terug  begin  verderprepost

18 april 1945

Het is misschien goed dat ik de gedachten in verband met ‘Jezus in het landschap’ ontving tegen die onrustige achtergrond. Is àlles kalm, dan verschiet de extase in het luchtledige, zoals bij Van Deyssels Zondagochtend en bij mijn bladzijde geschreven op die pinkstermaandag in dit dagboek.

Veel zal ik dus blijvend missen, maar toch zal ik min of meer doordrenkt blijven van de geest en de atmosfeer van die nu voorbije cultuurperiode. Het is niet in woorden te zeggen, maar als ik geworden ben, blijven kan, en nu en dan ook bewust kan zijn wat ik eergisteren ‘was’, dan zal ik daarvan iets uitstralen in werk en woord. Geen ‘afrekenen’ meer; anders zijn. Ook in dit leven is de harmonie er reeds. Dit alles kwam tot me en in mij op in de voorjaarszon. Alles zit toch vast aan de natuur.

 

Gebod voor het schrijven: zelfs als ik een ontdekking doe, dit zó voordragen alsof de lezer het gevondene reeds

[p. 121]

kent. Een elegante vorm. Voorbeeld: Marsman in zijn studie over Gorter: De Gids 1937 pag. 74:

‘Gorter versmaadt in deze bundel trouwens de middelen, waarbuiten de poëzie niet kan leven: rhythmisch is zij in een zoo hoogen graad van hiëratische bevriezing geraakt, dat men bijna van stilstand moet spreken: de tijd die verloopt bij het lezen van een dezer verzen, wordt a.h.w. niet gedeeld door het vers zelf; er is dus geen sprake van tweeërlei dynamiek, van gedicht en van lezer, waardoor de rhythmische grondslag ontstaat, waarin het gedicht kan gaan leven.’

Nog een gebod: (De Gids 1937 pag. 356, over de zeventiende-eeuwse Hollandse schilders) ‘het pretentielooze, het nimmer mooi-willen-doen.’

Een derde gebod (De Gids 1937 pag. 367): Levensschetsen schrijven, waarvan gezegd kan worden: ‘Ze vindt haar bron niet in de literaire wetenschap, maar in het letterkundig leven.’

 

‘Al onze biografieën lijken op academische proefschriften en bewijzen bekwaamheid. Een levensschets die lijken zou op het leven zelf, met zijn grillige afwisseling, en die hierdoor gevoeligheid, smaak en zin voor humor zou bewijzen, durft de jonge Nederlander niet aan.’

(Anton van Duinkerken, prijzend Lodewijk van Deyssels boek over Multatuli.)

prepostterug  begin  verder