terug  begin  verderprepost

13 december 1944

Bij het sterven van Moeder: ‘De zachtmoedigen zullen de aarde beërven.’ Toen zij, ik meen in 1925, naar Amsterdam vertrok, heb ik, wel lang van te voren haar sterven voorvoelend, het volgende geschreven:

 
Hoe komt het, moeder, dat ik van uw sterven
 
nog voor uw heengaan diep verborgen zing?
 
Gaat straks mijn geest zèlf aan de tijd ontzwerven,
 
of is 't een vreemde boodschap die 'k ontving?
 
 
 
Ik weet het niet, ik kan het weten derven
 
en treed niet uit de mij bepaalde kring.
 
Slechts weet ik, dat ik heimlijk menigwerven
 
en zacht weemoedig van uw sterven zing.
 
 
 
Nog blijft eenzelfde hemel ons omhuiven
 
en ziet ons oog een prachtig herfstseizoen;
 
'k Zie over U de laatste uren schuiven
 
als zonnestralen in de late noen,
[p. 77]
 
terwijl mijn verze' als fladderende duiven
 
uw uitvaart hun geheim geleide doen.

Dit sonnet is afgedrukt in Opwaartsche ??Wegen van 1 juli 1926. Als men nagaat hoe moeilijk ik kom tot het schrijven van een vers, dan moet deze voorbarige stervensontroering wel heel sterk geweest zijn. Eigenaardig dat ik zulke dingen altijd zo lang van te voren verwerk. Ook met mijn eigen sterven is dat zo, terwijl ik toch altijd zo'n gevoel heb dat ik een vrij hoge leeftijd zal bereiken. De vraag is nu: als het eigen sterven verwerkt is, wat rest er dan nog voor innerlijke ontwikkeling? Ik schrijf dit niet twijfelend aan de mogelijkheid van een nieuwe innerlijke ontwikkeling, maar met een soort nieuwsgierigheid. Dit is immers wel met recht de ‘onverstoorbare’ kant van ons leven: de geestelijke groei en wel met name die innerlijke wendingen, zoals ik die beleefd heb in de puberteit, in het ontmoeten van Christus in mijn leven in mijn achttiende jaar, in het ondergaan van een grote liefde op mijn negentiende en in het ‘omvaren van de bocht des levens’ omstreeks mijn vijfenveertigste jaar. Nu komt nog de ervaring van het sterven en van het steeds helderder zichtbaar worden van het andere land: het zich voelen rijpen voor de pluk. Die innerlijke wendingen die immers nooit helemaal onbewust blijven, die zijn het mooist, aangenomen dat ze geestelijke groei betekenen. God heeft de vloek van het sterven herschapen tot groei en rijping. Zelfs het sterven, als langdurig proces gezien, kan zo een soort geluk worden: het beleven van een goddelijke wetmatigheid. Wij zijn op seizoenen ingesteld. Zolang we hier leven zijn we aan seizoenen onderworpen. Ze proeven naar God. Aanbiddelijke wetmatigheid. Hoe zoet wordt een wet die van God komt: wij proeven Hem erin. De wet is wat de wetgever is. Er is een zalige passiviteit: het ondergaan van iets dat God aan ons voltrekt. Wat zal het dan zijn: Hem tegemoet gevoerd te worden, lichamelijk, in de laatste dag. En daarna.

prepostterug  begin  verder