terug  begin  verderprepost

24 december 1944

Rilke schreef aan een jonge dichter: ‘Een kunstwerk is goed, wanneer het uit noodzaak ontstond. In dit karakter van zijn oorsprong ligt zijn oordeel: een ander is er niet.’ Onder dit oordeel buigt men het hoofd; hier is al het bijkomstige op de achtergrond gehouden. Een esthetisch evangelie: één ding is nodig. Aan deze maatstaf gemeten zou alleen Eldert Holier goed zijn: hier heeft het moeten het sterkst gesproken.

Dan komen de bedenkingen. Wat is noodzaak? Bedoeld zal zijn innerlijke noodzaak, dat spreekt bij Rilke vanzelf. Is men zich die innerlijke noodzaak altijd bewust? Kan er niets goeds ontstaan, ook al is het begin een opdracht, een spel, een proeve? Voor Rilke was het waar, voor anderen is het in zekere zin waar. Overigens is er weinig zo onzeker als die ‘zekere’ zin.

Vóór de tweede wereldoorlog was het geloof aan de continuïteit van de Europese cultuur nooit dermate geschokt, dat men, ook na Spengler, niet meer cultureel verder kon denken. De ‘nooit-meer-oorlog’ gedachte, het communisme, de humanitaire stroming in de kunst, die hier te lande - meê via Dirk Coster en De Stem - Dostojewski pousseerde ..., het waren allemaal bewijzen van het geloof aan het voortbestaan van een Europese cultuur die haar wortels in het verleden had. Na deze oorlog zal dit, denk ik wel eens, anders zijn. Bijna bij elke culturele overweging die wij vroeger zonder bijgedachte onbekommerd ten einde voerden, stoten wij nu op de vraag: Heeft dit nog belang; is dit geen voltooid verleden tijd? Kunnen wij alle gevallen steken oprapen? Is Europa ook niet zèlve ‘de bocht des levens omgevaren’ en moet voortaan niet het verleden, maar de toekomst maatgevend zijn? En welke toekomst kan dit anders zijn dan die van onze Heer Jezus Christus? De schriftgelovigen van de laatste dagen zullen bij het ‘maranatha’ moeten leven en zó hun cultuurtaak moeten vervullen. Christelijke kunst- en cultuurbeoefening van na de tweede wereldoorlog zal anders geaccentueerd moeten zijn dan daarvóór. Men kan ook een taak krijgen in een stervende cultuur, opdat ook dit grote sterven schoon zij door de belofte der wederopstanding. We zullen tot elkaar en tot de wereld moeten zeggen: Zie hoe

[p. 81]

schoon is dit in zijn orde, maar het is niet te vergelijken met wat komt. Een duizendstemmig loven zelfs van de gevallen en haar oordeel tegemoetsnellende schepping. De nieuwe aarde heeft geen behoefte aan lof ten koste van de oude.

 

Gisterenavond ging ik beneden sluiten. Iedere volgende trap die ik afdaalde, was kouder dan de vorige. Ik had prettig zitten lezen in Literaire overdenkingen van A. Wapenaar, onder andere een goed opstel over Rilke, niet diep geschokt als de avond tevoren door poëzie van gijzelaars, gevangenen en ter dood veroordeelden, maar genoegelijk beziggehouden als een genezende zieke. Waarom onderging ik dit trapsgewijze kouder worden als iets goeds, iets bevredigends, bijna als de ondemonstratieve demonstratie van een esthetische wet? O rijkdom van het bijna-bewuste, zou men met een variant op Leopold kunnen zeggen.

 

O dit, o dat, zegt Leopold voortdurend. Dit ‘o’ betekent: ik zie je, ik bezing je, ik ben over je ontdaan. Het is het lange haar, de lange jurk van de - overigens prachtige - retoriek, waar wel een centimetertje af kan. Ik sprak niet over het gebed, waar het ‘o Heer’ of ‘o God’ eerbiediger is dan het zeggen van ‘God’ of ‘Here’. Maar laten we overigens dat ‘o’ maar achterwege laten.

 

Het zal zaak zijn tegenover mezelf gereserveerd en héél voorzichtig te staan.

 

'k Zie nu de oplossing. Heb ik het sterven verdisconteerd en vraag ik me af: welk thema kan ik nu nog aan de orde stellen? Het antwoord luidt: dit thema: ‘Aan mij is niets meer verloren’. Ik zoek mijn leven niet meer te behouden, maar geef het uit, als goed geld weliswaar, met een glimlach, een schraalte in de atmosfeer, iets wijs' en rijps, een buiging in de schouders en een hoekje zon in de ogen.

 

Het lijkt me nu heerlijk toe - en vanmorgen in de kerk heb ik erom gebeden - als God me later de ruimte en de stilte gaf om de rijpe vrucht van mijn leven te plukken. En dat bewust als 't kon. Het zou me met het leven verzoenen; niet meer als Holier zou ik zeggen: ‘Wanneer komt er een dag, waarvan ik kan zeggen: dat is mijn dag’ of betuigen dat die dag dan toch gekomen is, maar ik zou zeggen: ‘Dit is uw tijd, dit is uw dag.’

[p. 82]

Dat geluksgevoel iedere morgen, in de kou, als we goed hebben gerust, bewaard zijn gebleven, iets te eten hebben gehad, ons ondanks alle schraalte en gemis gezond gevoelen. Wat heeft gelukkig zijn weinig met stoffelijke omstandigheden te maken.

 

In het licht van Christus' definitieve komst is zijn eerste komst slechts een episode. Maar zonder kerstmis geen oordeelsdag.

 

In het bidden of God ons bewaren wil en alles wil geven wat we nodig hebben zit een onzuiver element, of liever in 't constateren dat God ons tot dusver heeft verhoord. Iets vleierigs en angstigs. Slaafse vrees, die niet past bij het kindschap. Overigens juist vanmorgen in de kerk gehoord dat het tot het kindschap behoort goede dingen te vragen aan de Vader. Maar dat element van slaafse angst deugt niet.

 

Het opkomen van goede gedachten als 't even rustig is. Ook in het leven der volkeren komt dit voor. In die ‘momenten’ ontstaat kunst. Uit die momenten wordt een cultuur gebouwd.

 

Wie een dichter als Leopold wil karakteriseren, moet een tijdlang innig met hem hebben verkeerd. Hij is een beschouwelijk dichter, geen ogenbliksdichter als Geerten Gossaert of Willem de Mérode. Vooral bij de laatste bracht het spontane 't onvolkomene mee. Leopold bereikt in zijn genre hier en daar het menselijk volkomene, maar na moeizame stijgingen en trainingstochten. Hij bemaalt zijn poëtisch rijksgebied, werpt dijken op, verhoogt moeizaam het niveau. Een talent als het zijne is uitstekend geschikt voor bewerkingen en vertalingen.

Kind van zijn tijd is hij in z'n voorliefde voor opsommingen, beschrijvingen en herhalingen; het subject staat passief, belangstellend en keurend tegenover het object. Het individu zit overgevoelig en vereenzaamd in z'n kamer of in de beschutte natuur, met om hem heen een wereld die door ontdekkingsreizen, veroveringen en techniek is komen open te liggen. ‘Schoon en vreemd’ zei Boutens van die wereld. Leopolds talent is muzikaal, méér dan van wie ook van de tachtigers. Groepering van abstracta, vast en fijn aangeven van subtiele overgangen, positie-veranderingen; het ordenen van massa's; vandaar de kosmische inslag - bij hem geen

[p. 83]

mode-artikel als bij latere leerlingen - en de voorliefde voor abstracta, onbepaalde wijs, de -ingen en -heden, het spreken over zichzelf als van ‘dezen’.

En als hij dit alles aanwijst, spreekt hij z'n kosmos toe en zegt ‘o’. Ik ben ontroerd van uwentwege, betekent dit. - Als mens van de negentiende eeuw die ten einde liep, was hij geen ‘Lebensbejaher’ zoals Vondel. Bovendien niet getrouwd. Zijn erotische gedichten zijn kuis en behoren tot zijn allerbeste. Soms komt de onvervalste liberaal om de hoek kijken, de lezer van de N.R.C.

Hij heeft de mogelijkheden van de Nederlandse taal op enkele punten uitgebreid, verfijnd en versterkt. Voorlopig blijft hij voor het hanteren van het Nederlands mijn leermeester, al zie ik hem duidelijk begrensd als mens, taaltechnicus, voeler en verbeelder.

 

Aardig is in de Verpoozingen op letterkundig gebied van Nicolaas Beets op te merken, hoe de Losse opmerkingen en aanteekeningen over Het populaire veel interessanter zijn dan de uitgewerkte lezing. ‘O rijkdom van het onvoltooide’ zou Leopold zeggen. De schets, het fragment, het aforisme behoudt iets fris', omdat de grondvorm voor alle tijden en kunstrichtingen gelijk blijft. Ook aan de onderkleren kan men de tijd herkennen, maar men is er toch menselijker in.

Beets geeft in die losse opmerkingen toch wel eigen en goede gedachten. En een paar aardige citaten, vooral dit: ‘Pour le peuple, il faut que tout coule de source.’ Van wie is die uitspraak?

Dit alles op m'n knie geschreven. Het wordt wat ongemakkelijk en ik hou maar weer eens op.

Nog dit: de overwinning van de slaafse vrees ligt in de bede: ‘Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de Boze.’

Ook dit nog vergeten. In Nietzsches trant, maar niet in zijn geest. Hebt ge een goede daad gedaan? Zend die onmiddellijk drie, vier goede daden achterna. De beste manier om je goede daden te vergeten is ze te verdrinken in een menigte andere.

Nog een aardige uitspraak van Beets (Verp. 2e druk bl. 15): ‘Een vaste hand wordt slechts bij een onbekommerd gemoed gevonden.’ Even verder, op bl. 37, zegt hij: ‘Om namen geeft het (volk) niet, maar om physionomieën. Vele geschriften, redevoeringen, gedichten en liederen hebben daar den stempel niet van. Zij schijnen eerder het product

[p. 84]

van een opvolging van menschen, dan van een bepaalden mensch; zij schijnen somtijds eerder uit een boek of boeken, dan uit een mensch geboren.’ 'k Moest hierbij denken aan Opwaartsche Wegen en het gemis van ook maar enige weerklank bij het christelijk volk. Voor een nieuw tijdschrift moeten we, zoal geen koppen, dan toch ‘gezichten’ hebben.

Een laatste citaat voor vandaag: (bl. 51) ‘Overal blijkt in den Friso, dat een degelijke en veelomvattende studie op den bodem en ten grondslag ligt. En wat zijn dichter weet, weet hij sinds zoo lang en zoo goed, dat het hem te midden van de scheppingen zijner verbeelding noch bekommert, noch aftrekt, noch met zelfbehagen vervult, maar dient.’

Nog even voor het naar bed gaan: Wanneer je verlangens op het gebied van studie, zelfverwerkelijking als kunstenaar enzovoort zo geheel anders zijn uitgekomen (nooit kan ik vergeten hoe ik als jongen van vijftien jaar tegenover het leven stond, vol verwachting, ernst, aandrift, bereidheid, ideeën, muziek, arbeidslust), dan is het geen wonder dat je je eigen oordeel gaat wantrouwen en eigenlijk niets meer voluit durft vragen of wensen. Moet ik nu God bidden om, als Hij mij iets in die richting vóór het eind van mijn leven gaat geven, Hij eerst een klaar en duidelijk verlangen, dat niet is weg te redeneren, in mij wekt? Of is de verrassing beter?

prepostterug  begin  verder