terug  begin  verderprepost

26 november 1940

Wanneer iemand begraven wordt, wordt alles wat men aan goeds van hem weet te zeggen, opgestapeld en in brand gestoken. Een ogenblik laait het vuur hoog op. Het is nog niet helemaal uitgedoofd als men naar huis gaat. Maar straks valt de regen in de nasmeulende brandstof en er is niemand meer, die van het uitdoven zelf notitie neemt. Daarop behoeft men trouwens niet te wachten: dat gebeurt toch wel. Welbeschouwd is het prijzen van de overledene een onderdeel van de begrafenis zelf.

 

Men versiert stations, zalen, kamers ter ere van een of ander mens. Vrouwen en dichters zetten graag bloemen bij zich neer. Zou de diepere gedachte - die men zich niet bewust is - niet deze zijn, dat de natuur bij de verschijning

[p. 56]

van de gast behoorde te gaan bloeien en ‘rozen te strooien voor zijn voet’? Die sprookjesmacht, die paradijsmacht, is ons echter niet (meer) gegeven en daarom helpen we de natuur maar een handje. Het geval bij vrouwen en dichters ligt enigszins anders. Zij willen het contact met de natuur tot uitdrukking brengen.

prepostterug  begin  verder