Het is een van de meest intense vreugden die op aarde mogelijk zijn, een uiting van geloof te horen uit de mond van een van je kinderen.
Men kan zichzelf nog zo verachten, men moet het toch met zichzelf doen. Volledige zelfkennis in christelijke zin moet mogelijk zijn, zonder dat er een minderwaardigheidsgevoel tegenover mensen uit ontstaat.
Vanmorgen door de radio sprak een pater over de storm op het meer van Gennesareth. Er ontstonden daar grote temperatuurverschillen en daardoor geweldige winden, die het water bijna tot de bodem beroerden. De discipelen voeren in de voornacht uit, op Jezus' woord, ofschoon ze het gevaar konden vermoeden. Maar toen de storm werkelijkheid werd en Jezus sliep, werden ze bang. Deze, half gehoorde toespraak - we liepen de kamer in en uit - had voor mij twee buitengewoon aantrekkelijke aspecten. Het eerste was een esthetisch aspect. Ik zag een maximum aan beweging en beroering in een betrekkelijk kleine en besloten omgeving. Het gehoorde styleerde zichzelf bijna tot een kunstvoorwerp. Een geweldig golfdal, bijna tot de bodem van de zee en het schip omhooggeslingerd op de top van een golf. Maar dit alles als het ware in een lijst. Het meer van Gennesareth.
Het tweede was een godsdienstig aspect. Jezus sliep vast, met het hoofd op een kussen, in het schip. Hij is het Woord, door wie alles geschapen is. Bij Hem is men veilig aan het hart der dingen, veilig aan het hart der natuur, omdat men veilig is aan Jezus' hart.
Maar evenmin als het mogelijk is precies aan te geven waar de ziel begint en het lichaam eindigt, evenmin kan men zeggen dat het esthetisch aspect precies hiér, of dáár, overgaat in het religieuze aspect. Hoogste rust in de geweldigste beroering doet zich bij beide aspecten aan ons voor.
In het donker van de verduisterde stad voel ik me soms wonderlijk rustig. Ik vind het prettig me in 't donker te behelpen en vooral op bekend terrein, binnen- of buitenshuis, me te verbeelden dat ik alles kan zien en me voor te stellen
dat ik het zie, zoals het bij daglicht is. Een typische ervaring: ik heb me er meermalen op betrapt, dat ik in het donker mijn hoofd (meestal naar links) naar achter wendde, omdat ik daar buiten mijn gezichtsveld licht meende te zien branden. Elke nieuwe keer doe ik het in de stellige verwachting, het schijnsel van een verlichte kamer te zien. Is dit een nawerking van in een verlichte kamer te hebben gezeten, of een spontane poging van het oog, zich de illusie van verlichting te verschaffen, of nog wat anders?
Wanneer de geest fris is, komen soms nieuwe, onvoldragen inzichten nu hier, dan daar als doorzichtige schijven boven de horizon, om na halverwege te zijn opgegaan, weer te verdwijnen.
Soms denk ik, dat er voor mij na een bijna levenslange voorbereiding nog een taak is weggelegd. Ik beef bij die gedachte van blijdschap. Smaal mij niet, als ge deze regels leest en ik ben in de stilte en in de kleine verhoudingen gestorven, waarin ik heb geleefd. Mag God geen reserves hebben, die Hij met gebruikt? Als ik nu eens in de hemelse boekhouding bij de stille reserve ben gerekend?
Mijn vrouw meende een portemonnaie te hebben verloren en vond die na een half uur ongerustheid terug. Is dit nu een reden of een aanleiding om me onderweg naar kantoor er hogelijk van bewust te zijn hoeveel ik voor haar voel?
Zondagavond, in de kerk, bij het van Geest doorgloeide dankgebed, het kirren van woudduiven in de ronde kozijnen van de kerkramen, buiten.