terug   verderprepost

Nederlandse spraakkunst

E. Rijpma en F.G. Schuringa

bewerking Jan van Bakel

bron

E. Rijpma en F.G. Schuringa, Nederlandse spraakkunst (bew. Jan van Bakel). Wolters-Noordhoff, Groningen 1972 (vierentwintigste druk)

codering DBNL-TEI 1
dbnl-nr rijp001nede01_01
logboek

- 2008-01-10 AS colofon toegevoegd

verantwoording

gebruikt exemplaar

exemplaar universiteitsbibliotheek Leiden, signatuur: S. NED 17 6410

 

algemene opmerkingen

Dit bestand biedt, behoudens een aantal hierna te noemen ingrepen, een diplomatische weergave van de vierentwintigste druk van Nederlandse spraakkunst van E. Rijpma en F.G. Schuringa, in een bewerking van Jan van Bakel uit 1972. De eerste druk van deze uitgave verscheen in 1967. Het originele werk dateert uit 1917.

 

redactionele ingrepen

p. 103: omdat een accolade niet over meerdere regels weergegeven kan worden, is deze met bijbehorende tekst op elke regel herhaald.

 

Bij de omzetting van de gebruikte bron naar deze publicatie in de dbnl is een aantal delen van de tekst niet overgenomen. Hieronder volgen de tekstgedeelten die wel in het origineel voorkomen maar hier uit de lopende tekst zijn weggelaten. Ook de blanco pagina's (p. 2, 16, 36, 86, 190, 276, 278, 296, 298, 326 en 356) zijn niet opgenomen in de lopende tekst.

 

[pagina 1]

NEDERLANDSE SPRAAKKUNST

 

[pagina 3]

DR. E. RIJPMA EN DR. F.G. SCHURINGA

NEDERLANDSE SPRAAKKUNST

BEWERKT DOOR DR. JAN VAN BAKEL

VIERENTWINTIGSTE DRUK

WOLTERS-NOORDHOFF GRONINGEN

 

[pagina 4]

1 2 3 4 5 / 77 76 75 74

© 1969 Wolters-Noordhoff bv Groningen, The Netherlands.

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

No part of this book may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means without written permission from the publisher.

ISBN 90 01 75830 4

 

[pagina 7]

Inhoud

 

Hoofdstuk I. Inleiding


Blz. 17 Taal; taal en spraak (§ 1)
18 Uit de geschiedenis van het Nederlands (§ 2-5)
20 Algemeen Nederlands en dialect (§ 6-10)
26 Het Nederlands in contact met andere talen (§ 11-13)
33 Taalpolitiek (§ 14)

 

Hoofdstuk II. Foniek en accent


37 Foniek, Fonetiek, Fonologie (§ 15-21)
41 Klinkers (§ 22-24)
45 Tweeklanken (§ 25-26)
46 Medeklinkers (§ 27-37)
53 Klankgroep (§ 38-39)
54 Assimilatie (§ 40-42)
58 Fonologie (§ 43)
60 Accent (§ 44-48)
65 Reductie (§ 49)

 

Hoofdstuk III. Woordleer


69 Het woord (§ 50-52)
70 Woordsoorten (§ 53-54)
71 Morfologie (§ 55-56)
74 Samenstelling (§ 57-63)
79 Afleiding (§ 64-65)
80 Uitgangen (§ 66)
81 Voorvoegsels (§ 67-68)
83 Achtervoegsels (§ 69)
88 Samenstellende afleiding (§ 70)
89 Diverse (§ 71-75)
91 De woordsoorten (§ 76-77)
93 Het tussenwerpsel (§ 78-82)

 

 

[pagina 8]


95 Het zelfstandig naamwoord (§ 83)
95 De vormen van het zelfstandig naamwoord (§ 84-94)
105 Syntactisch gekenmerkte subklassen (§ 95-102)
111 Afleidingen van het zelfstandig naamwoord (§ 103-109)
115 Het bijvoeglijk naamwoord (§ 110)
115 De vormen van het adjectief (§ 111-117)
118 Syntactisch gekenmerkte subklassen (§ 118-119)
120 Afleidingen van het bijvoeglijk naamwoord (§ 120-127)
     
123 Het telwoord (§ 128)
124 Vormen van het telwoord (§ 129-133)
125 Syntactische benadering van het telwoord (§ 134-139)
128 Morfologische valentie van het telwoord (§ 140-141)
     
128 Het werkwoord (§ 142)
128 De vormen van het werkwoord (§ 143-157)
143 Syntactische bijzonderheden (§ 158-165)
146 Betekenisgroepen (§ 166-167)
147 Afleidingen van het werkwoord (§ 168-174)
     
150 Woorden zonder morfologische valentie (§ 175-176)
     
151 Het voornaamwoord (§ 177)
151 Overzicht (§ 178-179)
153 Persoonlijke voornaamwoorden (§ 180-181)
156 Bezittelijke voornaamwoorden (§ 182-184)
158 elkaar en zich (§ 185)
159 degene, diegene, datgene (§ 187)
159 hetgeen (§ 188)
159 dewelke, hetwelk (§ 189)
159 dergelijke, soortgelijke, dusdanige, zodanige (§ 190)
160 zo'n, zulke (§ 191)
160 dezelfde, hetzelfde (§ 192)
160 wie, wat (§ 193-195)
163 die, dat (§ 196)
163 deze, dit, gene (§ 197-198)
164 welk (199)
165 wat voor, wat voor 'n (§ 200)
166 men (§ 201)
166 iemand, niemand, iets, niets (§ 202)

 

 

[pagina 9]


166 iedereen, elkeen, menigeen, eenieder, eenelk, een iegelijk (§ 203)
166 ieder, elk (§ 204)
167 ander, een of ander, een en ander (§ 205)
167 deze en gene, deze of gene (§ 206)
168 er (§ 207)
168 zelf (§ 208)
169 alles (§ 209)
169 al (§ 210)
169 menig, 'n, zeker (§ 211)
170 samen, allemaal, alleen (§ 212)
170 Samenvatting (§ 213)
     
172 Het bijwoord (§ 214-215)
     
173 Syntactische bijzonderheden (§ 216-220)
175 Morfologische bijzonderheden (§ 221-224)
176 De bijwoorden naar hun betekenis (§ 225)
     
178 Het voegwoord (§ 226-227)
     
179 Nevenschikkende voegwoorden (§ 228-231)
181 Onderschikkende voegwoorden (§ 232)
182 Op de grens van voegwoord en bijwoord (§ 233)
183 als, zoals, evenals, gelijk, dan (§ 234)
183 of (§ 235)
183 Betekenisrelaties (§ 236)
     
184 Het voorzetsel (§ 237-242)
186 Het lidwoord (§ 243-246)

 

Hoofdstuk IV. Woordgroepsleer


191 De woordgroep  
     
192 Typen van woordgroepen (§ 250)
192 Endocentrische en exocentrische woordgroepen (§ 251)
193 Kern en bepaling (§ 252)
     
194 De substantiefsgroep  
     
194 De voorbepalingen (§ 253-255)
195 De nabepalingen (§ 256)
198 De vrije bepalingen (§ 257)

 

 

[pagina 10]


199 De adjectiefsgroep  
     
199 De voorbepalingen (§ 259)
200 De nabepalingen (§ 260)
201 De vrije bepalingen (§ 261)
201 Onderlinge rangorde van de bepalingen (§ 262)
202 Het deelwoord als bijvoeglijk naamwoord gebruikt (§ 263)
202 De telwoordsgroep (§ 264)
203 De werkwoordsgroep (§ 265-267)
204 Het kernwerkwoord (§ 268)
205 De hulpwerkwoorden (§ 269-276)
207 Plaatsingsregels in de werkwoordsgroep (§ 277-278)
209 De ondoordringbaarheid van de werkwoordsgroep (§ 279)
210 De oneigenlijke werkwoordsgroep (§ 280)
211 Bijzondere gevallen (§ 281)
     
212 De voornaamwoordsgroep  
     
212 De voorbepalingen (§ 282)
212 De nabepalingen (§ 283)
213 De vrije bepalingen (§ 284)
     
213 De bijwoordsgroep  
     
213 De voorbepalingen (§ 286)
214 De nabepalingen (§ 287)
214 De vrije bepalingen (§ 288)
     
215 De woordgroep met als kern een voorzetselconstructie  
     
215 De voorbepalingen (§ 289)
215 De nabepalingen (§ 290)
215 De vrije bepalingen (§ 291)
     
216 De woordgroep met als kern een voegwoordconstructie  
     
216 De voorbepalingen (§ 292)
216 De vrije bepalingen (§ 293)
216 Woordgroepen zonder kern (§ 294)
216 De voorzetselconstructie (§ 295)
217 De voegwoordconstructie (§ 296)

 

 

[pagina 11]


218 Werkwoordelijke constructies  
     
218 De deelwoordconstructie  
     
218 Deelwoordconstructie (§ 297)
219 De volgorde in de deelwoordsgroep (§ 298)
220 Een deelwoordconstructie van een bijzonder type (§ 299)
220 De volgorde in de deelwoordconstructie (§ 300)
     
221 De infinitiefconstructie (§ 301)
     
221 De constructie met te + infinitief (§ 302)
     
222 De persoonsvormconstructie (§ 303)
     
222 De zinsdelen (§ 304)
223 Zin, hoofdzin, bijzin (§ 305)
224 Bevestigende, gebiedende, vragende zin (§ 306)
224 Hoofdzin tegenover bijzin (§ 307-308)
225 Subjectieve en objectieve orde in de hoofdzin (§ 309)
226 De stukken van de persoonsvormconstructie (§ 310)
     
227 De zinsdelen  
     
227 Beginstuk van de hoofdzin (§ 311)
228 Beginstuk van de bijzin (§ 312)
229 Eindstuk (§ 313)
231 Uitloop (§ 314)
233 Moeilijke gevallen i.v.m. middenstuk en uitloop (§ 315)
234 Middenstuk (§ 316-317)
236 Moeilijke kwesties i.v.m. het middenstuk (§ 318)
238 Aanloop (§ 319)
     
239 De functoren; zinsdelen in ruimere zin (§ 320)
240 Het onderwerp (§ 321)
     
240 Zinnen zonder onderwerp (§ 322)
241 Onregelmatigheden in de congruentie (§ 323)
241 Vorm en plaats van het onderwerp (§ 324)
242 Plaatsonderwerp (§ 325)
243 Aanspreking (§ 326)
     
244 Het gezegde  
     
244 Werkwoordelijk gezegde en naamwoordelijk gezegde (§ 327)
244 Vorm en plaats van het naamwoordelijk deel (§ 328)

 

 

[pagina 12]


246 Een moeilijkheid i.v.m. onderwerp en naamwoordelijk deel van het gezegde (§ 329)
246 Werkwoordelijke uitdrukking (§ 330)
247 Het lijdend voorwerp (§ 331)
247 Vorm en plaats van het lijdend voorwerp (§ 332)
248 Bijzondere gevallen (§ 333-334)
250 Het meewerkend voorwerp (§ 335)
250 Vorm en plaats van het meewerkend voorwerp (§ 336-337)
253 Het voorzetselvoorwerp (§ 338)
253 Vorm en plaats van het voorzetselvoorwerp (§ 339)
255 Het oorzakelijk voorwerp (§ 340)
256 Bepalingen (§ 341)
256 De bijwoordelijke bepaling  
256 Vorm van de bijwoordelijke bepaling (§ 342)
258 Betekenis van de bijwoordelijke bepaling (§ 343)
259 De bepalingen van gesteldheid (§ 344)
259 Bepaling van gesteldheid, resultatieve werkwoordsbepaling en vrije predicatieve toevoeging (§ 344)
261 Zinsdeelstukken (§ 345)
262 Bijzondere samengestelde zinnen (§ 346)
262 Constructies met ‘of’ (§ 347)
263 Constructies met ‘al’ (§ 348)
264 Tussenzinnen (§ 349-350)
265 Twee persoonsvormconstructies in bijzinsvorm (§ 351)
266 ‘Ver dat het was’ (§ 352)
266 Andere woordgroepen (Endocentrisch-predicerend)  
266 Bijstelling, predicatieve toevoeging (§ 353)
268 De elliptische zin (§ 354)
269 Woordgroep - Zinsdeel - Functor (§ 355)
270 Nevenschikking (§ 356-358)
273 Samentrekking (§ 359-360)
274 Groepen met zoals, als, evenals, gelijk en dan (§ 361)

 

 

[pagina 13]

Hoofdstuk V. Semantica


279 Betekenis en betekenisfiguren  
279 Betekenis (§ 362-364)
280 Grammaticale en lexicale betekenis (§ 365-369)
282 Synoniemen, homoniemen, homofonen (§ 370)
283 Gevoelswaarde (§ 371)
283 Eufemismen (§ 372)
284 Betekeniswijziging, betekenisisolering (§ 373-375)
286 Metonymia en metafoor (§ 376)
288 Volksetymologie (§ 377)
288 Contaminatie (§ 378)
289 Aspect (§ 379)
290 Aktionsart (§ 380)
292 Modaliteit (§ 381-383)

 

Hoofdstuk VI. Voornaamwoordelijke aanduiding en spelling


299 Voornaamwoordelijke aanduiding (§ 384-385)
301 Woordgeslacht (§ 386)
301 v-, o- en m-woorden (§ 387)
304 Regels i.v.m. v-, o- en m-woorden (§ 388)
305 Spelling (§ 389)
306 Eenheid in de spelling (§ 390)
306 Geschiedenis van de spelling (§ 391)
308 Grondslagen van de spelling (§ 392-393)
309 Verdeling in lettergrepen (§ 394-395)
310 De spelling van de klinkers (§ 396-403)
312 De spelling van de medeklinkers (§ 404-409)
314 De naamvals-n (§ 410-411)
315 De tussenklank in samenstellingen (§ 412)
316 Het aaneenschrijven van woorden (§ 413)
317 Aardrijkskundige namen (§ 414)
318 Bastaardwoorden (§ 415)
320 Hoofdletters (§ 416)

 

 

[pagina 14]


321 Het koppelteken (§ 417)
322 Het deelteken (§ 418)
322 Het samentrekkingsteken (§ 419)
322 Het weglatingsteken (§ 420)
323 Het afkortingsteken (§ 421)
323 De leestekens (§ 422)
     
327 Bibliografische aantekeningen  
343 Register  

 

 

prepostterug   verder