Over het apodictische. Van sommige mensen ‘neemt’ het volk apodictische uitspraken, zonder alles voor klinkende munt aan te nemen, maar toch met waardering. Het apodictische is aanvaardbaar - al zijn de uitspraken het zelf niet - als het met zekere positieve kwaliteiten gepaard gaat. Voor het minst moet het wel de klank van waarachtige subjectiviteit, van echte subjectieve overtuiging hebben.
Ik moest eerst een deel van Europa bevrijd zien, voor ik dit dagboek weer ter hand kon nemen. Zo lang we ons op de volle zee van de oorlog bevonden en niets zagen dan water en lucht, was onze culturele positie te zwevend. Nu zien we de oever.
Naar alle zijden wil ik ‘beantwoorden aan’. Van boeken leren, maar ook van mensen. Kunstenaar zijn, maar ook huisvader. Schrijven, maar ook onafhankelijk daarvan mijn brood verdienen. Thuis zitten, maar er ook op uit trekken.
Actief aan het letterkundig leven deelnemen, maar ook afstand bewaren. Handelen, maar ook denken. Kerkelijk meeleven, een ambt vervullen, maar meteen - min of meer onopgemerkt en vergeten, min of meer als in de droom - mijn weg in het kerkelijke vervolgen. Wat ik niet schijn te kunnen is de specialisatie bewust aanvaarden. Zo valt mijn leven in duizend stukjes uiteen; ik betreur het en toch kan ik niet anders.
In het wetenschappelijke blijf ik dilettant; in het artistieke intellectualist (naar men zegt); in de kerkeraad een tweederangsfiguur en in mijn dagelijks beroep een bruikbare en zelfstandig werkende ondergeschikte. En toch heb ik soms het gevoel: zo moest het, het kon niet anders; op een of andere manier - hoe weet ik niet - komt alles met het ‘klimmen der jaren’ meer en meer naar elkaar toe. Zo gecompliceerd, zo tegenstrijdig kunnen we niet zijn, of we moeten eens en ergens de top van de pyramide bereiken, waar alle vlakken samenkomen.
Hoe scherp, fijn en bevrijdend had ik dit willen zeggen en hoe banaal ziet het er, in vermoeienis geschreven, uit. Maar zijn we misschien in onze vermoeienis niet eerlijker, meer waar, nu onze gedachten te grof zijn voor eufemistiek? Dit is mijn leven, Heer, een kantoorbediende die zich bekommert om cultuur en kunst en zich daarvoor belachelijk meê verantwoordelijk voelt.
Indien men al te angstvallig wil styleren, schiet men vaak aan zijn doel voorbij; in een gesprek waarbij men zich onbekommerd uitspreekt, formuleert men soms niet alleen scherp en juist, maar ook met dat ondefinieerbare, populaire element, dat aan gevleugelde woorden het aanzijn geeft.