terug  begin  verderprepost

1 januari 1945

Tegenover zulk een uitspraak voelt men zich als christen in een diametrale positie. Duidelijk is in dit dagboek te vervolgen de ontwikkelingslijn van een man, die de genade van het dichterschap kent, maar niet méér. Zijn hoogste wijsheid is het ontdekken van, en zich voegen naar de immanente logica van zulk een levenshouding, maar de nu en dan in- en uitbrekende demonie bewijst, dat hij zelf in zijn duistere - eigenlijk heldere en meest ware - ogenblikken heeft beseft, dat zijn weg naar de dood voerde.

De nu volgende opmerking staat los van de vorige. Er zijn dingen die men alleen in en met zijn leven kan uitdrukken, maar niet in de kunst.

 

'k Zou graag gedichten willen schrijven, maar zou dan

[p. 88]

veel kwetsbaarder moeten zijn. Dat ben ik toch liever niet. Primair is mijn behoefte aan geestelijke vastheid, continuïteit, evenwicht. Daaruit te worden gestoten en het dan te hervinden, kan een sterk genot zijn (genot asjeblieft niet in hedonistische zin te nemen, het is iets veel diepers), maar vreselijk is het speelbal te wezen.

 

Welk een dun en schraal genoegen, je op een bepaald punt aan een ander superieur te voelen.

 

Veel staat niet in dit dagboek, kàn er ook niet instaan, wat toch in mijn leven en voor mijn leven in 't afgelopen jaar van groot belang is geweest. Zo de gesprekken en het samen bidden met Willy van Bruinisse (schuilnaam van een Joods meisje, sinds augustus 1944 bij ons ondergedoken), het komen tot geloof van Gerrit Markestein en de wekelijkse bezoeken namens de kerk aan die Roomse zeemansvrouw in de Geuzenlaan. Het zorgvuldigste optekenen - en onder hoeveel afleiding en deining moeten deze regels worden geschreven - is nog maar een gebrekkig seinen.

 

Hebbel had een scherp, vroegrijp en vast oordeel in kunstzaken. Zo wat hij in het aangehaalde werk zegt over Byron op bladzijde 225:

‘Der Dichter that nicht, wie es die grössten aller Zeiten gethan haben, mit jeder Production eine Lebens- und Bildungsstufe ab, um dann eine höhere zu erklimmen und diese abermals auszusprechen’ ... enzovoort.

Dat ‘stufenweise’ produceren heeft mij, sinds het leren kennen van Beethovens simfonieën en Wagners muziekdrama's, altijd het enig juiste en begerenswaardige toegeleken.

 

Gisteren in de kerk gezongen psalm 89 : 19, waarin de regel voorkomt: ‘Wie leeft er die den slaap des doods niet eens zal slapen?’ Veel gedacht aan mijn vader, die dit op zijn ziekbed meer dan eens zong. Ik was toen een jaar of twaalf. Hoe weinig dingen zijn er nodig je een onuitwisbare indruk mee te geven, want gaat er wel een dag voorbij dat ik niet aan hem denk? Hij stierf in 1908. Weinig weet ik van hem, maar dat weinige is iets van mezelf geworden. De slotpsalm van de dienst, 89 : 8, kon ik niet ten einde brengen. De grens viel bijna weg.

[p. 89]

Soms moeten in de stijl de touwtjes strak worden aangetrokken, soms moeten ze wat worden gevierd. Het ‘zeer goede’ - zou Van Deyssel zeggen - is op beide manieren te bereiken. In de novelle De twee voorzeggingen, opgenomen in de bundel Kostgangers Gods en op vele plaatsen in Eldert Holier ben ik in de stylering tot het uiterste gegaan. Koningskinderen, mijn muziekrecensies in De Standaard en Het oud vertrouwen met de alternatieve titel Het dragende land (niet in boekvorm verschenen) heb ik in die min of meer ‘gevierde’ stijl geschreven. De stijl van Mijn vader, mijn vader ... beweegt zich ergens in het midden, evenals dit dagboek. Een feit is dat men bij het losser geschreven proza altijd het gevoel heeft: het had scherper gekund en gemoeten. En het scherp geformuleerde vin je te stijf. Van het experiment komt men nooit geheel af.

 

Het zuiver beschrijven wat men ziet is in de literatuur fout. Bij de beschrijvingen van zonsondergangen enzovoort in Hebbels dagboek zie ik meestal nagenoeg niets. Er moet een vergelijking bij komen, een beeld. Van Eerbeek vergelijkt ergens in zijn Verhalen een avondlucht met een bakkersoven. Dat zegt wat en daarbij ziet men, wonderlijk genoeg, niet de bakkersoven, maar de avondlucht.

Al dit gedachten-opschrijven kan de placenta mee helpen vormen, waaruit straks een nieuw boek wordt gevoed.

 

Waarom schrijf ik in dit dagboek weinig of niets over vrouw en kinderen of over vrienden? Niet alleen omdat ze in mijn onmiddellijke nabijheid zijn en ik mij ook in dit bijhouden van een dagboek niet van hen kan en wil verwijderen, maar vermoedelijk om dezelfde reden als waarom er een wand is tussen mij en de lyriek.

Hebbel a.w. pag. 236: ‘Was nur dem Meister der Kunst begreiflich ist: die Nothwendigkeit, das Wesentlichste oft ganz beiläufig zu sagen, um den schönen Schein der Freiheit nicht aufzuheben?’
pag. 237: ‘Grosse Gedanken können nicht einfach genug ausgesprochen werden, denn die Poesie hängt nie vom Bildertand ab, aber kleine verlangen Putz.’

Dat men zoiets opnieuw moest ontdekken! Het moet toch te allen tijde en onder alle omstandigheden vanzelf spreken! Hoe onnatuurlijk zijn we geworden!

[p. 90]

Mijn hand vraagt naar een stalen pen als deze; een vulpen past bij mijn hand evenmin als het zakenleven bij mijn aanleg. Met de fijne vulpen die ik al jaren gebruik en die voor een vrouw zou kunnen zijn, schrijf ik nooit zonder een onvrijwillige bedremmeldheid en onzekerheid, behalve wanneer ik heel veel schrijf (manuscript Het oud vertrouwen). Ik houd niet van druk bij het schrijven: het mechanisch proces moet een minimum aan inspanning en aandacht vragen. Een buigzame stalen pen heeft karakter, de gouden pen nivelleert. Zo gaat het mij althans.

 

Ongeveer twintig jaar geleden greep me zeer aan een passage uit een gedicht van Tagore, getiteld De bode naar ik me meen te herinneren, een passage die ongeveer zó luidt (een kind spreekt): ‘Zeg Hem dat ik zijn bode zijn wil, op alle wegen, altijd tot zijn dienst.’ Ook nu weer raken deze woorden m'n diepste ziel. Het geluk van God te dienen. Geluk is datgene bewust doen waartoe men geschapen is. Hoe ver zijn we afgedwaald dat we dit weer moeten ontdekken!

prepostterug  begin  verder