terug  begin  verderprepost

13 december 1944

Mij vormden, literair gesproken, onder anderen Goethe, Van Deyssel, Nietzsche, Rilke, Leopold en enigszins ook Marsman. Maar wat een kennelijke verschraling omstreeks 1930, gerekend ten opzichte van 1900. Ook in theologicis: welk een verschraling geeft Schilder ten aanzien van Kuyper te zien.

[p. 78]

Er zijn natuurlijk ook nog andere aspecten mogelijk; ik ben niet blind voor de betrekkelijke en tijdelijke waarde van toespitsing, concentratie enzovoort, maar wat het meest treft, is toch die verschraling, die gepaard gaat met een verlaging van het geestelijk standsniveau. Geen ridderlijke houding meer tegenover de tegenstander. Ridderlijkheid ... het woord stinkt van ouderwetsheid, zou mevrouw Hendrika Kuyper-Van Oordt zeggen.

Naar aanleiding van een bezoek gisteren van jonge mensen, waaruit vertrouwen en een zekere verwachting sprak, vandaag misschien wel voor het eerst zó met heler harte gebeden of ik na de oorlog mag vrijgemaakt worden voor de literatuur, op zulk een wijs dat ik de weg duidelijk vóór me zie. Als God dit gebed verhoort, zal ik de weg herkennen. Verhoort Hij dit gebed niet, dan behoort die gespletenheid voorgoed bij mijn leven en zal ik ook de rest met Gods hulp dragen.

prepostterug  begin  verder