Telkens als ik een boek van of over literatuur opneem, weer die heerlijke, rust-gevende ontdekking, dat ik in dit stadium van mijn leven van elk punt uit naar de kern kan doorstoten.
Gelezen De kritische reis van P.H. Ritter Jr. Een enigszins beklemmende, bijna beschamende gewaarwording: de ene leerling van Van Deyssel komt de andere tegen. Gelukkig, we zijn geen van beiden epigoon; Ritter is daartoe, ofschoon in leeftijd dichter bij Thijm staande, te veel werkelijkheidsmens, te geestelijk bereisd en ik sta in de tijd te ver van Van Deyssel af. Maar ik schaam mij niet voornamelijk van hèm te hebben geleerd wat literatuur en wat schrijven is. En niemand kan die plaats, ook nu nog niet, innemen. Een onomkoopbare estheet.
Dichters als Reddingius, Bloem enzovoort. Men bemerkt op een bepaald ogenblik dat men ‘niet aan hen gedacht heeft’. Om dergelijke figuren (en aan hoeveel denk ik ook op dit ogenblik nog niet) weeft zich stil en snel een vriendelijke vergetelheid. Ze sterven literair een zachte dood.
Dit oordeel over Bloem heb ik later moeten herzien!
Van Deyssel kent mij niet en weet niet hoe ik over hem denk en wat ik aan hem heb. Zo zou ook ik ergens een toegewijd lezer kunnen hebben, een leerling, waarvan ik niet weet. Laat ik voor zulke mogelijke lezers en leerlingen blijven denken en schrijven.
Voor Van Deyssel, zegt Ritter, is het fragmentarisme een systeem. De hoedanigheid van het werk is voor hem alles, de omvang is bijkomstig. Hier is de leerling (C.R.) wel heel anders dan de hooggeschatte meester! Als kind had ik al de gedachte: van al die moppen in de kranten over boosaardige vriendinnen, fuivende studenten, schoonmoeders enzovoort zou men een humoristische roman kunnen samenstellen, als men maar wist hoe ze in elkaar te passen! Ik kan een fragment alleen maar waarderen door me te verbeelden dat het
geheel bestáát en ik maar toevalligerwijze van een uitgescheurde bladzijde of een citaat kennis neem. Zo heb ik ook altijd van een dichtbundel, waarvan enkele citaten gegeven worden, een veel monumentaler voorstelling dan waaraan de werkelijke bundel bij eigen lezing blijkt te beantwoorden. In de kunst zoek ik naar synthese en alzijdigheid, trouwens ook in het leven. Ik kan ‘geen schaap verloren geven’. De grondhouding is bij mij dus tegenovergesteld aan die bij Van Deyssel. De eerlijkheid en consequentie aan zijn grondhouding is bij Thijm bewonderenswaardig; zijn volstrekte toewijding aan de kwaliteit een blijvende prikkel voor het literair geweten. Hij is het tegendeel van een ‘Streber’, evenals Leopold. Maar het leven heeft zich aan zijn grondhouding gewroken, evenals het zich aan de mijne wreekt. Hier rest alleen getrouw te zijn tot het einde. Mijn grondhouding is: totaliteit en economie, al lijkt de praktijk er ook niets op.
Sommigen leiden in het openbaar, anderen in stilte. Geschiedenis is prachtig, mits men zich haar ‘oppervlakkigheid’ bewust blijft. De mens ziet aan wat voor ogen is, God ziet het hart aan. Wat hoog is voor de mensen, is een gruwel voor God. Het kleine en verachte heeft Hij uitverkoren. Christelijke geschiedschrijving moet hiermee principieel en praktisch rekenen. Ik heb nog te veel van de Streber in me. Van het schone woord of van de poëzie geen idool maken, maar weten en aanvaarden: in de wereld zult ge verdrukking hebben. Vele laatsten zullen de eersten zijn. God zal genade en ere geven. Of wij het christelijk kunstenaarschap beleefd hebben, valt niet uit de resultaten af te leiden.
Hoezeer is de gang van de literatuur afhankelijk van de personen! Die maken haar geschiedenis. En er is veel meer continuïteit dan hemelbestormende jongeren vermoeden. Zij menen dat met hèn de literatuur begint, terwijl het hoogstens betekent dat zij erin slagen haar voort te zetten. Zo denkt ook de afzonderlijke schrijver in zijn ogenblikken van inspiratie dat hij het ‘noch nie dagewesene’ kunstwerk schept, terwijl hij hoogstens de keten voortzet. Hoe gering moet dan de waarde zijn van wat we zelf maar matig vinden!
Door de lezing van het boekje van Ritter over Lodewijk van Deyssel voel ik me weer een beetje vrijer van het academisme. Goed voor toekomstige opstellen over culturele onderwerpen.
Te zijner tijd ‘pogingen tot monumentaliteit’ bespreken en laten zien waarop ze gestrand zijn. Gorters Pan bijvoorbeeld. Ook Eldert Holier behoort tot deze categorie.
Het geestesleven van vóór de eerste wereldoorlog blijft behoren tot mijn natuurlijk studieveld. Daaraan ben ik verwant en daaruit ben ik voortgekomen. Toen ik als jongetje van tien jaar in Dordt met mijn bijziende, nog niet door een bril gecorrigeerde ogen voor het eerst impressionistische en gepointilleerde schilderijen in het museum zag, herkènde ik deze kunst: zo zag ik de wereld, precies zo.
Mijn uitvoeriger, essayistisch werk heeft, geloof ik, meer eigen stijl dan deze aantekeningen. Alweer een bewijs dat ik op de ‘omvang’ aangelegd ben.
Een knap boekje: dat van Ritter over Van Deyssel. Mij schijnt toch meer de formeel-esthetische kant aan te trekken en de plaats van Van Deyssel in zijn tijd. ‘Jaartallen zien’. Maar dan ‘zien’ als ‘schouwen’ begrepen. Ritter verraadt dat hij dichter staat bij de wetenschap dan bij de kunst. Hij is hier bijna volkomen belangeloos.
Kritiek mag niet dom wezen. Ze is het vaak. Ik bedoel dit: Van Deyssels latere werk lijkt mager, over-precieus, mandarijnenwerk. Een klein kunstje zich daarover laatdunkend uit te laten, zoals ds. Molenaar, die indertijd in Stemmen des Tijds sprak van een ‘emeritus op vacantiereisjes’. Maar nu is het domme dit, dat men de tragiek niet ziet van een man die zichzelf blijft, roerend en standvastig trouw aan zijn grondhouding en opkomt voor de gevolgen. In dit opzicht ben ik in mijn kritisch werk óók vaak dom geweest. Goed oordelen = goed kennen = goed begrijpen = liefhebben.