De dichter J.H. Leopold spreekt van zichzelf als van ‘dezen’, (‘Al 't antwoord en al het verweer van dezen’ bijvoorbeeld). Hij wijst zichzelf als het ware met de vinger aan. De andere mensen zijn ‘zij’, met wie hij eeuwig in strijd is. ‘Nakomelingen laat U raden, / geloof hen noch ten goede, noch ten kwade.’
In deze vakantieweek in Amsterdam schilderijen gezien van Jelgerhuis, Koekkoek, Kruseman en Schelfhout. ‘Brave’ kunst.
Op mijn leeftijd - zesenveertig jaar - is men oud genoeg om op verschillende punten tot resignatie te komen, maar te jong om veel over resignatie te willen spreken. Als men op een zeker punt tot resignatie gekomen is, wordt deze ‘verworvenheid’ verzoet door de kennismaking met iets nieuws. Het is eerst iets verrassends, als het feestelijk verkleuren van het bos in de herfst. Pas later ziet men de dood erin. Resignatie, ontzegeling. Telkens een levenszegel los.
Van de week zag ik hoe resignatie zelfs oud kan worden, als een plant, bijvoorbeeld als een dertig jaar oud klimopgroeisel langs een muur, met oude en nieuwe bladen, vuil en zwart van stam en waarin muizen huizen. Resignatie is ‘zoet als honing in de mond, maar bitter in de buik’ (vergelijk Openbaring 10 : 9, 10).
Als jongen van vijftien jaar stond ik voor het leven, onge-
broken, gezond, kuis, gloeiend van enthousiasme en bereidheid tot hard werken in de muziek, bezield met het zuiver negentiende-eeuwse ethos à la Beethoven van ‘de grote kunstenaar, die onvermijdelijk tevens een goed mens moet zijn’. God heeft het goed en nodig geoordeeld die weg, die de enige leek en waarin ik het werkelijk ‘mannelijk’ geluk had kunnen smaken van op te mogen gaan in het werk van mijn bijzondere aanleg en keuze, af te snijden. Ik heb niet de kracht gehad, noch toen, noch later, toen ik in de literatuur had willen gaan, anderen in risico te brengen ter wille van mijn verlangens. Meen niet dat ik in dat onvermogen een deugd zie, ook al zou het een deugd zijn.
Hoe het zij, dat die lijn werd gebroken, en dat ik in aanpassing en compromis heb moeten leren leven, heeft mijn leven bepaald. Het heeft me schuchter, onzeker gemaakt, tot in mijn bewegingen toe. Niet geworden te zijn wat men had kunnen en moeten worden, naar aanleg en idealen gerekend, drukt een soort schaamte op ons leven. Mijn houding zegt: ik erken eraan schuldig te zijn, dat ik het niet verder heb gebracht dan ... enzovoort. Ik benijd iedere kleine koopman, die zichzelf is en daarvan onwillekeurig in houding en optreden blijk geeft.
Soms denk ik dat ik nog dertig jaar heb te leven en vraag ik me af, of ik nog een late oogsttijd, al ware het maar van enkele jaren, zal mogen zien. In ieder geval is de spanning weg, de krachtsinspanning, de krampachtigheid ook, die in Eldert Holier uitgesproken is.
God heeft mij al jong de idée fixe van een ‘levenstaak’ (in cultuur en kunst namelijk) ingeschapen. In een wat ouder dagboek heb ik op negentienjarige leeftijd geschreven niet te geloven, dat ik moeite zou hebben met het vraagstuk van vrouw en gezin, maar wel met mijn levenstaak. Toen kwamen er ongeveer vier jaren van juist zeer veel moeite ten aanzien van haar, die toen pas in mijn leven was gekomen. Als ik die woorden herlas, leek ik mezelf al een heel slechte profeet toe. Later bleek dat ik het goed had ‘gezien’. Ieder mens is in zijn leven meer dan eens profeet; men kan dit alleen maar later pas vaststellen. God brengt sommigen dus ter wereld met cultureel verantwoordelijkheidsgevoel en met het idee van een levenstaak, terwijl Hij toelaat dat daarvan slechts een zekere fractie wordt verwezenlijkt. Zijn wil geschiede.
Vanavond, lezend in Die Rolle des Bösen in der Weltgeschichte van Hermann Steinhausen, kwam ik een opmer-
king tegen over het dagboek van Dostojewski. Ik herinner me nu, dat ik dat in huis heb gehad in een Duitse vertaling, maar ik weet niet meer dan dat het papier geel was en de letter klein en dat er lange beschouwingen in voorkwamen. Om ook dat dagboek in gedachten te houden schrijf ik dit even op.