijn hooggelegen balkon en opziend uit mijn boek - het dagboek van Friedrich Hebbel, dat overigens niet tot model van deze aantekeningen dient - de gedrukte regels flauw in de donkerende, blauwe avondhemel zie staan, terwijl een Duits jachtvliegtuig, de linkerzijde met een brandend rood licht naar mij toegewend, juist tussen twee regels doorvliegt.
Geen dagelijkse stemmingen en ook geen overzichten over bereikte resultaten of van toekomstverwachtingen worden hier opgeschreven. De langzaam veranderende toon onder andere maakt het over een periode van ongeveer dertig jaar gevoerde dagboek van Friedrich Hebbel zo interessant. Dit aantekenboek van mij is een laatst begin; mijn leven is niet
meer een onderneming die ik gespannen voer. Als het ergens heenvoert, dan is het naar het einde. Er moet geoogst worden, hoe dan ook, zonder bitterheid en zorgvuldig. Gedurende enige tijd worden mijn dagen in dit boek zichtbaar, van binnen uit en wat ik aan merkwaardigs zag, vindt hier een plaats. Ik zal streven naar helderheid en eenvoud en een aforisme liever stilistisch bederven, dan over de bedoeling in het onzekere laten. Zo hoop ik een niet-ordinaire zakelijkheid te bereiken, die het opschrift van deze eerste aantekening: het spoor van de scarabee, niet al te zeer beschaamt.
Aan dagboeken ken ik nog onder andere Het leven van Frank Rozelaar van Lodewijk van Deyssel. In twee verschillende tijden van mijn leven, ik meen omstreeks 1922 en omstreeks 1927, heb ik het zeer aandachtig gelezen en in mijn literaire bloed opgenomen. Maar het boek verliep in kinderachtigheid, omdat de schrijver zijn voorgenomen doel, een tijdlang alleen maar datgene op te schrijven wat vanzelf in hem zou bovenkomen, vergat, zich toespitste op een sensitief zien van de natuur en met rijmwoorden ging spelen. De Frank Rozelaar is niet geworden wat het werk beloofde, door een tekort aan eerlijkheid; ‘en bovendien spelen wij het maar’, zegt Van Deyssel ergens.
Verder ken ik nog fragmenten van het dagboek van Richard Wagner, kort geleden opnieuw of voor het eerst gelezen in het boek van De Pourtalès. Andere kunstenaarsdagboeken heb ik op het ogenblik niet in mijn herinnering.
Ik moet nog even zeggen wat ik mij van dit dagboek voorstel. Ik zie het als een voortgezet spreken over één onderwerp. De zinnen blijven staan zoals ik ze schreef; men zal meestal vergeefs naar een doorhaling zoeken. Door een zekere graad van intensiteit, van geestesfrisheid of van diepte bij de geestelijke werkzaamheid vooraf en bij het opschrijven daarna, hoop ik over uiteenlopende dingen van godsdienst, leven en kunst te spreken als over het éne onderwerp, dat ze inderdaad vormen. Dat is het spoor van de scarabee, de richting; de arbeid die het beestje verricht boven de vervloeiende, afzonderlijke sporen die zijn pootjes achteloos in het zand achterlaten. Ik moet hier nog iets duidelijker zijn. Dit dagboek behandelt niets áls onderwerp, het maakt niets los uit de rest om er met een zekere schijn van logica een poos mee bezig te zijn. Beschouw het als een contrapuntische stemvoering van verschillende onderwerpen, die met elkaar de verhoopte muziek van dit boek uitmaken.
Wat wil men tenslotte bereiken ... een zeker dieptepunt, als onder water, waar verschillende krachten elkaar opheffen; een gedroomd coloriet als van een bed witte margrieten in een donkere tuinhoek, of van schilderijen, die men zich verbeeldt vroeger in het voorbijgaan te hebben gezien. Verrijking, verwijding en meteen begrenzing van het proza dat men schrijft; het slechten van specialisten-muurtjes tussen levenstuinen. Het voorzichtig bij elkaar drijven van verstrooide schapen. En als aan sommige zinnen te zien, te horen zal zijn dat een bromvlieg de stilte van de kamer en de aandacht van het denken verstoorde - om geen fataler dingen te noemen -, dan moge dit aan een levenshouding herinneren, die ook de bromvliegen aanvaardt.
En indien ge een korte godsdienstige overweging, of een gebed tegenkomt tussen opmerkingen over kunst of zo, begrijp dan dat ook dit tot het ene onderwerp behoort. Ik erken en kèn ook geen stichtelijkheid als aparte waarde. Het is de zon, die op de dekschildjes van de scarabee schijnt, onder het lopen.