terug  begin  verderprepost
[p. 67]

Hoofdstuk III
Woordleer

[p. 69]

Het woord

§ 50. Het Nederlands doet zich slechts in zinnen aan ons voor. Wie Nederlands hoort, hoort Nederlandse zinnen; wie Nederlands spreekt, spreekt Nederlandse zinnen. Toch is iedere spreker zich ervan bewust dat zijn zinnen bestaan uit één of meer woorden. Er is helemaal geen wetenschappelijke bezinning nodig voor die vaststelling, iets wat voor de constatering van bijv. het foneem niet gezegd kan worden. Het woord is binnen de Nederlandse zin de natuurlijke eenheid.

 

Toch is het niet eenvoudig van het woord een duidelijke definitie te geven. Men zou kunnen zeggen: woorden zijn de kleinste klankgroepen in een zin die zelfstandig en vrij kunnen voorkomen. Maar het is vaak moeilijk te beoordelen of een of andere klankgroep aan die voorwaarde voldoet. Zegt men Dat noem ik verdraaiing van de waarheid, dan geldt het criterium wel duidelijk voor dat, ik, verdraaiing en waarheid; maar geldt het ook voor noem, van en de? (We mogen noem als vorm voor de 1e pers. enkelvoud niet gelijkstellen met noem als vorm voor de gebiedende wijs, zoals vergelijking met ben en wees leert.) Men zou kunnen proberen deze klankgroepen (noem, van, de) te karakteriseren tegenover enerzijds de genoemde vrije vormen (dat, ik, verdraaiing, waarheid), anderzijds ver-, -draai-, -ing, waar-, -heid. Maar het is moeilijk in te zien dat de vrijer is in zijn gebruik dan -ing. Het voornaamste verschil lijkt dat we de los en -ing verbonden met iets anders schrijven.

 

Toch kunnen we met een definitie in de beproefde richting wel enigszins tot klaarheid komen. Immers, geldt voor bijv. -heid en -ing dat ze onlosmakelijk verbonden zijn met resp. waar- en verdraai-, de klankgroepen noem, van en de zijn syntactisch veel vrijer, zoals blijkt bij omzettings- en uitbreidingsproeven:

 

Dat, zei hij, noem ik ... (noem is nu niet meer direct verbonden met dat);

Ik, zei hij, noem dat ... (noem is nu niet meer direct verbonden met ik);

Dat noem ik verdraaiing van waarheid (de is uit de zin verdwenen);

Dat noem ik verdraaiing van de algemeen bekende waarheid (de is nu niet meer direct verbonden met waarheid).

 

Als definitie van het woord geven we daarom: een minimale syntactisch vrije taalvorm. Deze vrijheid houdt niet in, dat een woord in zijn eentje ook steeds als zin gebruikt kan worden (zoals dat, ik, verdraaiing en waarheid), maar wel dat het geen dwingende verbinding heeft met een ander woord.

 

§ 51. Niet alle moeilijkheden zijn daarmee opgelost. Sommige verbindingen van woorden immers laten geen enkele scheiding of verandering

[p. 70]

van volgorde toe: in der minne, bij monde van, uit hoofde van, naar gelang van, (een) sta-in-de-weg, (een) kruidje-roer-me-niet, bruine bonen, (een slag) van-heb-ik-jou-daar, (een) wat-kan-'t-me-schelen (gezicht), (de) laag-bij-de-grond-blijvenden (robbers), (een grappenmaker) van-mot-je-nog-ver (van deyssel), van streek (zijn), heinde en verre, op de loop (gaan). Dergelijke woordgroepen hebben door hun onvrijheid woordkarakter gekregen. Men noemt ze ook wel samenstellingen door syntactische isolering. Grensgevallen zijn pijl en boog, jaar en dag e.d. Bij kop en schotel is het woordkarakter duidelijk door het meervoud: twee kop en schotels.

 

opmerking. Het Nederlands bevat veel woorden die eenmaal op eenzelfde wijze door syntactische isolering ontstaan zijn, zonder dat we ons daarvan nu nog rekenschap geven: achterwege, achterbaks, terstond, inderdaad, nimmer (uit ne-ie-meer = niet-ooit-meer), maar (uit ne ware), indertijd, uiteraard, bijgevolg, nadat, indien, asjeblief, vandaag, uitentreuren, opentop, misschien (uit mag schien = 't kan gebeuren), tenzij (uit 't en zij = of het moest zijn), terwijl, niemendal (uit niet met al) enz.

 

§ 52. Keren we nog even terug naar het zinnetje Dat noem ik verdraaiing van de waarheid. We hebben daarin zeven woorden onderscheiden. Op twee na zijn ze enkelvoudig of monomorfematisch, d.w.z. binnen dat, noem, ik, van, de kunnen we geen delen onderscheiden die een eigen betekenis hebben (zie voor de betekenis hoofdstuk V). Maar de drie delen van ver-draai-ing en de twee van waar-heid hebben wel betekenis-eigenaardigheden. Vaak worden delen van woorden met een eigen niet-lexicale betekenis, d.w.z. een zodanige betekenis dat we er ons niets in de buiten-talige realiteit bij kunnen voorstellen (elementen dus als ver-, -ing en -heid) morfemen genoemd. Delen die wel een lexicale betekenis hebben, -draai- en waar-, en delen van enkelvoudige woorden, dat, noem, ik, van, de, noemt men dan semantemen. Op grond van de moeilijkheid van die buiten-talige realiteit verdient het echter de voorkeur de term morfeem te gebruiken voor ieder deel van enkelvoudige of niet-enkelvoudige woorden dat een eigen betekenis heeft.

 

opmerking. Een morfeem kan natuurlijk evengoed uit één foneem bestaan als een woord slechts één morfeem kan bevatten. Een voorbeeld is het voornaamwoord u. Morfologisch, d.w.z. beoordeeld naar de morfemen, is het woord u enkelvoudig en fonologisch, d.w.z. beoordeeld naar de fonemen, is het morfeem u enkelvoudig. Anderzijds kan een morfeem meerlettergrepig zijn: misschien, inmiddels.

prepostterug  begin  verder