Gisteren een goede middag bij prachtig weer op het balcon doorgebracht. Ik herinner mij pinkstermaandag 1942, toen ik Het schoone beeld van Van Deyssel heb gelezen. Nu was er een veel nerveuzer achtergrond: een lichte fysieke inzinking op de zondag daarvoor; een meegebrachte vermoeidheid van houtzagen en kachelstoken met een stukgeknipte mat, papierproppen en hout gedurende de morgen; de dagelijkse huiselijke drukte van in de rij staan, onophoudelijk bellen, in- en uitlopen van allerlei mensen en ten slotte de spanning - die bij mij althans bewust niet domineert - om de naderende geallieerden. Maar dit verhinderde de concentratie ditmaal gelukkig niet.
Als men een schoolboek over Franse literatuur doorkijkt en tot de vermoeiende bezigheid overgaat de geciteerde fragmenten van sinds lang overleden schrijvers te lezen, wacht ons een teleurstelling. We vinden hier gedachten en vormen, nieuw en verbazingwekkend voor hun tijd en we voelen onmiddellijk, zoals bij de Confessions van Rousseau: ja, dit is eerstehands. Maar overigens, zoals bij Zola bijvoorbeeld, is onze positie ten opzichte van het werk kennelijk verkeerd. We staan er achter, we zien erop terug en op neer. We staan in de keuken nadat het maal bereid en opgegeten is. Het is niet prettig te ruiken wat men pas gegeten heeft. Dit geldt voor de negentiende eeuw evengoed als voor de zeventiende.
Op een middag als gisteren mocht ik een fijne eenheid in rust bereiken. Voor de deur, aan de kade - die een paar meter lager ligt dan de straat - de grote aken met aardappelen en bieten, schreeuwend werkvolk, schippers, wachtslieden, politie, hongerende mensen en kinderen met zakjes om te bedelen of te gappen; de geduldige, soms schrikachtige paarden, de snel uitlopende boompjes, die vooral fijn kleuren tegen de achtergrond van beschaduwde bakstenen gebouwen aan de overkant; de bleekblauwe, al hete lucht.
Dit alles behoefde mij deze enkele uren niet al te zeer aan te gaan. Gelezen in De Gids van 1937 een studie van Marsman over Gorter, een artikel over Italië en Rusland in de negentiende eeuw en enkele belangrijke verzen van Annie Salomons. Alles leidt tot mijmeren, indien niet over het eigen levenslot, dan over de cultuur. De tweede wereldoorlog is veel meer letterlijk cultuurvernielend dan de eerste. Aan de stand van de cultuur van vóór 1940, de humanistische, kan ik en kan niemand meer volledig deel hebben. Zonder de tweede wereldoorlog zou het voor mij geweest en gebleven zijn een spijtig mee-aanschikken, na-eten en pogen in te halen. Nu helpt mij de constellatie; ik kan, wat ik niet volledig in me heb opgenomen, zoals de verfijnde humanist en kunstkenner dat heeft gedaan, niet als hij zo wanhopig betreuren. Maar we mogen niet onderschatten wat in duizend jaar moeizaam was opgebouwd. Denk aan de geestdrift van de Russen voor Italië. Het was niet enkel mensenwerk, maar een werk Góds van ‘algemene genade’, een prachtige, rijpe vrucht van duizend tegenstrijdige werkingen, tot een latere en diepere eenheid vergroeid. Een zonsondergang over Rome, een zonsopgang achter Venetië. Wat een associaties.
Maar het was geen wonder dat men vóór 1940 dit alles in
de grond van zijn hart moede was. Niet alleen duizend jaar schoonheidsverlangen, maar ook duizend jaar ontgoocheling en onvervuld heimwee had zich in dit cultuurbezit opgestapeld. De westeuropese cultuur was meteen een grootse epitaaf, een monument van tien eeuwen - en in Italië van vijfentwintig eeuwen en langer - ‘gestadige dood’. De dichters van omstreeks 1900, Van de Woestijne, Verhaeren, Rodenbach en bij ons Leopold hebben dit beseft, althans uitgesproken. Bezit maakt moe en tenslotte sterft men eraan.
Zo heb ik veel gemist wat uitgebreidheid van ontwikkeling, bereisdheid en kennis van bijzonderheden betreft, maar in de geestelijke atmosfeer van 1900 ben ik opgegroeid; ik heb die ingeademd en heb er deel aan gehad door affiniteit, lectuur en door wat ik van beeldende kunst in origineel en afbeelding heb gezien. Nu is een verder ingroeien goeddeels gestuit en een mogelijke correctie in christelijke zin van het humanistisch cultuurideaal is door de ontzettende feiten van 1940-45 achterhaald.
Wij kunnen een nieuwe cultuur niet anders zien dan als ‘Jezus in het landschap’. Wij zien de cultuur als een landschap waarin Jezus staat. Zolang Hij in de wereld is - of werkt, wat hetzelfde is, - zolang is Hij het licht der wereld. Deze gedachte zal ik misschien later in een artikel kunnen uitwerken.