De bevrijding kwam begin mei. Tegen het eind van mei schreef ik voor een vriendschappelijk samenzijn een Bevrijdingslied, waarin iets van de gevoelens is vastgelegd die ons toen bezielden. Als gedicht sluit het aan bij Emmaüsgangers 1945.
[p. 122]
Bevrijdingslied
't Is niet zo moeilijk nu een vers te maken
op de bevrijding van ons lieve land;
het gaat ermee als met veel andre zaken:
je schrijft maar op, 't recept ligt voor de hand.
't Dient tot veredeling van volksvermaken;
straks komt het lied met noten in de krant.
Je zult er niet van uit je voegen raken
en je bewijst een dienst aan 't vaderland.
Je laat maar vlaggen wappren op de winden;
je spreekt van dundoek, dat is 't meest geschikt;
Vorstin en volk zich weer opnieuw verbinden:
de trouw is àls-maar hecht en onverwrikt.
Je toont het land vol feestelijk-gezinden;
heel Holland juicht, waar j' ook in 't ronde blikt.
Een melodie laat zich gemakklijk vinden,
in C, of A als je wat hoger mikt.
Meen vrienden niet, dat ik de spot ga drijven
met wat bij velen echt en zuiver is,
maar als ik een bevrijdingslied ga schrijven,
dan is mijn toon meer aarzlend dan gewis.
De ware vreugde wil niet recht beklijven:
ons oog is nog gewend aan duisternis;
er is zoveel dat nu komt bovendrijven
aan al te jong en onverwerkt gemis.
Hoe waar is 't, dat we zien maar niet doorgronden.