terug  begin  verderprepost

14 december 1944

In Het goud van Afrika van Carel Smissaert (G.F. Callenbach N.V., Nijkerk) komen vaak beschouwelijke passages voor, soms tamelijk uitvoerige, maar ze zijn op organische wijze in het verband van de vertelling opgenomen, al krijgt men er tegen het eind wel wat genoeg van. De verhaaltoon is wat vlak, misschien heeft Arthur van Schendel tot voorbeeld gediend. Hoe het zij: zo kan het; zó kan de schrijver zijn spreukige levenswijsheid kwijt; de vertelling is omsponnen door, of liever: ingesponnen in een weefsel van beschouwelijkheid. Men moet erkennen: de auteur heeft min of meer de vertelstijl gevonden die bij hem past en die zijn tekortkomingen zéér verzacht. We hóren het gebeuren zich meer voltrekken via de gedempte stem van de verhaler, dan dat wij het zien. Subjectieve, beschouwelijke verhaaltrant, maar een weldaad na de jachterige, pseudo zakelijke, magere verhalen van een jongere generatie. Ik ken Carel Smissaert overigens in het geheel niet.

Typisch is het nu lezen van boeken, die een jaar of tien geleden uitgekomen en toen soms druk besproken zijn. Zo las ik enkele dagen geleden Zijn dit uw kinderen? van D. van der Stoep (Bosch & Keuning N.V., Baarn). Het is me toch niet meegevallen. Wil het kritiek geven op het verburgerlijkte christendom, dan is de kritiek niet fel, niet doorleden genoeg om representatief te zijn. De mensen vallen

[p. 79]

allemaal mee en blijken betere christenen te zijn dan ze lijken. Het boek heeft een moderne snit, maar verschilt naar de geest niet zoveel van de ouderwetse christelijke verhalen.

Om nog even terug te komen op het beschouwelijk element in de verhaalkunst: Van Eerbeek wilde bewust zulk een element in zijn werk importeren, maar het vermengde zich niet met het eigenlijke verhaal- of beschrijf-element. Beide elementen waren op zichzelf al te sterk, te geprononceerd. In de verhaaltrant tegenstrijdige elementen te verzoenen, gaat alleen door een zekere vervlakking, een uitstrijken als het ware.

Nu en dan denk ik wel eens aan een ideale vriend, die ik zou willen hebben bezeten, in wiens doen en laten, liefst ook artistieke creatie ik waarachtige belangstelling zou hebben gehad en aan wie ik me zou hebben kunnen optrekken.

 

We zijn geen meester over de invloed die van ons uitgaat en kunnen die niet regelen. Maar waarom willen we ook onderstrepen dat we er zijn?

 

Een wondje aan mijn vinger, veroorzaakt doordat de bijl waarmee ik hout hakte, uitschoot, genas van de hoeken uit naar het midden. Waarom interesseert dit me zo bijzonder, alsof ik hier een levenswet op het spoor was?

 

De mensen nemen ons het scherpst waar en vormen zich een oordeel over ons op de momenten dat we er het minst aan denken. Doen wij ook niet zo bij hen?

 

Ik heb het gevoel dat nu mijn tweede letterkundige periode begint. De eerste is afgesloten met de novellen Legende van den extatischen ouderling. Open brief aan de jury te Wilmington (Delaware) en Het gezag van Axel Nygaard jr. - De beide romans uit de oorlog: Het oud vertrouwen en Mijn vader, mijn vader ... weet ik nog geen plaats te geven. Voor het eerstgenoemde verhaal schaam ik me een beetje. Ik moet nu weer een tijd krijgen als in de eerste jaren van mijn trouwen; een hernieuwde belangstelling, een nieuw begin, een zuinig opsparen ook. Een onderwerp, of juister een figuur afwachten. Ik zie al de lichtschemer, ik voel al iets van de innigheid der concentratie om zulk een figuur heen. Altijd maar putten uit die figuur, naar alle kanten. Dat zal heel gemakkelijk gaan. Hoe dankbaar ben ik dat ik schrijven heb geleerd. Het bevredigt me toch op rijpere leeftijd dieper

[p. 80]

dan het componeren van muziek zou hebben gedaan. Men wint toch iets bij het ouder worden.

prepostterug  begin  verder