Nieuwe bijdrage voor het zien van kleuren in dromen: vanmorgen zag ik in mijn droom even een jongen met een donkerpaarse trui en een gemillimeterde schedel, die de witte hoofdhuid duidelijk deed doorschemeren. Hij had een aardig, een beetje grof gezicht.
Interessant dromen doet men blijkbaar niet vaak. Zaterdagmiddag hield ik voor een vergadering van meisjes een causerie. Ik had me erop toegelegd, op luchtige toon en onder grapjes door ernstige dingen te zeggen. De ontvangst was nogal gunstig. Vanmorgen droomde ik nu, dat ik schetsen of fragmenten van een operette had geschreven, als iets waar ik verder geen waarde aan hechtte en geen aandacht aan be-
steedde. Op een of andere manier was dat in handen van theatermensen gekomen, voor wie het een gebeurtenis bleek te betekenen. Ik had het gelukkige gevoel dat ik met iets succes had, waar ik zelf geen waarde aan had toegekend en dat ik nu op het punt stond in een gunstige, creatieve stemming verder in dat levende centrum te gaan roeren. Dat gevoel was des te aangenamer, omdat in de werkelijkheid het juist meestal andersom is. Later was ik zelf alweer niet meer helemaal de componist, maar zag ik een jong meisje tussen twee groepen in staan dirigeren met hooggeheven dirigeerstok. Zelf behoorde ik bij een van die beide groepen; hoe, weet ik verder niet. De gevoelswaarde van de droom blijkt het sterkst te zijn geweest, want zo opgeschreven ziet het er mager uit.
Nog steeds bezig in Ricarda Huch's boek over de romantiek (deel I). Op mijn vijftiende jaar schijn ik een tamelijk zuivere romanticus te zijn geweest. Wat ik lees over gedroomde verbindingen van kunst en wetenschap, over streven naar universaliteit enzovoort, herinnert me aan kinderlijke, maar verwante gevoelens en wensen uit mijn jonge tijd. Ik stelde me toen bijvoorbeeld als ideaal voor de verbinding van Duitse en Italiaanse muziek, en op de jongelingsvereniging verdedigde ik als zestienjarige eens de stelling dat de kunst ‘kind der smarte’ is, wat natuurlijk heftige tegenspraak uitlokte, maar wat me nu herinnert aan de plaats die de romantici aan het leed toekennen.
Een impressionisme waarbij de gehoorsindrukken overwegen, is in de literatuur nooit aan het woord gekomen. Voor ons, die even sterk acoustisch als visueel zijn aangelegd, behoudt daardoor het lezen van impressionistische literatuur iets als van het zien van schilderijen uit die school, stomme dingen dus.
Impressionistische regel bij Poot in de bedoelde acoustische zin:
Deze regel lijkt overigens fout, omdat het roepen en de praat gesuggereerd wordt nu het voorbij is. Maar hij is goed, omdat bij het inhouden men de zo juist verstorven geluiden het zuiverst in de geest tegen de nu ingetreden stilte hoort, transparant, gelouterd, als iets schoons in het schone rondom. Ook uit Poots gedicht op de morgen blijkt zijn zeer fijn gehoor. In de woorden
hóórt men de stilte. Het breken van het maanlicht door de wolken suggereert een gebeuren, waarbij het oor als 't ware op een daarbij behorende geluidenreeks wacht. Dat geluid kòmt niet en maakt ons de stilte of het zachte geluid van de nachtwind des te meer bewust. Met dat woord ‘scheurt’ heeft Poot het gehele geheim gevangen. Wij zien dit scheuren, maar horen het niet.
Een studie zou mogelijk zijn, die bijvoorbeeld in de poëzie dergelijke dingen naging. In het proza zou onder andere ook te letten zijn op vergissingen. Voorbeeld van een eigen novelle van twintig jaar geleden: ‘Hijgde daar een hond? Neen, het was 't zéér lichte schuifelen van klompen over de kleine steentjes.’ ‘Vergissingen’, die suggestieve vergelijkingen worden. Ik heb de indruk dat de literaire kunst overwegend visueel is. Misschien heb ik daarom vroeger zoveel van Is. Querido gehouden, omdat hij het acoustische element wèl bezat. In hoeverre het mij nu nog zou voldoen, weet ik niet.
De gedachte aan een vergissing ontstaat doordat de spontane indruk niet klopt met de volgens de conventie verwachte indruk.