Gezond te zijn geweest, een vast geloof te hebben ontvangen, een grote en blijvende liefde te hebben gekend en dan bovendien nog al het andere - is het niet verblinding te klagen?
Omdat, toen ik zeventien was, op het ‘weer niets’ mijnerzijds Christus regelrecht en onmiskenbaar tot mij kwam, kan ik bij geen enkele verwachting die niet vervuld schijnt te worden, meer volkomen zonder hoop zijn.
Mocht ik soms al op een schoolmeester lijken, in mijn
niet-kunnen-schrijven anders dan uit een innerlijke noodzakelijkheid, in mijn wachten op onderwerp en bezieling, ben ik dichter.
De slotregels bij Rilke, die nog nakomen als een toegift, zijn de subliemste; ze geven er de toets der volmaaktheid aan en blijken achteraf 't culminatiepunt van het gedicht te zijn. Ik denk hier bijvoorbeeld aan de gedichten ‘Werkleute sind wir’ met de slotregel: ‘Gott, du bist gross’, en: ‘Und meine Seele ist ein Weib vor dir. Und ist wie Ruth.’
‘Er is niets.’ Ik geef het toe. Toch zal God tot mij komen.
Een altstem: de vrouw als mysterie.