begin  verderprepost
[p. 5]

Voorwoord

De nieuwe bewerking van het vertrouwde boek van Rijpma en Schuringa betekent een duidelijke breuk met een traditie van vijftig jaar. De indeling in hoofdstukken, die sinds 1917 niet veranderde, is nu grondig gewijzigd. In het algemeen is ernaar gestreefd de formele aspecten van het Nederlands de volle aandacht te geven: de in hoofdzaak logische beginselen van beschrijving zijn verlaten en de taalvorm is het uitgangspunt bij uitstek geworden. Op het punt van de morfologie werd daartoe de methode gevolgd van Prof. Dr. H. Schultink, op dat van de woordgroepsleer die van Dr. H. van der Lubbe en Dr. P.C. Paardekooper. Ook studies van andere auteurs werden op verschillende plaatsen benut.

 

Traditioneel blijft het boek in zoverre het de tien woordsoorten handhaaft en blijft werken met semantische aanduidingen als onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp, bepaling van gesteldheid e.d. Wat dit laatste betreft werd de consequentie aanvaard van een afzonderlijke behandeling van de zinsdelen beoordeeld naar hun plaatseigenaardigheden (zinsdelen in engere zin) en beoordeeld naar wat ze voor het begrijpen van de zin inbrengen (zinsdelen in ruimere zin; functoren).

 

Het valt te verwachten dat de spraakkunst in zijn nieuwe vorm de gebruikers van de vroegere drukken veel bekends zal bieden. De inleiding kreeg weliswaar een andere vorm maar bevat toch weinig wat in het oude boek ontbrak; hoofdstuk II, Foniek en Accent, hoofdstuk V, Semantica, en hoofdstuk VI, Voornaamwoordelijke aanduiding en spelling, brengen slechts geringe wijzigingen met zich mee; de bibliografische aantekeningen en het register werden alleen wat toegankelijker gemaakt; de grote mate van semantische nuancering tenslotte die Rijpma-Schuringa eigen was bleef onverlet waar het veranderde uitgangspunt dat toeliet.

 

De bewerker stelt zich niet voor, dat er in kwesties van spraakkunst een laatste woord te spreken valt. Het zal een voldoening voor hem zijn, wanneer blijkt dat de nieuwe druk een uitgangspunt kan zijn voor een vruchtbare discussie met de gebruikers.

 

Oktober 1967

Jan van bakel

[p. 6]

Bij de 22e en 23e druk

Door op- en aanmerkingen van velen was het mogelijk de tekst op een aantal plaatsen te corrigeren of beter te redigeren. Onze dankbaarheid gaat in dezen in het bijzonder uit naar Dr. B.C. Damsteegt, Dr. G.R.W. Dibbets, de heer J. Eimers, Drs. Th. Janssen, Prof. Dr. A.J. de Witte en Prof. Dr. C.A. Zaalberg. Wij hebben met hun kritiek zoveel als mogelijk was rekening gehouden. Ook in de toekomst houden wij ons aanbevolen voor opmerkingen die het boek ten goede kunnen komen.

 

De drieëntwintigste druk bleef ongewijzigd.

 

November 1971

j.v.b.

Bij de vierentwintigste druk

In de vierentwintigste druk werden enkele kleine wijzigingen aangebracht. Ik dank de lezers, die mij op de fouten opmerkzaam maakten. Het bijwerken van de bibliografische aantekeningen kon niet anders dan op onbevredigende wijze gebeuren.

 

November 1972

j.v.b.

prepost  begin  verder