Jeugd en literatuur. Dit artikel is geschreven na een bezoek van Thijs Booy met enkele jonge vrienden, min of meer voor latere publicatie.
Jeugd en literatuur, en niet: jeugd en lectuur, want lectuur, dat zijn de boeken en literatuur is meer, veel meer dan wat in de boeken staat. Schrijven over jeugd en boeken zou aan de kern van de verhouding tussen jeugd en literatuur voorbijgaan en het onderwerp op dood spoor brengen. Niet alsof op zichzelf het onderwerp: jeugd en lectuur niet belangrijk, zelfs actueel zou zijn. Maar hier komen we op het terrein van de pedagogiek. Literatuur moet eerst niet maar een dood begrip, doch een levende werkelijkheid voor ons worden. We moeten het woord literatuur eerst welbewust stukslaan. Wie is een dichter? De man die verzen heeft geschreven. Wie zijn de dichters? Zij die als zodanig te boek staan. Maar: ‘Many are poets, who have never penn'd’. Waren zij geen dichters, behoorden ze niet tot de literatuur in die bredere
zin, in die vollere omvang die het woord literatuur in zijn gangbare betekenis uiteendrukt? En geldt zelfs niet van de gerenommeerde poëten, dat veel, misschien wel het belangrijkste, ongezegd bleef?
Wie kan, ten overstaan van zulk een klacht, volhouden dat alleen een min of meer toevallige verzameling van werken eventueel op de naam literatuur aanspraak maakt? Moeten we er niet toe rekenen die gehele prachtig-vlammende protuberans van het onuitgesprokene, zelfs om wat de dichters, ja de grootsten onder hen, niet vermochten uit te spreken of in bitterheid hebben weerhouden?
Maar wat hebben we eraan? Het is nu eenmaal niet ter tafel. Het is ongrijpbaar, ja zelfs veelszins, men vergeve het lelijke woord, onvoorstelbaar. Ongrijpbaar, onvoorstelbaar, ja, als het ons te doen is om het product en niet om de kracht; om wat toevallig van de oogst gered is, maar niet om de vruchtbare akker.
Literatuur is maar niet wat in de boeken staat, literatuur is een vorm van leven. Zij is de beeldende, taalscheppende kracht van het gemoedsleven; zij is de spraak van het hart. Als we tot de literatuur, tot het begrip literatuur alleen rekenen de som van haar producten, snijden we de bloem van de wortel. Bepaling van het begrip literatuur eist, dat men rekening houdt met haar bron, maar ook met haar toekomst. Zij heeft, men vergeve het versleten en veelszins onsympathieke woord, een dynamisch karakter. Ze moet voort. Iedere beschaving, ieder volk, iedere generatie vraagt en dringt naar een eigen literatuur. ‘Als ik eraan ga denken kunst te maken, blaas ik eerst de literatuur van de vorige generatie van mijn schrijftafel’, zei de jonge Van Deyssel. Wat hij wegblies waren hoogstens zekere vederlichte producten; gewogen en te licht bevonden, voor kunst uitgegeven uitingen. Hij moest blazen om een blank en glanzend vlak te krijgen. Zo eerst zag hij weer de literatuur en wat hij van haar wilde. Een sterke taal-willer, zo noemde hij zichzelf. Van Deyssel, de jonge Van Deyssel althans, is een klassiek voorbeeld van een literatuur-vernieuwer, van de man die in-
ziet (hoe zwak is dit woord), die gevoelt, die bezeten is van de overtuiging, dat een nieuwe generatie een nieuwe literatuur behoeft, omdat zij een nieuwe literatuur in zich hééft.
Is het toevallig of opzettelijk, dat we hier weer letten op de jonge Van Deyssel?
Laten we niet langer in het algemeen blijven spreken, maar de situatie waarin we verkeren, bezien. Nederland is in oorlog. Nederland zal herrijzen. Best. Maar wil dit herrijzen waarachtig zijn, dan zal het tot een geestelijk réveil moeten komen. Stoffelijke welvaart is niets waard, ja ten ondergang gedoemd, als ze niet opkomt uit een positieve, cultuurscheppende geest. Geen mens, maar ook geen volk, zal leven bij brood alleen. Deze ijzeren wet staat geschreven boven elk streven naar verhoging van het levenspeil.
Hoe zal met name de literatuur zich na de oorlog kunnen vernieuwen? Nieuw Nederland zal geen nieuwe literatuur krijgen, indien ze die niet reeds in zich heeft. Wat we na de oorlog nodig hebben is een literatuur, waarin het nieuwe levensgevoel zich uitspreekt, dat nu reeds in de besten van ons bezig is te ontstaan, dat reeds een enkele maal onder de spanning van een dreigende of zekere dood in cel of kamp hijgend is uitgestoten of wonderlijk-rustig tot lied is geworden, maar dat door niemand, en nu zeker niet, en gelukkig niet, kan worden omschreven, want elke omschrijving is afstand nemen en elk afstand nemen doodt.
Van wie mag het uitspreken van dit levensgevoel het meest worden verwacht? Van wie er het innigst aan deel hebben. Zijn dat de ouderen? O, ze staan er niet buiten, ze hebben het wel, ze zijn de bruggebouwers, steeds omziende naar het verleden, naar de tijd dat ze zelf jong waren en het levensgevoel van een nieuwe generatie, hùn generatie, in zich droegen. Zij zullen herkennen, ongetwijfeld; ze zullen keuren, vergelijken, uitleggen, begrijpen. Maar de echte dragers van het na-oorlogse levensgevoel zijn zij die in de oorlog zijn gevormd, tot man of vrouw zijn gerijpt. Het is de jeugd.
Maar wie mogen hier tot die dragers van het na-oorlogse levensgevoel worden gerekend? Zij, die zich voor hun generatie verantwoordelijk gevoelen. Dat zijn de geroepenen, de leiders, de sprekers, schrijvers en dichters; in hen dringt de literatuur des harten naar de literatuur van het gesproken, geschreven en gedrukte woord.
Moet dat zo diep worden bezien? Is het niet voldoende de oorlog te beschouwen als een immense voorraad onder-
werpen en stoffen voor gedichten, novellen, romans en drama's? Ja, maar wàt speurt men in al dit gebeuren? Zinloze verschrikking, bestialiteit, woeste zelfzucht hier en verwonderlijke opofferingsgezindheid daar? Hieruit zal geen literatuur ontstaan als dat levensgevoel geen levensaanvaarding insluit; als er niet een ideaal is, een overtuiging die goed en slecht durft noemen, die durft prijzen en veroordelen; als er geen geloof is.
Geen literatuur is zo decadent, of er is een toon van verzoening in. Ontgoocheling, ontaarding, pessimisme alléén kan geen literatuur voortbrengen. Het is de regenererende kracht die God in het mensenleven legt, die weer na oordelen en gerichten bezielt tot idealen. Zolang de wereld bestaat zal die regeneratie, op goede of valse basis, doorgaan. God laat tot het einde toe zijn zon schijnen over bozen en goeden en Hij regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
God gaat daarbij heel eenvoudig en natuurlijk te werk. Er komt voortdurend nieuw, fris bloed. Het is de jeugd.
De jeugd en de literatuur. Zeker, de jeugd heeft deel aan dat nieuwe, leven-aanvaardende en leven-keurende gevoel, maar wordt dat niet maar in enkelen tot spraak? En zijn het van die enkelen niet maar enkele uitverkorenen, die zo bewerktuigd zijn dat ze van dat gevoel, van die gevoelens literaire kunst kunnen maken?
In zekere zin ja; in zekere zin neen. Waar gevoelens leven, worden zij tot spraak. Geen dichter spreekt uit zichzelf alleen; wie het probeerde, stierf af. Hoe sterker de saamhorigheid tussen individu en gemeenschap beseft wordt, des te meer kans is erop dat de spreker, de schrijver, de dichter de mond van zijn generatie wordt. Eén mond, maar de gehele mens, lichamelijk-geestelijk, spreekt er door.
Jeugd van Nederland: de literatuur van uw generatie is uw zaak. Het is niet maar een aangelegenheid van dode auteurs, ouderwetse boeken, examenopgaven, boekenlijstjes, parafrases van gedichten. Hier is iets aan de hand waarmee ge te maken hebt. Ze is er nog niet, de literatuur van na de oorlog en toch, ze is er wel. In u leeft ze. Gij helpt ze maken, in uw leven, door uw leven, door uw levenshouding. Ze zal niet beter kunnen zijn dan gij zijt. Wees dan een goede literatuur waard; heb geloof, aanvaard het leven, om Gods wil, om Christus' wil.
We hebben goede dingen van de tachtiger beweging gezien; zal er wel in Holland een culturele vernieuwing kunnen komen die niet daarop teruggrijpt en zichzelf daarin her-
kent? Maar de tachtigers hebben ook wel verkeerd gedaan: ze hebben de kunstenaar van zijn volk vervreemd. Ze hebben er een wezen van willen maken dat enkel mond, enkel oog en enkel hand was. Ze werden ‘raar en eenzelvig’ (de uitdrukking is van Van Deyssel). En Marsman na hem klaagde:
Het was te laat, en te vroeg misschien. Wellicht is de oorlog nodig geweest om de ogen te openen voor de ontstellende verwoesting die de individualistische houding in leven en kunst heeft aangericht. Maar als we dan over eenheid en saamhorigheid spreken, bedoelen we een waarachtige eenheid en een waarachtige saamhorigheid, geen product van propaganda en volksdressuur, nog minder een mystiek geloofsartikel dat zich grondt op niets dan op bloed en bodem. De jonge mens begrijpt de oude mens niet, totdat hij zelf ouder wordt en gaat onderscheiden. Zo behoren we voor de boeken, voor de literatuur als lectuur, als verzameling van leesbaarheden, wat de jeugd betreft niet bang te zijn. Als zij intensief geïnteresseerd is bij de literatuur van haar eigen generatie, komt er vanzelf een moment waarop ze spontaan gaat zien hoe de oude heren het er hebben afgebracht. Ze waren nog zo gek niet. Gelukkig dan als de school hier een algemene notie heeft bijgebracht; hoe meer men van de literatuur als lectuur weet, des te beter. Hoe zuinig is de man wiens vader vroeg stierf op de spaarzamelijke herinneringen, die het beeld vasthouden. Hoe vol betekenis wordt iedere trek, elke kleine gebeurtenis! Maar de man die zijn vader lang en intiem gekend heeft, draagt de herinnering daaraan bij zich als een schat.
De literatuur van na de oorlog zal nieuw zijn, maar niets nieuws. Evenals de generatie van na de oorlog een nieuwe generatie zal zijn, maar niet een ‘noch nie dagewesene’. Ze zal een vorige, of een voor-vorige, of een lang gestorven generatie en een reeds lang dode literatuur (al was het maar de Griekse) ontdekken en er zich in herkennen. In die herkenning zal ze tot rust komen.
Als 't God belieft kan het een mooi schouwspel worden. Het hangt ervan af of Hij mensen roepen zal. Hij doet het reeds. In ieder die zich voor zijn generatie verantwoordelijk
voelt, leeft daarvan iets. Er is meer op de wereld dan literatuur, maar een wereld zonder literatuur is geen wereld. Jeugd van Nederland, in u leeft de literatuur van morgen. Gij draagt haar - als ge u door God gedragen weet.
Cultuur is niet een eeuwig bloeien op ruïnes. Eens wordt alle menselijke cultuur ruïne. Christus komt terug; we leven in de grote, de definitieve adventstijd. Misschien is het ‘hoe’ van ons gedrag ten aanzien van de cultuur belangrijker dan het ‘wat’. Maar zeker is dat we moeten werken zolang het dag is; de nacht komt, waarin niemand werken kan.