terug  begin  verderprepost

21 januari 1945

Vanmorgen in de kerk hield de dominee (dr. Dee) een preek in twee punten: het Koninkrijk Gods breekt zich baan met geweld, en de geweldenaars nemen het met geweld. Toen hij het eerste punt - vrij snel sprekend om met de heersende koude de dienst niet te lang te laten duren - had afgewerkt, hield hij even in. Zijn gezicht (dat van een gecultiveerd zeventiende-eeuwer zonder sik) nam een nadenkend-slimme, dubbelzinnige uitdrukking aan. Hij keek als het ware met zijn linker oog naar het eerste, reeds uit-

[p. 103]

gesproken deel van zijn preek en met zijn rechter oog naar het tweede.

 

Afscheid van Van Deyssel. Het wordt tijd weer eens van Van Deyssel afscheid te nemen. Er is niets dramatisch aan dit uiteengaan. Het is trouwens geen afscheid voorgoed: hij behoort voor mij tot de schrijvers op wie men blijft terugkomen. Maar mij nu te lang bij Thijm te blijven ophouden zou gevaarlijk kunnen worden; de lectuur van zijn Verzamelde Opstellen brengt mij in zekere zin terug tot een voorbije periode van mijn meer begrensde literaire ontwikkeling en ervaring. Ik vereenzelvig mij dan te zeer met wie ik was in de jaren 1927 ongeveer, toen ik me tamelijk intensief met hem heb beziggehouden. Het is iets dergelijks als het in je herinnering terugroepen van oude, eigen composities of van oude, eigen verzen. Het ligt dus helemaal aan jezelf.

Heb ik het recht om afscheid te nemen, terwijl ik nog niet alles van hem ken? De Gedenkschriften heb ik nog maar oppervlakkig ingezien; in de zogenaamde Adriaantjes zou ik me helemaal eens willen verdiepen; ook A.J.'s levensbeschrijving van professor Thijm moet ik nog lezen en wat is Van Deyssels werk zonder herlezen? Zo blijft men ook tegenover zijn literaire leermeesters in de schuld, want een studie op touw zetten van meer academisch karakter zou iets doodmaken, waarvan ik het aanwezig zijn verre verkies boven de lagere bevrediging van een gewaande meerdere volledigheid.

Een afscheid dus zonder bombarie, want ‘vereerd’ heb ik Van Deyssel nooit. Ik leerde in de jaren 1912-1914 Is. Querido's romans kennen door een oudere broer. Toen de romans uitgelezen waren, werden de gebundelde artikelen van Querido uit de leesbibliotheek gehaald. Daarin werd over Van Deyssel gesproken als van Querido's leermeester. Het werd 1917 eer ik de eerste bundel Verzamelde Opstellen van Van Deyssel in handen kreeg. Geestelijk was ik toen reeds geheel gevormd; cultureel was ik pas goed in de groei geschoten. Zo werd Van Deyssel nooit mijn geestelijke vader. Hij was mijn ‘nieuwe gids’, mijn zeer bewonderde leermeester, van wie ik letterlijk alles kon leren. Hij had van huis uit, in zijn bloed en in zijn opvoeding, cultuur en eruditie meegekregen; hij kon op een vergevorderd punt beginnen en de literaire arena binnenstappen met een nauwkeurige persoonlijke kennis van en bekendheid met de belangrijkste levende literatoren. Dingen die hij, nadat de bezoekers waren weggegaan, door zijn vader hoorde zeggen,

[p. 104]

hielpen hem heen over een schroom die hem misschien zou hebben bevangen als hij de mensen niet in levenden lijve had ontmoet. Hij had literair leren lopen zonder eerst te hebben gekropen. Van Deyssel heeft in zijn jeugd de literaire kruipperiode overgeslagen. Voor mij, die al in de wachtkamer van een dokter hevig geïmponeerd was, waren literatoren onaardse wezens en het gemis aan academische vorming blijft me nòg hinderen en schrijnen. Waarom hebben de andere burger-literatoren daarvan zo weinig zichtbaar last?

Zo werd Van Deyssel mijn man, op aanbeveling van Querido, voor wie ik wèl verering heb gekend, want toen ik Querido leerde kennen was ik zoveel jonger. In 1904 had ik Querido al ‘herkend’, na lezing van Het Boek in 1904, gekocht voor een dubbeltje en tegen inlevering van een advertentie, bij Stegmans Boekhandel. Dat loopje naar de Claes de Vrieselaan in Rotterdam tussen de schooltijden in en de lectuur van dat geschriftje heeft de Nederlandse literaire wereld op mijn tiende jaar voor mij ontsloten.

Ik zie nu dat Querido Van Deyssel in verschillende dingen heeft nagebootst. Nee, vereerd heb ik Van Deyssel niet, maar toch blijft hij voor mij de prozaïst, zoals Leopold voor mij de dichter blijft. Leopold was een dichter voor dichters en zo is Van Deyssel een schrijver voor schrijvers. Letterkundigen als zij beiden vormen een aparte klasse.

Waarom dan toch afscheid? Omdat men tòch grenzen speurt, grenzen aan hun begaafdheid en grenzen aan hun betekenis. Bij Van Deyssel hindert mij soms een zekere kinderachtigheid en men zou een caricatuur kunnen schrijven of tekenen van de peinzer over Het Goede Leven, alleen, in een behagelijk vertrek, goed verwarmd, stil, in een mooie omgeving, zorgvuldig gekleed en gevoed. En tenslotte ligt zijn literatuur-ideaal een halve eeuw achter ons. Ik ben weliswaar aangewezen op de grote figuren van de eeuwwende (die waarheid heb ik nu pas ontdekt), maar kan er toch het leven niet bij houden. Ik moet erop teruggrijpen, zoals iedere man op zijn jeugd teruggrijpen moet, maar het blijft jeugd.

Noch zijn geesteshouding, noch zijn literatuur-ideaal van het primaat der hoedanigheid, kunnen de mijne zijn en ze zijn het ook nooit geweest. Maar hij vertegenwoordigt voor mij meê het literaire geweten en zijn proza is als zodanig voor mij minstens gelijkwaardig aan poëzie. Van Deyssel kan voor mij geen ‘overwonnen standpunt’ betekenen, omdat hij niet actueel is. Zelfs zijn ontwikkelingsgang, zijn historie is historisch geworden. En toch blijft hij leven.

[p. 105]

Ook daarom moet men niet te lang met hem blijven verkeren, omdat hij zich voortdurend richt op de essentie van literatuur, van kunst en van leven. Iets dergelijks heeft men met Nietzsche, die als stylist, maar meê ook als denker, in een bepaald tijdperk van mijn leven mij heeft helpen vormen. Ze hebben beiden iets ijls, iets scherps, dat het literaire ingewand aantast als je er te veel van neemt. Het is te mager en tegelijk te sterk.

In deze tijd van honger, gebrek aan licht - ik schrijf dit bij een somber lampje op clandestien afgetapte electrische stroom - en kou is er een macht in mij, sterker dan ikzelf, die zich in mij sluit, een concentratie op het schrijven, die ik onderga en die mij troost en sterkt. Veel tijd heb ik niet meer. Ik heb Van Deyssel gelezen zoals hij schrijft: het lezen van kwaliteit, kwalitatief lezen, niet gericht op volume of volledigheid. Ofschoon ik geen behoefte gevoel hem aan te spreken, zou ik willen zeggen: ‘Meester, ik heb u gelezen zoals ge hebt geschreven. Ge hebt mijn literaire leven meê mogelijk gemaakt. Een deel van mijn vorming heb ik aan u te danken. Dat ik op u terugkom is iets vanzelfsprekends, dat is misschien de beste hulde die ik u bieden kan. Ge hebt levende normen van schrijftrant geschapen, die niet straffeloos kunnen worden veronachtzaamd of vergeten. Nu neem ik afscheid van u in de zin waarin Hebbel op middelbare leeftijd van de dingen afscheid begon te nemen, ofschoon hij nog geen grijsaard was. Ge zijt voor mij geen verloren idool, maar een aanzienlijk stuk literaire jeugd, dat achter ons blijft maar meteen blijft leven. Ik blijf, niet uw zoon, maar uw schuldenaar, uw leerling, uw mindere. Als mens ken ik u niet en ik zou er niet eens op gebrand zijn met u te spreken, want wat ik van u nodig heb, hèb ik of kan ik bereiken als ik wil. Het is mijn wens voor iemand na mij te wezen wat gij voor mij geweest zijt. Zo is er continuïteit in de literatuur, overlevering, een boventijdelijk verkeer en gesprek. Meester, dank.’

prepostterug  begin  verder