terug  begin  verderprepost

14 januari 1945

Ook vroeger heb ik wel gebeden of God me voor de kunst wilde vrijmaken, maar niet met die stelligheid van nu. Het lijkt mij, naar menselijke maatstaf gemeten, de enig blijvende oplossing. Veel zou dan verklaard en ‘verklaard’ (verklärt) zijn. Hoe bitter zou het wezen vrij te worden bij verval van krachten! Als dit gebed niet verhoord wordt, zal het moeilijk zijn te berusten, blijmoedig te blijven en niet te verzuren.

 

Men moet er maar niet te veel over denken, hoe de literatuur er had kunnen uitzien zonder het classicistisch bederf. Hoeveel minder verveling en hoeveel meer fris leven! ‘In niet één zijner scheppingen heeft Vondel het keurslijf van het bastaardclassicisme te enemaal afgelegd’ (Busken Huet).

 

Erasmus en Boileau hadden de mond van een bibliofiel, schreef ik enige jaren geleden. Nu zie ik dat ook Busken Huet die typische bibliofielenmond heeft gehad. Altijd wat breed, altijd wat dun, met bochtjes van ironie en fijn gevoel; een mond, uitgerekt en dun geworden door veel, enigszins dédaigneus lezen in een behagelijk milieu. Ik lees in Gerben Colmjon, Conrad Busken Huet (N.V. Uitgevers-Maatschappij ‘Oceanus’, Den Haag 1944), op

pag. 128 ‘... De Genestet, met wien Huet een wandeling in den Haarlemmer Hout maakte kort voor diens dood, waarbij de jonge man hem verklaarde dat hij graag met een andere dichtkunst zou komen, meer realistisch ingesteld en die menigeen hem euvel zou duiden.’

Hier een weerhouden van de meest ware, persoonlijke lyriek ... bij een dichter! Weerhoudt mij een onoverwinnelijk instinct tot geestelijk zelfbehoud, De Genestet weerhield blijkbaar vrees voor de publieke opinie. Maar waarom die

[p. 98]

verzen dan niet in het geheim geschreven? Hij was toch dichter?

pag. 142 ‘... Busken Huet blijft de grote, onderlegde en intelligente causeur van onze negentiende eeuw.’

Man van de wereld, bibliofiel en causeur, het hoort bij elkaar. Een christen is te diep om anders dan in het voorbijgaan en onopzettelijk een causeur te zijn. Het causeurschap benijd ik Huet niet. Wel zijn vorming, belezenheid en kennis, het apparaat waarmee hij werkte.

 

Hoe gemakkelijk glijdt men in de droom over moeilijkheden bij schrijven, dichten of musiceren heen! Wordt men wakker en probeert men te reconstrueren, dan merkt men waar het haperde. Toch zit hier een les in voor het bewuste scheppen.

 

Colmjon a.w. pag. 59: ‘... een verdienste van Cats was dat hij zich niet anders voor deed dan hij was.’

Dat is nu net wat ik in het door mij bereikte stadium óók wil. De leemten in mijn kennis en ontwikkeling zijn enorm: ik ben niet alleen niet academisch gevormd, maar spreek geen enkele vreemde taal vloeiend, ben volmaakt onbereisd, ben niet eens een groot lezer, verkeer niet in kringen die in intellectueel of ander opzicht ‘aanzienlijk’ zijn (of onderschat ik mijn vrienden?), ben te oud om het stuk leven dat achter mij ligt, over te doen of te verloochenen; leef bovendien in een geteisterde wereld, op 't ogenblik zelfs nog in een door hongersnood bedreigde stad onder vreemde bezetting, zonder zekerheid of garantie dat we de bevrijding zullen be- of overleven. Dàn ben ik te veel muziekmens om van de literatuur een specialiteit te maken; te hongerig naar literair leven om volkomen melomaan te zijn; als schrijver te geïnteresseerd voor de problemen van vormgeving om naïef verteller te kunnen wezen; te veel romancier toch weer om op te kunnen gaan in het essay. Als kantoorman te veel kunstenaar; als kunstenaar te veel huisvader. Ik ben het punt waar de scheuren in de ruit elkaar kruisen. Is er wel een andere oplossing voor mij dan naar niets meer te streven dan het ‘mijzelf niet anders voordoen dan ik ben’, op papier en in gezelschap?

 

Wie zelf schrijft, leest andere dingen of leest de dingen anders dan wie niet schrijft. Wie zelf schrijft wil ‘blik vangen’, in een letterlijke en gunstige betekenis. Maar mag

[p. 99]

men zich daarbij geheel door zijn instinct, en in zekere zin ook door het toeval laten leiden? Waar is de levende grenslijn? Is eigenlijk niet het hele leven een zoeken naar zulke levende lijnen?

 

Colmjon a.w. pag. 61. Iets doen, met iets nieuws komen ‘zonder dat deze opzet eerst als een theorie is gelanceerd’.

 

Bekend citaat van Voltaire: ‘Vous trouvez que je m'explique assez clairement; je suis comme les petits ruisseaux, ils sont clairs parce qu'ils sont peu profonds.’

 

Colmjon a.w. pag. 94: ‘Als een goed essayist bewaart Huet het pro voor het einde.’

pag. 115: Huet ... ‘niet de beste roman-auteur, doch de voortreffelijkste stylist en de man met den meesten geest. ... De beste Nederlandse penvoerder van dezen tijd.’

 

Helder, schraal, blij, licht, taai, onbevangen en natuurlijk zijn.

 

‘Abide with me’. Onverbrekelijke eenheid van tekst en melodie. Iets scherps snijdt door tot in je binnenste. Een geconcentreerde, scherpe ‘geur’, die ik ook ‘ruik’ aan de beste andere methodistische liederen die Engeland en Amerika schiepen.

 

Colmjon schrijft in zijn boek over Busken Huet over een soms opduikend pathologisch element in diens kritiek. Ik moet hierbij denken aan kritieken van mevrouw Hendrika Kuyper-Van Oordt in De Heraut, bijvoorbeeld aan die over Adat van mevrouw Boldingh-Goemans en van Mientje van Agni van der Torre, ook aan mijn eigen kritiek op Schoonheid en schijn van Sevensma in het Zondagsblad van De Rotterdammer. Veelszins pathologische kritiek.

 

‘Les très riches heures du Duc de Berry.’ Het gehele leven in schoonheid dopen of omtoveren. Mijn eigen ideaal van kunst; onderwerp van Eldert Holier en, in rustiger vorm, van een nieuwe roman?

De negentiende-eeuwse letterkundigen uit de liberale periode waren doorgaans mensen uit de betere standen. In de twintigste eeuw meer verburgerlijkt.

De lectuur van onze eigen gereformeerde theologen en

[p. 100]

geleerden trekt mij aan om de stof en de inhoud, maar stoot me af om de stijl; de afstotelijke werking wint het doorgaans van de aantrekkelijke. Ook de nasmaak is slecht. Bavinck maakt enigszins een uitzondering, maar niet geheel.

prepostterug  begin  verder