terug  begin  verderprepost

6 september 1940

Over deze inleiding is in mijn droom een bleekpaarse zon opgegaan, maar verder bleven, geheel volgens de verwachting, nu ik het wekenlang vruchtbare denken had geprobeerd vast te leggen, ineens alle gedachten in de zin van Emerson weg, behalve de courante overwegingen die van iedereen zouden kunnen zijn. Intussen Essays van Emerson gelezen, met hun zachte maar losse weefsel, een vroeg impressionisme op het gebied van de als kunst beoefende gedachte en waarin men het negentiende-eeuwse braafheidsideaal in verse toestand aantreft. Wie ze, zoals ik nu, honderd jaar na dato leest, ziet de demonische consequenties als dik onkruid tussen de gezonde planten zitten.

 

Vanavond, onder het kijken naar de nieuwe maan, geluisterd naar de Jupitersimfonie van Mozart. Zonder dergelijke cultuur-rijkdommen in de rug zou het voeren van grote, moderne oorlogen menselijk, en dus letterlijk, onmogelijk zijn. Welk een toekomst voor de cultuur, bij welk een toekomst voor oorlogen. Tot God een einde maakt aan de recreatie èn aan de uitputting, die daardoor mogelijk gemaakt werd en erop volgde. Ik moest de balkondeuren sluiten voor het voorbijrazen van een colonne militaire auto's

[p. 26]

met rupsbanden, misschien verband houdend met de iedere dag verwachte, grote aanval op Engeland. Mozart overleefde Napoleon en de wereldoorlog van 1914-1918; op hoeveel oorlogen is deze hemelse recreatie nog berekend?

 

Onder het overlezen van de inleiding herinnerde ik mij nog brokstukken van het dagboek van Frederik van Eeden uit de jaren negentig. Hij zegt ergens dat het belachelijk eenvoudig is je eigen potje te koken en dat het draaiorgel van het dorp op zijn verste rit nog niet aan zijn buitenhuisje toekwam. Verder is me bijgebleven, dat hij zijn hele doen en laten daar uiterst gewichtig vond.

 

Augustinus' Belijdenissen heb ik nooit geheel kunnen uitlezen. De aanspraakvorm geeft er een exclusief karakter aan, zodat men het eigenlijk niet met andere naar opzet verwante boeken kan vergelijken. De brandende ijver van de bekeerling, hoe ‘erschütternd’ ook, ontneemt veel aan het naïef-menselijke. De Confessions van Rousseau met hun zwoel, romantisch coloriet geven het portret van een geschokt achttiende-eeuwer, die telkens op het punt staat in tranen uit te barsten. Tafrelen, gezien door een waterrijke atmosfeer, een soort ‘tranendamp’. Schoolmeesterlijke opmerkingen als deze moeten de curve van dit dagboek in vredesnaam maar mee helpen bepalen; ik wil het beeld van mijn geest niet flatteren. En nu keer ik weer tot de lectuur van Bespiegelingen over leven en liefde van Ortega y Gasset.

 

Ik wil niet meer uit het leven vluchten. Als ik muziek van een Russisch kerkkoor hoor, en een vrouwestem met een rijk, mals geluid treedt naar voren om tegen die achtergrond ‘met ziel en zinnen’ - want hoe lichamelijk is deze stem - zich tot God te richten, dan duw ik dat niet meer als vroeger van me weg als iets betrekkelijks, dat alleen maar in de verte aan het absolute herinnert, maar ik zie in dit alles nu iets volmaakts en definitiefs; de hemel is dichterbij, vatbaarder, op aarde in vrouw en kunst voorafgebeeld. Mijn leven lang heb ik gedacht: het ware ligt ver; het dichtbije heeft geen waarde. Van nu af zal dat anders zijn. 'k Heb dus minder afstand nodig, ben ‘bijziende’ geworden, een omgekeerde ontwikkeling als bij de lichamelijke ogen.

Uit vele dergelijke, naast elkaar geplaatste toetsen moet vanzelf de optische werking uitgaan, die aan het geschrevene een bepaalde vorm verleent. Ook het zich bewust maken

[p. 27]

van die werking speelt bij die werking zelf een rol. Nooit zal het bewuste het onbewuste kunnen doden. De ware intellectueel leeft dichter bij de primitieve staat en bij het instinct dan de onscherpe geest, die uit het gevoel meent te leven.

 

Is het werkelijk zulk een absolute noodzakelijkheid voor iemand ná Nietzsche, om te proberen deze na te doen in zijn springen van top tot top? Het is zeer veel, gedachten toe te spitsen tot een scherpe top; het is ook iets ze in het voorbijgaan op te nemen en weer vrij te laten. Nietzsche wil zijn gedachten aan zich onderwerpen en er zijn monopolistisch geestesmerk op zetten; er zit iets eigenzinnigs en... fabriekmatigs in. Anderen, zo ook ik, willen een gedachte liefdevol opnemen, aandachtig en met genegenheid bekijken en weer vrijlaten op haar bruidsvlucht. ‘Wat is mij aan mijn fabrieksmerk gelegen’, zou zo'n ‘ander’ in Nietzsches stijl kunnen zeggen.

prepostterug  begin  verder