Vanmorgen kwam de oude gedachte weer eens bij me op, hoezeer van invloed op de wereldgeschiedenis het feit van de kortheid van ons leven is. Ik heb nog nooit in mijn lectuur een beschouwing aangetroffen, die hieraan volledige aandacht wijdt. Een paar bladzijden terug had ik het over die wijsgeren, die met hun rug naar dat grote zwarte gat, de dood, staan. Bij hen lijkt de kortheid van het leven geen punt van overweging uit te maken. Toch is de zekerheid van ons levenseinde van grote invloed, ongetwijfeld ook bij hen. Is het ‘après nous le déluge’ en bijvoorbeeld de starheid van Poncaré in de jaren na de eerste wereldoorlog niet meê verklaarbaar door de geheime wens: ‘als het mijn tijd maar uitduurt?’ En die tijd is ‘voorts kort’. Vandaar kortzichtigheid en haar gevolgen.
Veel oude gedachten, die zich nog nergens aan hebben kunnen vasthechten, vinden nu uiting als ze weer eens duidelijk komen bovendrijven. Vanavond door de radio piano-muziek van Debussy gehoord. Ik probeerde ze te horen zoals ze in de tijd van het ontstaan moet hebben geklonken, in de Frans-burgerlijke muzikale sfeer: revolutionair, gewaagd, decadent. En wonderlijk: later hoort men de tijd erin. Wij zien een vroegere tijd met de ogen van de representatieve kunstenaars vàn die tijd: Luthers tijd via Holbein, Cranach, Dürer; de tijd van Napoleon door de ogen van die stijve aca-
demici; de jaren tachtig met de pseudo-bijziende ogen van Breitner en andere impressionisten. Is dit vervalsing van het tijdsbeeld? Of moet men zeggen dat dit de enige mogelijkheid is om een tijd later te kunnen ‘onderscheiden’? Men zou dus de uitspraak durven wagen, dat de representatieve kunstenaar zijn tijd hierin vooruit is, dat hij in staat is hem af te beelden in zijn kunst. De anderen zitten er met hun neus boven op en zijn niet in staat afstand te nemen. Er zou nog veel te zeggen zijn over karakteristieke verschillen tussen grote kunstenaars: figuren uit dezelfde tijd, hun vertegenwoordiging van bepaalde aspecten ervan en een min of meer vage synthese, die in ons ontstaat. Ook over het geheimzinnig contact tussen de tijd en de kunstenaar, die meent zijn eigen ideaal na te jagen en eindigt met in zichzelf zijn tijd af te beelden. Maar hierin treden is het doel van dit dagboek niet, tenzij zich spontaan oordelen hierover in mij blijken te hebben gevormd.
Wat ik nu heb ‘ervaren’ is dit: de echte ‘moderne’ kunst van elke tijd blijkt later de beste, althans meest beklijvende verbeelding vàn die tijd te zijn. De kunstenaar is vaak zijn tijd vooruit; zijn werken zijn dit, strict genomen, niet. Bij zulke overwegingen moet men overigens niet te lang stilstaan. Ze hebben iets dodends, zodra ze niet meer vanzelf in ons oprijzen.
Van Deyssel zegt ergens ongeveer: Men kan het niet helpen onder de invloed van de omstandigheden te zijn geweest. Zulk een verontschuldiging aanvaardt men, ten aanzien van zichzelf wel te verstaan, diep-in echter niet. Als christen-estheet door de officiële kunstwereld te worden genegeerd, is op zichzelf niet van betekenis. Moeilijker is dat die miskenning je verhindert tot een meer behoorlijk zelfvertrouwen, met de artistieke gevolgen daarvan, te komen. Een zekere mate van erkenning is nodig voor de groei van het talent via het werk. Ik heb nog nooit in een preek horen uiteenzetten, hoe wij aan het ons door de ‘wereld’ opgedrongen minderwaardigheidsgevoel moeten en kunnen ontkomen. Jezus zei: ‘In de wereld zult ge verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen’ (Joh. 16 : 33b). Hij voelde die speciale nood in de verdrukking.
Ik kan het tenslotte niet helpen, zo ontvankelijk te zijn voor alles wat met kunst te maken heeft.
De niet-christelijke kunstenaar of kunstgevoelige heeft aan de christen-estheet niets (vergelijk: ‘de overste dezer
wereld komt en heeft aan Mij niets’, Joh. 14: 30b) en interesseert zich daarom niet voor hem.
Het valt me moeilijk om over deze dingen die je zo diep in het vlees snijden, door te schrijven. Men moet erin berusten dat wat aanpassing, een beetje verloochening en invloed van doorlopend-ongunstige omstandigheden was, straks uit het karakter of uit een gebrekkig en in gebreke blijvend kunstenaarschap zal worden ‘verklaard’. Littekens van een eerlijke strijd zullen worden aangezien voor ontsierende rimpels en ‘Schönheitsfehler’. ‘Verdrukking’ heb ik ook nog nooit bevredigend horen verklaren. Wat een primitieve en eenvormige opvatting heeft men er doorgaans over. ‘Wegdrukken’, op duizend manieren, van het beleefde drukje op hand of wang tot de schop onder 't achterst toe, dat is het.
En zo blijkt na een week het bijhouden van dit aantekenboek een behoefte te zijn geworden.