terug  begin  verderprepost

27 november 1944

Wensen voor een nieuw tijdschrift: Denken aan Jo Kalmijn-Spierenburg. Niet meer meedoen aan het tot christen bombarderen van sympathieke schrijvers of dichters.

 

Wat een onzin te onderscheiden tussen de mens en de burger, of de mens en de kunstenaar. Men kan het mens-zijn nooit afleggen, in geen enkele rol.

 

Ik weet niet of ik nog wel alles onderschrijf wat ik in mijn lezing van december 1940 heb gezegd. Sindsdien hebben we positie moeten kiezen in de concrete kwesties, zoals ar-

[p. 75]

beidsdienst, arbeidsinzet, loyaliteitsverklaring van studenten, inleveringsplicht van de radio, ‘paaltjes slaan’, tot de algemene aanmeldingsplicht van mannen van zeventien tot veertig toe. Maar dit alles valt onder de leefregel die ik ergens in Eldert Holier tot uitdrukking heb gebracht, namelijk: je moet de strijd niet zoeken en niet ontvluchten. Niet ik ben veranderd, maar de situatie is gewijzigd.

 

In een nieuw tijdschrift een rubriek: ‘Goede boeken van vroeger.’ Daarin onder andere behandelen Noortje Velt van Jacqueline van der Waals. Ergens verwantschap ontdekt met J.K. van Eerbeek (‘...ik weet niet wat ik vanavond heb ...’, hoofdstuk XI). Het boek is niet best van compositie, maar als getuigenis van een eerlijke, interessante persoonlijkheid en bovenal als prozaproduct van een dichteres ligt het me na aan het hart. Men heeft zulke boeken nodig om zelf weer op gang te komen.

Het is goed dat mijn literaire leven zich juist nu weer gaat sluiten; men zou anders verkommeren. Dat deze aantekeningen nuchter-weg, zonder innige aandachtigheid moeten worden opgeschreven, nemen we maar op de koop toe. Ze zeggen alleen maar: hier is het spoor.

Dus geen abstractie, geen uitvoerigheid, geen gewichtigdoenerij en geen polemiek.

prepostterug  begin  verder