§ 43. Reeds in § 15 is vermeld dat er (als reactie tegen de al te nauwgezette onderscheidingen der fonetiek) een nieuwe tak van taalstudie is ontstaan, de fonologie.
Uit eigen ervaring weet ieder dat lang niet alle klankverschillen taalkundige waarde hebben. De drieërlei uitspraak van de r heeft geen betekenis voor het verstaan; dat de k van leek palataal, die van look velaar is evenmin. Zo kwamen de fonologen ertoe alleen te vragen: welke taalelementen hebben waarde voor de betekenis van het gesprokene? Zulke elementen, de allerkleinste taalvormen dus die nog betekenisonderscheidende functie hebben, noemen ze foneem.
Klanken kunnen dus foneemwaarde bezitten. In pier en bier zijn p en b verschillende fonemen; in peer, pier, paar, puur, zijn het o.a. de ee, ie, aa en uu. Ook leed, leef, leeg, leek, leem, leen, leep, leer, lees is de ee foneem, wat blijkt uit vergelijking met lood, lief, laag, look, loom, laan, liep, lier, loos. De ee-klank in al de genoemde woorden is verschillend van aard tengevolge van zijn verbinding met de volgende medeklinker. Desondanks kennen we maar één foneem ee. De verschillende klankvormen ervan die we constateren, noemen we combinatorische varianten van dit foneem, aangezien ze een gevolg zijn van de combinatie met volgende klanken, dus van wat in de fonetiek assimilatie wordt genoemd. Fone-
tisch is de oe van boer een andere klank dan die in boek: fonologisch is het weer een combinatorische variant.
Vrije of toevallige varianten, niet gebonden aan de taal zelf, doch samenhangend met de ‘eigenaardigheden’ van de spreker, zijn de drie r-klanken, de twee l-klanken die we kunnen opmerken, de [ε:] en [a:] in [pε:rt], [dən hɛ:x], [pa:rt], [dən ha.x], [γ] en [ʒ] in ingenieur [ιnγe.ñö:r], [ιñʒe.ñö:r], de [x] de [ʃ] in architect [αrxitɛkt], [αrʃitɛkt], enz.
Klankvarianten die geen betekenisverschil meebrengen zijn extra-fonologische varianten. Zulke varianten kunnen soms foneemwaarde krijgen: ze worden dan gefonologiseerd: bijv. de [ε:] in [γəlΛkəx niujɛ:r] als rijmwoord op [kαmᾶmbɛ:r] in een liedje van Wim Sonneveld.
Omgekeerd kan een foneem gedefonologiseerd worden, dus zijn foneemwaarde verliezen. De slotklank van rit bijv. was fonologisch eens een d (van rijden); nu is het fonologisch zowel als fonetisch een t blijkens het meervoud ritten.
Tussen p en b, t en d, f en v, s en z, enz. bestaat precies dezelfde relatie: beide klanken worden op overeenkomstige wijze gevormd, doch de tweede van elk paar heeft als extra-element stem. Men stelt deze gelijksoortige verhouding wel voor in de vorm van een reeks, een z.g. correlatiereeks: [p] : [b] = [t] : [d] = [f] : [v] = [s] : [z] = [x] : [γ]. Deze reeks drukt stemcorrelatie uit. De relatie scherpgesneden - zwakgesneden kan men weergeven door de correlatiereeks [α] : [a.] = = [ò] : [o]. = [Λ] : [ö]. In het Frans kan bijv. de nasaleringscorrelatie worden uitgedrukt door: à : en = (tu)es : in = eau : on.
De eigenschappen waardoor de fonemen zich onderscheiden van de andere noemen we relevant eigenschappen. De p heeft zo als relevante eigenschappen de stemloosheid (tegenover de b), de explosiviteit (tegenover de f), de labialiteit (tegenover de t); verder kenmerkt ze zich als consonant tegenover alle klinkers.
Wanneer we de p vergelijken met de b heeft de laatste een eigenschap meer (deze eigenschap heeft de p niet en dat is dus negatief). We zeggen: de p is attribuutloos, de b attribuutdragend.
Fonemen die aldus slechts verschillen in het al of niet bezitten van één bepaalde relevante eigenschap, kan men beschouwen als varianten van een ander foneem, dat al de gemeenschappelijke kenmerken bezit. Dit noemt men het archifoneem van beide. Men geeft het wel aan met het hoofdletterteken van de klinker - dus [A], [O], enz.
In het spreken valt het fonologische kenmerk dikwijls weg: we horen in hand en in kant dezelfde slotklank, die fonetisch wordt aangeduid met [t]. De v van afvallen klinkt als f en verliest dus (door assimilatie) zijn fonologisch kenmerk. Omgekeerd wordt dit aan de p verleend in opbeuren [òbö:rə]. Het wegvallen van het fonologische kenmerk of het toevoegen ervan in klankparen, behorend tot dezelfde correlatiereeks, heet
neutralisatie. In hand is het onderscheid tussen d en t geneutraliseerd door wegval van het fonologische kenmerk, evenals in afvallen [αfαlə]; in opbeuren heeft het neutraliseren plaats door toevoeging ervan aan de p.
Een fonologische eigenaardigheid van het Nederlands is dat een stemhebbende consonant (behalve m, n, l, r) op het woordeinde wordt geneutraliseerd. In de fonetiek heet het dat de slotklank van heb, leef, baad, lig een p, f, t en x is. Ons taalgevoel echter doet ons onderscheid maken tussen tob en top, baad en baat, lag en lach, enz., want we verlengen deze homoniemen tot tobben en toppen, baden en baten, lagen en lachen. De fonologie noemt de slotklanken van tob, baad, lag dan ook niet p, t en x doch geneutraliseerde b, d, g.
De fonologie beschrijft het geheel van klanken waarvan een taal gebruik maakt als een systeem met een eigen structuur: elke klank apart heeft een bepaalde plaats tussen de andere en ten opzichte van elke andere klank. Juist in deze structuur ligt het grote verschil dat we constateren. Een der Nederlandse structuurwetten is de oppositie stemloos-stemhebbend, een andere de neutralisatie dezer oppositie aan het woordeinde. Iedere Nederlander weet dat een Fries al zijn v's en z's uitspreekt als f en s; het Fries is dan ook een andere taal dan het Nederlands, o.a. door het ontbreken van de stemoppositie. Het Engels verschilt van onze taal o.a. doordat de genoemde neutralisatie op het woordeinde er onbekend is. Mensen in wier moedertaal de oppositie scherp- en zwakgesneden niet voorkomt, houden levenslang moeilijkheden met woorden als bom en boom, slip en sleep, gappen en gapen.
Elk Nederlands woord kent de klinker als top van sonoriteit; hij vormt a.h.w. de kern van het woord. Behalve in interjectie (bijv. pst, brr) is de klinker het kernfoneem; de andere fonemen kan men begeleidende fonemen noemen. Men kan ze verder indelen naar de plaats in het woord, waar ze kunnen voorkomen: de [h] bijv. is een beginfoneem, de ng [ŋ] is dit nimmer; [v] en [z] komen nooit aan het woordeinde voor.
Niet alleen met de klanken van een taal kan men zich op structurele wijze bezighouden. Ook op het punt van woordvorming en woordvolgorde kan men de zaken structureel benaderen: men beschrijft de vormingen en volgordes in hun onderlinge verhoudingen en noemt van elke figuur de corresponderende betekenis.