terug  begin  verderprepost
[p. 71]

Tweede boek

6 november 1944

Het is misschien goed de draad van dit dagboek weer op te vatten vóór het einde van de oorlog, nu God bezig is de laatste zware loodjes over ons af te wegen. Maar ook nu wordt alleen opgeschreven wat de ‘onverstoorbare’ kant van ons leven raakt.

 

Electrische klokken staan stil bij gebrek aan stroom. Ook een stilstaande klok geeft wel eens een minuut lang de juiste tijd aan. Welbezien twee keer in een etmaal!

 

Wat ik in de breedte schijn te verliezen (publieke bekendheid en waardering) win ik wellicht in de diepte (vriendschap en vertrouwen van enkelingen).

 

Op de Blaak trokken vroeger mariniers met muziek voorbij. Onmiddellijk ontstonden er debatten over bewapening, oorlog enzovoort. Zodra de mensen iets zien, gehoorzamen ze aan een onbewuste drang hun oordeel over het geziene te geven en dat aan anderen op te leggen. Dit geldt ook van personen. Ik zie die noodzakelijkheid van onmiddellijk te moeten oordelen, ja van oordelen überhaupt, steeds minder in; mijn oordeel wordt trager.

 

Oude composities, uit de jaren 1912 tot 1916, die niemand kent en die ik ook niet meer bezit, leven nog in mij als wonderlijke anachronismen. Er is er een bij, uit 1910 meen ik, begonnen als een soort koorzang met orkestbegeleiding (maar gespeeld op een harmonium) op het ritme van de woorden: ‘Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?’, dat in zijn onbeholpenheid een sterk hymnisch karakter draagt en waarin ik nu heel veel hoor wat ik toen niet wist en wat ik ook nu nog niet kan uit-spreken: een zich voltrekkende overgave aan de Heiland en een muzikale voorafspiegeling van mijn leven en sterven. Vooral het versnellende slot; het zich eindelijk, met een nauwelijks bedwongen vaart,

[p. 72]

laten gaan. In het bloed is de ziel, maar in de muziek zijn ‘delen van de geest’.

 

Mijn broer Pieter en ik hebben een ingeboren, vanzelfsprekende behoefte ons te behelpen met een minimum aan middelen. We zijn in zekere zin primitieven. Het gevaar is natuurlijk dat men in het primitieve blijft steken.

 

Confrontatie met de cultuur. Ik heb zo'n idee dat ik esthetisch schade heb geleden, doordat ik in mijn kinderjaren met de meesterwerken van de muziekliteratuur heb kennis gemaakt via onvolledige fragmenten en slechte arrangementen, nog wel gespeeld (en hoe) op een harmonium. Beter was het latere ‘lezen’ van Beethovens pianosonaten, waarbij het passagewerk natuurlijk maar vluchtig werd overgekeken. Op mijn vijftiende jaar had ik de opera's en muziekdrama's van Wagner moeten kunnen zien en recitals van Schumann en Chopin moeten kunnen horen. Als ik nu bijvoorbeeld Siegfried van Wagner zou zien, zou dit een levend anachronisme voor me zijn. Ik zou naar mijn vijftienjarige zelf zitten zoeken, in mezelf, en vinden en niet-vinden tegelijk. Dat heeft iets lugubers. Waar is mijn vroegere zelf? Het is er en het is er niet; ik ben het en ik ben het niet. Daarom kan ook die hymnische compositie waarover ik hierboven schreef, me op een bepaalde manier, bijna gejaagd ontroeren. Iets gestorvens als levend ondergaan en het toch niet volledig tot leven kunnen wekken.

 

Men leert van iedereen wel iets en alle christenen die wij in ons leven ontmoeten, laten ons wel iets na. Mijn schoonvader bad dikwijls: ‘Beschaam onze stille hope niet’. Als ik voor mijn culturele werk bid, bieden zich deze woorden daarvoor als de subjectief meest geschikte aan.

prepostterug  begin  verder