§ 76. Hervatten we thans de bespreking van de woordsoorten die we hierboven hebben onderbroken (§ 54).
| zonder syntactische valentie | (met zinsvalentie) | 1. Tussenwerpsels | |
| met syntactische valentie | met zinsvalentie | met morfologische valentie | 2. Zelfstandige naamwoorden |
| 3. Bijvoeglijke naamwoorden | |||
| 4. Telwoorden | |||
| 5. Werkwoorden | |||
| zonder morfologische valentie | 6. Voornaamwoorden | ||
| 7. Bijwoorden | |||
| zonder zinsvalentie | 8. Voegwoorden | ||
| 9. Voorzetsels | |||
| 10. Lidwoorden |
§ 77. Onder een woordsoort verstaan we een klasse van woorden die in het grondwoord bepaalde formele kenmerken gemeen hebben. Onder formele kenmerken verstaan we eigenschappen die zich in de taalvormen openbaren, d.w.z. morfologische eigenschappen en syntactische eigenschappen. Van morfologische eigenschappen spreken we, waar
het woord de mogelijkheid in zich heeft om deel uit te maken van een samenstelling of om met bepaalde achtervoegsels en uitgangen of voorvoegsels uitgebreid te worden. Van syntactische eigenschappen spreken we, waar het woord de mogelijkheid in zich heeft om met bepaalde andere woorden tezamen een geheel te vormen, een woordgroep of een zin. Tenslotte zijn er nog de niet formele betekeniseigenaardigheden.
De natuurlijke taaleenheid is de zin. Wanneer we taal waarnemen hebben we altijd met zinnen te maken. De taal doet zich slechts in zinnen aan ons voor, d.w.z. in begrijpelijke eenheden, naar binnen gebouwd volgens bepaalde wetmatigheden en naar buiten begrensd door het intonatieverloop.
Het eerste criterium aan de hand waarvan we de woorden in woordsoorten verdelen is de mogelijkheid om samen met andere woorden een woordgroep of zin te vormen. Bepaalde woorden blijken die mogelijkheid te missen; ze kunnen niet het onderdeel van een woordgroep of van een zin zijn. We zeggen dan: ze hebben geen syntactische valentie. Deze woorden noemen we tussenwerpsels (vgl. echter § 78).
Alle andere woorden hebben de mogelijkheid om met andere samen groepsvorming aan te gaan: ze hebben syntactische valentie.
Willen we deze overblijvende woorden nader verdelen, dan zullen we ook het best eerst naar syntactische verschillen kunnen zoeken. Van gewicht lijkt de vraag, of ze in hun eentje als zin kunnen voorkomen. Een aantal woorden blijken voor te komen als éénwoordige antwoordzinnen (ze hebben zinsvalentie), andere treden als zodanig niet op: Wat zie je daar? - Bergen. Wát is ie? - Ziek. Hoeveel centen heb je? - Zeven. Wat deed ie dan? - Vervelen. Wie heeft dat gedaan? - Hij. Wanneer was dat? - Gisteren. Deze mogelijkheid hebben niet woorden als: omdat, en, van, onder, de, 'n.
opmerking i. Bij het eerste van de gegeven voorbeelden (‘Bergen’) merken we op, dat het antwoord hier meervoudig moet zijn om éénwoordig te kunnen wezen. Datzelfde geldt voor een groot aantal zelfstandige naamwoorden, maar niet voor alle: Wat heb je daar? - Geld. Hoe moet je dat nou noemen? - Haat. Toch zeggen we dat de zelfstandige naamwoorden kunnen voorkomen als éénwoordige antwoordzinnen, ook al heeft deze mogelijkheid soms een morfologische voorwaarde. In het algemeen gezegd: we nemen voor een woord aan dat het als éénwoordige antwoordzin kan voorkomen, wanneer een of andere vorm van het woord als zodanig kan verschijnen. Bij het zelfst. nw. geldt dan vaak de beperking van het meervoud, bij het werkwoord die van de onbep. wijs.
opmerking ii. Wanneer we zeggen, dat woorden als omdat, en, van, onder, de en 'n niet als éénwoordige antwoordzinnen kunnen verschijnen, sluiten we het gebruik in zelfnoem-functie uit. Met zelfnoemfunctie duiden we aan het ver-
schijnsel dat een woord niet verwijst naar een realiteit buiten het woord, maar naar zichzelf. Wat staat daar precies? - Omdat. Wanneer men deze woorden aantreft in éénwoordige vragende zinnetjes, kan men ook het best van zelfnoemfunctie spreken: Vertel'ns op! - Ik heb mijn huiswerk niet kunnen maken. - Omdat...? - Ik was ziek, meneer. Met het woord omdat wordt als het ware het eerste woord aangeboden van de zin die de toegesprokene naar het oordeel van de spreker moet gaan zeggen.
De voegwoorden, de voorzetsels en de lidwoorden komen dus niet voor als éénwoordige (antwoord) zinnen, alle andere woorden wel, waarbij de tussenwerpsels zich onderscheiden, doordat ze slechts als éénwoordige zinnen verschijnen. De verschillen tussen voegwoorden, voorzetsels en lidwoorden worden beneden behandeld.
Wie zoekt naar een onderverdeling van de als éénwoordzin verschijnende woorden, kan het best eerst op de morfologische verschillen letten. Een aantal daarvan nl. vertonen een duidelijke en zeer eigen morfologische valentie, terwijl andere die valentie missen, of althans in dezen veel minder regelmatigheid laten zien. Tegenover de regelmaat bij:
| de zelfst. nw.: | leeuw | leeuwtje | leeuwen | ||
| hok | hokje | hokken | enz. | ||
| de bijv. nw.: | groen | groene | groener | groenst | |
| dik | dikke | dikker | dikst | enz. | |
| de telwoorden: | vijf | vijfde | vijven | ||
| twaalf | twaalfde | twaalven | enz. | ||
| de werkwoorden: | blaf | blafte | blaffen | geblaft | |
| maak | maakte | maken | gemaakt | enz. |
vinden we in andere groepen veel minder of hoegenaamd geen morfologische variatie. Het voornaamste verschil is echter dat in de genoemde groepen de morfologische systematiek produktief is terwijl we elders slechts versteende formaties aantreffen. De woorden die zinsvalentie hebben splitsen zich dus tamelijk duidelijk in twee groepen. Over de syntactische verschillen die ook hier bestaan, hoewel het schema daar niet over rept, spreken we bij de behandeling van de individuele woordklassen. Ook het onderscheid voornaamwoord - bijwoord komt beneden aan de orde.
§ 78. In het schema van woordsoorten zijn de tussenwerpsels of interjecties gekarakteriseerd als woorden zonder syntactische valentie. Dat wil zeggen: ze hebben steeds in hun eentje zinsvorm. Ze zijn niet opge-
nomen in het grammaticale verband van een groter geheel zonder dat ze daarvan een deel vormen dat gelijkwaardig is aan de rest; tussen de interjectie en de rest kan dan geen voegwoord geplaatst worden. In zinnen als Zeg, zou je niet eens even helpen? Heremijntijd, jij durft ook niet veel, zijn de interjecties zeg en heremijntijd weliswaar opgenomen in een grotere intonatieve eenheid maar daarbinnen staan ze los, zonder dat er een voegwoord kan worden toegevoegd. Nu zijn er wel meer woorden die aldus kunnen voorkomen (Jan, zou je niet eens even helpen? Jij mannetje met je grote mond, jij durft ook niet veel) maar dergelijke woorden lenen zich voor groepsvorming. Tussenwerpsels zijn dus woorden zonder syntactische valentie. Ze verschijnen steeds in de zinsvorm en wel als één-woordige uitroepende zinnen.
opmerking. De enige syntactische valentie waarover tussenwerpsels beschikken is de herhaling: Zeg zeg zeg, zou je dat niet eens laten? Hè hè, wat ben jij leuk! en de combinatie met andere tussenwerpsels: Zeg hee, wat doe jij daar?
§ 79. De naam interjectie, tussenwerpsel, suggereert dat een woord van deze soort ergens tussen staat. Wanneer we blijven binnen de grenzen van één intonatiepatroon is dat echter uitzondering: Haar stem klonk, ach, zo verdrietigjes (couperus). Gewoner is dat het tussenwerpsel voorop staat; een woord als hoor komt uitsluitend aan het einde voor: Ik denk het wel, hoor; Wacht maar, hoor.
§ 80. Over morfologische valentie beschikt het tussenwerpsel volgens het schema niet. Ook op dit punt echter moeten we wat genuanceerder zijn, hoewel er geen sprake is van een duidelijke systematiek. Sommige tussenwerpsels lenen zich tot vorming van werkwoorden: puffen, sissen, siepsappen, kletsen (het geluid maken dat met het tussenwerpsel klets wordt nagebootst). Dit geldt slechts voor een aantal klanknabootsende interjecties. De mogelijkheden tot samenstelling zijn zeer gering: Er heerste in de zaal een hoera-stemming. Een bekend voorbeeld uit het Duits is Aha-Erlebnis.
§ 81. Klasseverhuizing doet zich op beperkte schaal voor; het tussenwerpsel wordt dan gebruikt in de syntactische valentie van een andere woordsoort. In de kindertaal vooral treffen we voorbeelden aan als: 'n waf (een hond), 'n boe (een koe), 'n tik-tak (een horloge). Ook de in de algemene omgangstaal opgenomen woorden als koekoek, karkiet, zullen we zo moeten verklaren.
opmerking. Wanneer we ('n) koekoek een zelfst. nw. noemen en ('n) waf een in de valentie van een zelfst. nw. gebruikt tussenwerpsel, geeft het gewone, meest voorkomende gebruik de doorslag.
Andere gevallen van klasseverhuizing zijn: Hij was helaas niet aanwezig, Het was verduiveld ver, drommels mooi (als bijwoorden gebruikt). Soms doen zich daarbij nog merkwaardige morfologische uitbreidingen voor: Het was verdraaids ver (een adverbiale -s), Hij was verrekte ziek.
§ 82. Naar de ‘betekenis’ kunnen we de tussenwerpsels verdelen in:
| 1. | betekenisdragende:
|
||||
| 2. | klanknabootsende (onomatopoëtische; onomatopee = klanknabootsing): klets, pof, pats, boem. |
Van een aantal tussenwerpsels kan men de herkomst vermoeden. Als tussenwerpsel echter vertonen ze in verhouding tot het uitgangspunt betekenisverbleking of -veralgemening. Er wordt wel eens humoristisch mee gespeeld: ‘Komaan! (zoals de man tegen de nauwe laars zei)’ zeide Pulver, ‘dan zullen wij met de vertelling van wal steken’ (van lennep).
§ 83. In het schema van de woordsoorten zijn de zelfst. nw. gekarakteriseerd als: morfologisch (op een bepaalde wijze) gekenmerkte woorden met mogelijke zinsvalentie. We zullen vooreerst stilstaan bij de vormen van het substantief, vervolgens een paar voorname syntactisch gekenmerkte subklassen bespreken en daarna de afleidingen bezien.
Boven (§ 66) is al gebleken dat zelfstandige naamw. vanuit hun grondvorm in het algemeen hoogstens kunnen worden uitgebreid met de volgende uitgangen:
| 1. | -ə(n) | ter vorming van het meervoud; |
| -ərə(n) of -ərs | ter vorming van het meervoud; | |
| -s | ter vorming van het meervoud; | |
| 2. | -ə(n) | ter vorming van de genitief; |
| -s | ter vorming van de genitief; | |
| 3. | -ə | ter vorming van de datief. |
We kunnen de vraag in het midden laten met hoeveel uitgangen we hier te maken hebben; in dit verband spreken we, omdat we vorm en betekenis tezamen in het oog moeten houden, achtereenvolgens over het meervoud, de genitief, de datief.
§ 85. Het regelmatige meervoud van een zelfst. nw. wordt gevormd door toevoeging van -en (-ə, -ən) of -s. Het eerste morfeem kent variatie naar gelang de spreker gewoon is de -n wel of niet te laten horen. Spreekt hij de -n wel dan treffen we naast -s aan -ən en -n: pannən, ziektən; spreekt hij de -n niet dan -ə en -: pannə, ziektə (Vgl. beneden § 86h). De uitgang -en komt het meest voor. Beide zijn echter produktief.
Zonder dat er algemene regels te stellen zijn voor het gebruik van de afzonderlijke uitgangen, zijn er toch wel een paar regelmatigheden te signaleren.
De uitgang -s verschijnt wanneer het enkelvoud eindigt op een klinker of op -ə: radja's canapés, kadi's, piano's, paraplu's, bale-bale's, tralies, eega's (eegaas), la's (laas), ra's (raas), tra's (traas), vla's (vlaas). Uitzonderingen zijn: knie-knieën, drie-drieën, zee-zeeën, koe-koeien, vlo-vlooien. Sommige woorden van deze typen hebben behalve -s ook -en: reu-reuen/reus, keu-keuen/keus, tralie-tralies/traliën, groente-groentes/groenten. Verder komt -s voor bij alle woorden op -el, -er, -en, -em en alle verkleinwoorden: beitels, hamers, molens, bodems, boompjes. Een -en-meervoud hebben alle woorden op -s. Bij een groot aantal woorden zijn beide uitgangen mogelijk. Regels daarvoor zijn niet te geven.
We wijzen echter op het volgende:
1. 't Meervoud op -s wordt hoe langer hoe meer gebruikt, vooral in gesproken taal en daardoor ook bij schriftelijk gebruik. Het is dikwijls meer familiaar dan dat op -en, bijv.: premies naast premiën, leraars naast leraren, groentes naast groenten. Vooral van de woorden die op een toonloze -e uitgaan komt de meervoudsvorm op -s steeds meer voor, wellicht ook in verband met de onhoorbaarheid van de -n (vgl. § 86h).
2. Afgezien van bovengenoemde nuancering in stijl komt bij heel wat woorden een vorm voor op -en (-n) en een op -z zonder verschil in betekenis, bijv.: appelen - appels, eigenaren - eigenaars, kameraden - kameraads, leraren - leraars, professoren - professors, doctoren - dokters, traliën - tralies, premiën - premies, groenten - groentes.
3. In enkele gevallen gaat echter verschil in vorm samen met verschil in betekenis bijv.:
| hemels (van troon of ledikant) - hemelen (uitspansel); |
| letters (klanktekens) - letteren (letterkunde of brief); |
| middels (tailles) - middelen (hulpmiddelen, financiën); |
| rdens (verhoudingen) - redenen (beweegredenen); |
| stuks (exemplaren) - stukken (delen, papieren); |
| tafels (huisraad) - tafelen (stenen of metalen platen waarop men wetten grifte); |
| vaders (ouders) - vaderen (voorouders); |
| portiers (deurwachters) - portieren (deuren); |
| viziers (ministers) - vizieren (van geweren of helmen); |
| curators (bij faillissementen) - curatoren (van een gymnasium bijv.); |
| Heidens (zigeuners) wordt in de spreektaal nooit en in de schrijftaal zelden gebruikt; daarnaast heidenen (ongelovigen). |
| Naast knechts (bedienden) komt in dezelfde betekenis knechten voor, dat in de schrijftaal ook voor soldaten, trawanten gebruikt wordt. |
| Studies wordt als kunstterm gebruikt; naast studiën (wetenschappelijke oefeningen, onderzoek) komt in de spreektaal ook studies voor. |
| 't Meervoud van wortel (van een plant) is meestal wortels; in de betekenis van groente gebruikt men wortels en wortelen. |
| Wapen (blazoen) heeft als meervoud wapens; in de betekenis van middel om zich te verweren wordt wapens en wapenen gebruikt. |
4. De bastaardwoorden op -ier krijgen -s in 't meervoud, als ze personen noemen, anders -en, bijv.:
| a. | kruideniers, tuiniers, grenadiers, palfreniers; |
| b. | manieren, formulieren. |
De persoonsnaam officier heeft officieren.
Op de meervouden van portier en vizier is reeds gewezen onder 3.
§ 86. Onregelmatig meervoud. De niet produktieve uitgang -eren, gevarieerd -ers, komt voor bij: kinderen, eieren, bladeren, runderen, kalveren, beenderen, hoenderen (beide met een fonetisch verklaarbare -d-), raderen, lammeren; zonder de variant -ers bij volkeren, liederen, gelederen, goederen, gemoederen, klederen (hiernaast kleren).
Sommige van deze woorden hebben ook een regelmatig meervoud: bladen, benen, volken.
Deze onzijdige substantieven hebben historisch gezien een dubbele meervoudsuitgang. De uitgang -er was oorspronkelijk uitgang van de stam; hij werd later beschouwd als meervoudsuitgang, dus: lieder, kinder, en daarachter is later naar analogie van de gewone meervoudsvormen nog -s of -en geplaatst. Zo ontstonden de stapelvormen liederen, kinders enz. In sommige dialecten leven de oude meervouden op -er nog voort (Vgl. § 60).
Van onregelmatige meervoudsvorming moeten we ook spreken bij
a. een groep met afwijkende vocaal:
| pad - paden, vat - vaten, gat - gaten; |
| dag - dagen; |
| stad - steden; |
| schip - schepen, lid - leden, smid - smeden; |
| tred - treden, gebed - gebeden; |
| slot - sloten, lot - loten, god - goden, schot - schoten; |
| waarheid - waarheden. |
b. de woorden koeien en vlooien, die een onregelmatige overgangsklank vertonen.
c. de woorden met afwijkende consonant:
| f/v: | raaf - raven, dief - dieven, golf - golven; |
| s/z: | muis - muizen, dwaas - dwazen, gans - ganzen; |
| p/b: | schub - schubben, web - webben, sneb - snebben; |
| t/d: | hoed - hoeden, gemoed - gemoederen, raad - raden; |
| ch/g: | heg - heggen, maag - magen |
(vgl. het hoofdstuk over de spelling en opmerking III bij § 56).
d. bepaalde woorden op -man, die een meervoud op -lui of -lieden hebben.
Geven de samengestelde woorden op -man een beroep of ambt te kennen, dan eindigt 't meervoud in de gesproken taal op -lui, in de geschreven taal op -lui of -lieden: timmerlui, werklui; staatslieden, edellieden (meestal edelen). In het a.n. komt evenwel ook sjouwermannen voor.
Daarentegen: leenmannen, Noormannen, blindemannen, Oranjemannen, schoolmannen. Landsman heeft echter landslui en landslieden.
Anders afwijkend zijn weer Engelsman - Engelsen, Fransman - Fransen e.a.
e. bepaalde samenstellingen (waarin ieder van de delen een ambt aanduidt) krijgen een meervoudsuitgang achter beide leden (kapiteins-kwartiermeesters, rechters-commissarissen, secretarissen-penningmeesters); wordt het tweede deel oorspronkelijk als adjectief bedoeld, dan krijgt alleen het eerste deel de uitgang (advocaten-generaal, executeurs-testamentair, consuls-generaal).
Regelmatig echter zijn: luitenant-generaals, adjunct-commiezen, kandidaat-notarissen, assistent-residenten, sergeant-majoors, tamboer-majoors, generaal-majoors, gouverneurgeneraals (naast gouverneurs-generaal), adjudant-onderofficieren.
f. de gevallen leerrede - leerredenen, lende - lendenen (ook lenden), sieraad - sieradiën (ook sieraden), kleinood - kleinodiën (ook kleinoden). Waar ook een regelmatig meervoud bestaat is dat stilistisch het meest neutrale.
g. de meervouden van vreemde woorden als
centrum - centra, museum - musea, gymnasium - gymnasia, lustrum - lustra, criticus - critici, medicus - medici, genius - geniën;
basis - bases, dosis - doses, crisis - crises, solo - soli, porto - porti, saldo - saldi, collo - colli (stapelvorm colli's), epos - epen of epopeeën - van het Franse épopée - (naast regelmatig epossen).
De regelmatige meervouden die zich bij deze groep steeds duidelijker doorzetten hebben geen stilistisch lagere waarde, maar zijn wat minder ‘geleerd’, getuigen van mindere eruditie bij de sprekers; daarom liggen ze sociaal wat moeilijk.
h. In de mond van sprekers die de -n niet laten horen, klinkt het meerv. van ziekte als ziektə. Bij hen is er dus een meervoud zonder uitgang; het is echter zeldzaam want meestal spreken zij ziektəs.
Wat betekenistegenstellingen betreft noemen we in verband met de meervouden op -eren en -ers:
benen (ledematen) naast beenderen (delen van 't geraamte); in de laatste betekenis wordt echter soms ook benen gebruikt, bijv.: 't vlees en de benen, vodden en benen;
bladen (van boeken, dagbladen) - bladeren (van bomen); in deze betekenis ook bladen en in de spreektaal blaren;
kleden (vloer- en dekkleden) - klederen of kleren (kledingstukken);
broe(de)rs en zusters (kinderen van dezelfde familie) naast broederen en zusteren (leden van dezelfde godsdienstige gemeenschap).
§ 87. Van sommige zelfstandige naamwoorden komen geen meervoudsvormen voor, terwijl van andere alleen een meervoudsvorm wordt aangetroffen. Dergelijke beperkingen hebben een semantische oorzaak.
Geen meervoud hebben:
| 1. | eigennamen (zie § 99) die niet als soortnamen gebruikt worden: Amsterdam, Frankrijk, Rijn, Rhône, Denemarken. |
| 2. | veel verzamelnamen: gevogelte, gebladerte, loof, huisraad, vee, kroost, buit. |
| 3. | veel stofnamen: goud, kwik, anijs. De meeste kunnen echter gemakkelijk als soortnamen gebruikt worden. |
| 4. | veel abstracta: hulp, verdriet, afgunst, koude, honger, spijt, achting, ernst, geroep, gedraaf, liefde, eerzucht. |
| 5. | enkele plantenamen: klimop, kroos, kruizemunt. |
| 6. | andere woorden met semantische beperkingen: heelal, uitspansel, vagevuur, boeddhisme, mensdom, nakomelingschap, katholicisme, renaissance. |
opmerking. De onder 2, 3, 4 en 5 genoemde groepen horen alle tot de stofnamen in ruimere zin. Vgl. § 99.
Naast deze woorden gebruikt men om zaken met soortnamen te kunnen noemen meestal een andere meervoudsvorm: dank - dankbetuigingen, arbeid - werkzaamheden, bedrog - bedriegerijen, hinder - hindernissen, raad - raadgevingen, genot - genietingen, hoop - verwachtingen, spot - spotternijen, lof - lofspraken, rede - redevoeringen, troost - vertroostingen, gedraai - draaierijen, roof - roverijen, twijfel - twijfelingen, doel - bedoelingen of doeleinden.
§ 88. Sommige woorden komen alleen in 't meervoud voor (pluralia tantum; enkelvoud: plurale -).
voorbeelden: hersenen, notulen, fratsen, paperassen, lieden, inkomsten, (on) kosten, mazelen, manen (van een dier), manufacturen, onlusten, erven (erfgenamen), zemelen, bescheiden, gelieven, gespelen, de Staten-Generaal. Ook aardrijkskundige namen: de Alpen, de Balearen, de Pyreneeën, de Cycladen.
In composita vinden we echter doorgaans de enkelvoudsvorm: hersenoperatie, ingewandskwalen, voorouderverering, onlustgevoelens, zemelbrood.
Evenzo vormt men afleidingen van het singulare: pokachtig, fratserig, zemelig, zenuwachtig, Baleaars, Pyrenees.
§ 89. De genitief (2e naamvalsvorm). Onder de genitief verstaan we een vorm van (in dit geval) het substantief, ontstaan door toevoeging van -s of -en, zonder meervoudsbetekenis. De genitief op -s is bij bepaalde zelfst. nw. produktief, die op -en is onproduktief. Bepaalde woorden welke eindigen op een sisklank hebben een onproduktief gevormde genitief op -es: huizes, vlezes, kruises. Substantieven op -s die behoren tot de groep welke een produktieve genitief op -s vormen, zijn in hun genitief niet formeel herkenbaar: Jos' boeken, Marnix' vriendschap: meest zegt men dan wel Jos z'n boeken. Bij substantieven op -en onderscheidt men soms een grondwoord op -e; de uitgang van de 2e naamval is dan dus -n (de zegen des Allerhoogsten). Genitieven op -s noemt men sterk, die op -en zwak. Zwakke genitieven komen voor bij enkele mannelijke persoonsnamen (mens, heer, graaf, hertog, vorst, prins, paus, profeet, knaap, held, bediende, getuige, bode, arme, dove en andere op -e) en bij het woord hart.
opmerking. Terwille van 't ritme vindt men soms nog andere woorden zwak verbogen: 's Levens dieper zee te peilen is des mannen plicht (potgieter). Men kan hier denken aan vorming naar analogie van bijv. mannenplicht.
voorbeelden.
In voorbepalingen:
1. -s is produktief bij eigennamen en verwantschapsnamen en andere woorden die als eigennaam worden gebruikt: buurmans kippen, op buurvrouws verzoek, burgemeesters hond, dominees meid, meesters huis, Karels werk, Maries boeken, Jantjes speelgoed, Perks gedichten, (mijn) vaders kantoor, moeders hoed, tantes uitnodiging, Karel de Stoutes nederlagen, liefdes uur, nachts bekoorlijkheden.
In mijn vaders kantoor, Karel de Stoutes nederlaag, zijn mijn vader en Karel de Stoute als één geheel opgevat, als woordgroep. Men kan hier spreken van de buiging van een woordgroep. Dit verschijnsel is al oud: in den jaer ons heren dusent II hondert XCVI (Mnl.); de drijvers stock is doof (Vondels Roskam, r. 137).
opmerking. In dezelfde semantische functie gebruikt men heel dikwijls de onverbogen vorm, gevolgd door een bezittelijk voornaamwoord, bijv.: Karel z'n werk, Marie d'r boeken, Jantje z'n speelgoed, Perk z'n gedichten. Vgl. § 255.
2. onproduktief is de -s in vaste uitdrukkingen, genitieven uit een vroeger taalperiode (isoleringen), bijv.: 's lands welvaren, 's konings verjaardag, 's levens dieper zee te peilen/Is des mannen plicht (potgieter), 's braven mans naïveteit, des noodlots
nederslag, 's lands wijs 's lands eer, ondank is 's werelds loon; zijns weegs gaan, zijns loons waardig, wat des Keizers is, zijn bovendien syntactisch afwijkend; vgl. ook 's nachts, 's maandags.
3. -en komt alleen voor in archaïstische taal: des vorsten wil, 's Heren zegen, des mannen plicht (potgieter), 's mensen bestemming, 's harten grond, des allerhoogsten geest (van allerhoogste).
opmerking. Bovendien zijn in samenstellingen nog enkele zwakke genitieven van vrouwelijke woorden bewaard, bijv.: Vrouwenparochie, Vrouwendag, Geertruidenberg, Mariënberg, de dronk van St.-Geertenminne, St.-Odiliënberg.
In nabepalingen is het gebruik van genitivische substantieven ook een archaistisch verschijnsel:
| 1. | de rede des ministers, het teken des kruises, de heer des huizes, de zwakheid des vlezes, de overwinningen des veldheers, het lied des storms, de stem des volks, de geneugten des winters, de dag des oordeels, de energie des groten Zwijgers, de roemrijke daden zijns nageslachts, de geest onzes volks. |
| 2. | de wil des vorsten, het kind eens armen (van arme), de vreze des Heren, in de hope des eeuwigen levens. |
opmerking. Het gebruik van genitivi in nabepalingen gaat meestal samen met het gebruik van een verbogen lidwoord. Uitzonderingen: een bete broods, veel leeds.
§ 90. Semantische functies van de genitief. Voor het gemak betrekken we in deze paragraaf in de voorbeelden ook gevallen die gekenmerkt zijn door genitivische vormen van de bijvoeglijke woorden, bijv. nw., lidwoorden en voornaamwoorden.
De genitief kan voorkomen:
1. als bijvoeglijke bepaling (attributieve genitief). De betekenis is zeer verschilland; zo komen o.a. voor:
| a. | de genitief van bezit (possessieve genitief), bijv.: vaders hoed, tantes japon, des monsters muil; de schepen dier reders, 't gebouw der firma; de eigenaar der fabriek, de heer des huizes. |
| b. | de genitief van oorsprong of afkomst, bijv.: Perks sonnetten; het lied des storms, 't licht der maan. |
| c. | de genitief die een nader kenmerk uitdrukt: de commandant der landmacht, een droom der jeugd, de plek des onheils, de geest des twijfels, de dag der wrake, de loop der vlammen. |
| d. | de superlatieve genitief, die vooral voorkomt in uitdrukkingen, aan de Bijbel ontleend en daarom ook wel de bijbelse of Hebreeuwse genitief genoemd wordt, bijv.: de Koning der Koningen, het Boek der Boeken, het Heilige der Heiligen, de dag der dagen. Ook spottend: ezel der ezels! |
| e. | de partitieve of verdelingsgenitief, waarbij de genitief het geheel noemt en 't bepaalde woord een deel daarvan, bijv.: een bete broods, een dronk waters, veel leeds. Vgl. § 116 en § 256. |
| f. | de onderwerps- of subjectieve genitief, bijv.: het bulderen der kanonnen, 't geschreeuw der bende, het flikkeren der lamp. De zelfstandigheid, in de genitief genoemd, is onderwerp van de werking. |
| g. | de voorwerps- of objectieve genitief, waarbij de bedoelde zelfstandigheid als object bij de werking betrokken is, zoals in: de opening der Kamers, de vernietiging der regimenten, de aanhouding der smokkelaars, de vreze des Heren, in de hope des eeuwigen levens. |
| h. | de bijstellingsgenitief, die de plaats inneemt van een bijstelling, bijv.: En door de steenwoestijn der grauwe ellendewijken / Breekt hij den ban der stad. - Alleen één schaamle pelgrim voelt, ontzet, wreedaardig / Der onmacht loden boei zijn lamme lende omvaên. - En uit het weemoedshuis der winterse eenzaamheden / Begroet mijn hunkrend hart de oranje voorjaarszon (g. gossaert). |
Het woord in de genitief kan men hier als verklarende bijstelling achter het bepaalde woord plaatsen. Daarom heet deze vorm bijstellings- of appositionele genitief en ook wel explicatieve genitief. Hij komt voornamelijk voor in dichterlijke taal.
2. als bijwoordelijke of adverbiale bepaling: 's Morgens gingen we al vroeg uit. 's Zomers is 't aan zee heerlijk. Kalm ging hij zijns weegs. Dezer dagen heb ik hem nog gesproken.
3. als oorzakelijk voorwerp: Ontferm u hunner! De arbeider is zijns loons waardig. Der zake kundig zijn.
4. als naamwoordelijk deel van 't gezegde (predikatieve genitief): Geef den Keizer wat des Keizers is. Hij is des duivels.
opmerking. In: de spreker dezer woorden bestaat tussen spreker en woorden een verhouding als tussen onderwerp en lijdend voorwerp; in: Utrechts torens noemt Utrecht de plaats; in de geneugten des winters staat een tijdaanduidende genitief. Men kan dus ook van lokale, temporele, enz. bijvoeglijke genitieven spreken.
§ 91. De datief (3e naamvalsvorm). Onder de datief verstaan we de in archaïstische taal en staande uitdrukkingen voorkomende, uit het mannelijk of onzijdig substantief door toevoeging van -ə gevormde formaties zonder meervoudsbetekenis. Syntactisch en door hun improduktiviteit zijn ze duidelijk herkenbaar.
voorbeelden:
ten eeuwigen dage, heden ten dage, bij monde van, ten huize van, bij gebreke van, den lande bewezen, in geschrifte, in koelen bloede, in arren moede, uit hoofde van, met voorbedachten rade, te enen male; ook wel bij sommige vrouwelijke woorden, oorspron-
kelijk eindigend op -e, treffen we zulke datieven aan: te bevoegder plaatse, hier ter stede, ter zake, ter oorzake van, van ganser harte (let op: naast 's harten grond). Deze zijn herkenbaar aan de bijvoeglijke woorden op -r of -er.
§ 92. Naamval (casus). Treffen we op een of andere plaats in het taalsysteem zo'n groot aantal fossilaire vormingen aan als hier bij het zelfst. nw. (genitief en datief), dan is het goed even in de taalhistorie terug te grijpen op oudere fases. Daar zien we als levende produktieve categorieën aanwezig veel van wat vandaag hard en versteend is. Genitief en datief zijn de enige formeel kenbare resten van oude naamvallen van zelfst. nw.
Vroeger vertoonden de woorden meer naamvalsvormen dan tegenwoordig, maar langzamerhand zijn de uitgangen toonloos geworden en verdwenen (deflexie). Heel duidelijk blijkt dit verloop, als we naast elkaar plaatsen de vormen van het woord dag van ± 400 (Gotisch), ± 1300 (Middelnederlands) en die van tegenwoordig.
| Gotisch | Middelnederlands | Tegenwoordig Ned. | |||
|---|---|---|---|---|---|
| Enkelvoud | |||||
| N. dags | } 4 vormen | dach | } 3 vormen | dag | } 1 vorm |
| G. dagis | } 4 vormen | daghes | } 3 vormen | (dags) | } 1 vorm |
| D. daga | } 4 vormen | daghe | } 3 vormen | dag | } 1 vorm |
| A. dag | } 4 vormen | dach | } 3 vormen | dag | } 1 vorm |
| Meervoud | |||||
| N. dagos | } 4 vormen | daghe | } 2 vormen | dagen | } 1 vorm |
| G. dage | } 4 vormen | daghe | } 2 vormen | dagen | } 1 vorm |
| D. dagam | } 4 vormen | daghen | } 2 vormen | dagen | } 1 vorm |
| A. dagans | } 4 vormen | daghe | } 2 vormen | dagen | } 1 vorm |
In het tegenwoordige Nederlands zijn de vormen gelijk. Een genitief als in: bij het aanbreken des dags, wordt in de spreektaal niet meer gebruikt; inplaats daarvan zegt men: bij 't aanbreken van de dag.
De syntactische en semantische functies van de naamvallen zijn overgenomen door andere taalvormen; in dit geval neemt van de functie over van het genitief-kenmerk.
opmerking i. De bijwoordelijke vorm daags in: Daags slaapt hij, 's nachts werkt hij, herinnert door de verlenging van de klinker nog aan het vroegere daghes.
opmerking ii. Men zou in verband met de Middelnederlandse vormen in 't tegenwoordige meervoud dage verwachten en niet dagen. Deze n is achtergevoegd onder invloed van de vormen van zwakke substantieven, waarvan 't meervoud op -en eindigde. In de spreektaal hoort men dage naast dagen.
Onder naamvallen (casusvormen) verstaat men de verschillende vormen van de naamwoorden, die hun functie in de zin aangeven.
De term wordt gebruikt i.v.m. zelfst. nw., bijvoeglijke nw., lidwoorden en ook wel voornaamwoorden, hoewel bij deze laatste vaak moeilijk te beoordelen is of men met vormverandering te maken heeft of met afwisseling tussen verschillende woorden. In elk geval is de vorm van het persoonlijk voornaamwoord verschillend in: Hij is er geweest, en: Men heeft hem daar gezien.
Een afzonderlijke onderwerpsvorm en voorwerpsvorm komt bij de meeste voornaamwoorden voor, bijv. ik-mij, wij-ons, jij-jou enz. Bij andere is er geen verschil: u-u, je-je, jullie-jullie, het-het. Evenmin vinden we nog verschillende vormen bij de zelfstandige naamwoorden. Een woord als vader behoudt dezelfde vorm, onverschillig de functie waarin het voorkomt. Bijv.: Vader heeft het gezegd. Heb je 't vader al gegeven? Heb je vader ook gezien? Jan gaat met vader mee. Dit is ook het geval bij zelfstandige voornaamwoorden, behalve bij de reeds genoemde persoonlijke voornaamwoorden: Wie is er geweest? Wie heb je gesproken?
§ 93. Op grond van het bekende verband tussen vorm en functie van de naamvallen wordt soms de term naamval gebezigd ter aanduiding niet van vormmaar van betekenisverschijnselen. In een zin als Daar zwemt veel vis noemt men vis dan eerste naamval en in Hij eet veel vis vierde naamval. Een dergelijk onjuist gebruik van de term sticht veel verwarring. Men gebruike hem dan ook slechts ter aanduiding van bepaalde vormverschijnselen bij het naamwoord. Het Nederlands kent nu geen levend naamvalssysteem meer. We hebben de term dus alleen nodig voor wat uit oudere systemen over is.
§ 94. Men heeft wel eens de gedachte geopperd dat het verdwijnen van de naamvallen een achteruitgang voor de taal zou betekenen. Er is iets verloren gegaan; is de taal dan niet armer geworden? De waarheid is echter deze: er is weliswaar iets verdwenen, maar het is vervangen door iets anders. Er is dus geen sprake van taalverarming, maar van taalgroei. De dienst die de naamvallen deden, nl. het aangeven van de functie der woorden in de zin, is overgenomen door voorzetsels en door 'n bepaalde woordschikking.
Men kan zich dit taalproces aldus voorstellen. Eerst kwamen naast de naamvalsvormen voorzetselgroepen voor, die langzamerhand in aantal vermeerderden en die dikwijls de aard van de betrekking zuiverder aangaven, doordat ze een groot aantal fijnere nuanceringen uitdrukten dan de naamvalsvormen. Zo gebruiken we bijv. steeds een voorzetsel, waar vroeger een naamval werd gebruikt; bijv. in: de vreze des Heren, de vruchten des booms, in de hope des eeuwigen levens, erbarm u hunner. Tevens ontstond in de loop der tijden een vaste woordorde; de oorspronkelijke veranderlijkheid in de plaatsing der woorden, waardoor het vlug begrijpen van de zin moeilijk wordt, komt niet meer voor. Vgl. bijv. zinnen als: Vader roept Henk. Henk roept vader. Roept vader Henk? Roept Henk vader? Het is regel geworden het onderwerp voorop te zetten en daarna 't voorwerp. (Bijzondere gevallen laten we hier buiten beschouwing.) Vormverandering heeft niet plaats, de vaste woordorde heeft die geheel vervangen.
De zin De jongen houdt van zijn moeder, die wij ook kunnen variëren tot Van zijn moeder houdt de jongen, kan men in 't Latijn op zes wijzen zeggen: Puer amat matrem. Puer matrem amat. Amat puer matrem. Amat matrem puer. Matrem amat puer. Matrem puer amat. Door de naamvallen der substantiva (puer is nominatief, matrem accusatief) is hun functie overduidelijk. Hun plaats kan wel dezelfde verandering meebrengen als voor ons het accent bijv.: De jongen hóudt van zijn moeder - amat puer matrem. De jongen houdt van zijn móeder - matrem amat puer.
Door langzame groei is dus in de taal verandering ontstaan: voorzetsel en woordschikking hebben de taak van de naamvalsvormen overgenomen; deze zijn verdwenen, doordat ze overbodig geworden waren, maar ook tengevolge van hun onduidelijkheid, gevolg van deflexie. Deze toch voerde ten slotte tot één enkelvouds- en één meervoudsvorm, ongeschikt voor de aanduiding der functie in de zin.
Tot nog toe hebben we binnen de klasse van zelfst. nw. geen enkele nadere verdeling aangebracht. Op grond van morfologische eigenaardigheden is dat ook niet goed mogelijk. Dat wordt heel anders wanneer we op syntactische eigenschappen gaan letten. Het is niet de bedoeling daarbij volledigheid te bereiken. We zullen ons tevreden stellen met een globale ordening.
§ 96. In het schema worden de substantieven o.a. gekenmerkt door het feit dat ze als éénwoordige zin kunnen worden gebruikt. Op die regel moest al van meet af aan een morfologisch beding worden gemaakt: we zeggen van een woord dat het als éénwoordige zin kan verschijnen wanneer enige vorm van dat woord als zodanig kan verschijnen. Bezien we de zelfst. nw. dan vallen ze op die grond uiteen in drie groepen:
| a. | de zelfst. nw. die als ongeleed1 woord de inhoud kunnen zijn van een éénwoordige zin. |
| b. | de zelfst. nw. die niet als ongeleed maar wel als geleed woord de inhoud kunnen zijn van een éénwoordige zin. |
| c. | de zelfst. nw. die slechts als deel van een met een lidwoord beginnende woordgroep kunnen voorkomen. |
Voorbeelden van (a): melk, klimop, geweld, liefde, brutaliteit, Spanje, Jan, Wenen, Kerstmis, Pasen, juni, huisraad, vee, goud, kwik, verdriet, gedraaf; voorbeelden van (b): bergen, monniken, vulpennen, scharen, akkers; voorbeelden van (c): het mensdom, de islam, de renaissance, het impressionisme1, De Rijn, De Maas, De Alpen, De Balearen, De Pyreneeën, De Kongo, De Balkan, De Oostzee, De Bilt, Den Bosch, De Rigi, Het Gooi, De Veluwe, De Tromp, De Oranje (als namen van schepen). Soms hebben we hier met echte lidwoorden te maken, zoals blijkt uit verwisselbaarheid met bv. die: die schitterende, groene Maas, die afschrikwekkende Alpen; maar in andere gevallen is het lidwoordkarakter verbleekt: dat typisch Brabantse Den Bosch. Woorden als deze horen dus eigenlijk in groep a thuis.
Zoals men merkt valt de laatste groep eigenlijk buiten het schema. We zouden dus moeten concluderen dat het geen zelfst. nw. zijn, ware het niet, dat de meest geprononceerde eigenschap van het lidwoord juist is dat het gecombineerd kan worden met zelfst. nw. Die eigenschap heeft het lidwoord t.a.v. alle substantieven, ook die van a: het nieuwe Spanje van na de revolutie, we zagen een heel ander Wenen dan we gedacht hadden. In het algemeen kunnen we zeggen: combineerbaarheid met een lidwoord is de voornaamste syntactische eigenschap van de zelfst. nw. Iets wat met een lidwoord gecombineerd wordt is, wanneer het geen zelfst. nw. is, in de valentie van een zelfst. nw. gebruikt.
opmerking. In het geval mensdom e.d. lijkt de oorzaak van semantische aard: er is nu eenmaal maar één mensdom en dus komt ‘mensdommen’ niet in aanmerking voor groep b. En toch, als men zegt Het mensdom van nu is niet meer dat van de vorige eeuw, dan ligt de conclusie voor de hand dat er meer zijn. Met hemel, uitspansel, vagevuur, heeft men minder last; men kan die altijd aldus gebruiken: Schilder X heeft veel vagevuren geschilderd. - Wat geschilderd? - Vagevuren.
§ 97. Beoordeeld naar hun combineerbaarheid met de lidwoorden vallen de zelfst. nw. uiteen in de volgende groepen:
| 1. | combineerbaar met de: de man, de vrouw, de hond, de vink, de eik, de roos, enz. enz. |
| 2. | combineerbaar met het ('t): het paard, het sijsje, het gras, het koper, het bos, het huis, het rijke Duitsland, het meisje, het kind, enz. enz. Dit zijn de onzijdige substantieven (neutrum = onzijdig woordgeslacht). |
| 3. | combineerbaar met de en het is een zeer kleine groep als: heer, mens, steen, pleister, buis, doek, rijm (zie de woordenboeken). Indien er al geen sprake is van homoniemen (§ 370) dan is er toch steeds een duidelijk betekenisverschil. Verschil van betekenis is echter niet te bespeuren tussen De afval - het afval, de deksel - het deksel, de figuur - het figuur, de gordijn - het gordijn, de hars - het hars, de idee - het idee, de koord - het koord, deze maal - dit maal, de mud - het mud, de omslag - het omslag, de risico - het risico, de roest - het roest, de rooster - het rooster, de schilderij - het schilderij, de silhouet - het silhouet, de subsidie - het subsidie, de toestel - het toestel, de vuilnis - het vuilnis, de zadel - het zadel; grammaticaal echter is er een duidelijk onderscheid, nl. de - tegenover het -. |
Ook de meervoudsvormen van zelfst. nw. zijn combineerbaar met het lidwoord. Zowel het de-geslacht als het het-geslacht maken dan gebruik van de: de grassen, de huizen, de stenen, de honden. In het meervoud bestaat dus geen geslachtsonderscheiding.
opmerking i. Met het geslacht van een zelfst. nw. doelen we dus op bepaalde combineerbaarheden. Eertijds kende het Nederlands een mannelijk, een vrouwelijk en een onzijdig geslacht, gekenmerkt door verschillende buigingssystemen van de zelfst. nw. zelf en van de bijbehorende bijvoeglijke woorden en door verschillende regelmatigheden op het punt van de zgn. pronominale aanduiding. Aparte vormsystemen voor de verschillende geslachten kent het Nederlands niet meer (wel enkele resten van het oude systeem), terwijl ook op het punt van de pronominale aanduiding bepaalde vereenvoudigingen zijn ingetreden (zie hierover § 384 e.v.). Wat nog bestaat zijn twee syntactisch herkenbare geslachten: de-geslacht en het-geslacht. Over hun correlatie met bepaalde vormen van het bijv. nw. zie § 112 en § 113.
opmerking ii. Geslacht in taalkundige zin (genus) is heel wat anders dan geslacht in biologische zin (sekse); het eerste heeft betrekking op woorden, het tweede op wezens.
§ 98. De verdeling van de zelfst. nw. in drie groepen naar hun zinsvorm doorkruist de verdeling naar het geslacht.
Trachten we nu nader ordening te brengen in de drie eerstgenoemde groepen.
§ 99. a. De zelfst. nw. die als ongeleed woord in hun eentje de inhoud kunnen zijn van een éénwoordige zin vallen uiteen in twee groepen:
| 1. | die welke kunnen voorafgegaan worden door het woord veel:
veel melk, klimop, geweld, liefde, brutaliteit, huisraad, vee, goud, kwik, verdriet, afgunst, koude, honger, spijt, achting, ernst, eerzucht, geroep, gedraaf enz. enz. Deze noemen we (met een willekeurige term) stofnamen. |
| 2. | die waarbij dat niet mogelijk is:
Spanje, Jan, Wenen, enz. enz. Deze noemen we eigennamen. |
b. De zelfst. nw. die in hun eentje niet als ongeleed woord de inhoud kunnen zijn van 'n éénwoordige zin noemen we soortnamen. Ongeleed gebruikt eisen ze steeds een lidwoord of een aanwijzend vnw. (of iets overeenkomstigs) vóór zich. Veel kan niet geplaatst worden voor de ongelede vorm, wel voor de gelede. Combinatie van het enkelvoud met een is altijd mogelijk.
opmerking. Een aantal van deze zelfst. nw. kunnen in een bepaalde betekenis en in een bepaald verband voorkomen als inhoud van een éénwoordige zin zonder dat we ze tot groep a rekenen te behoren: Hij is bankbediende/metselaar/timmerman/majoor/onderwijzer enz. enz. Vraag: Wat is hij? Antwoord: Bankbediende, metselaar enz. Deze zelfst. nw. worden gebruikt in de syntactische valentie van een bijv. nw.
c. De vertegenwoordigers van de derde groep zijn slechts naar hun betekenis te karakteriseren. Het best kunnen we ze als soortnamen verschijnende eigennamen noemen. Van de eigennamen onderscheiden ze zich doordat ze niet als éénwoordige zin kunnen voorkomen, van de soortnamen doordat ze niet meervoudig of enkelvoudig gemaakt kunnen worden, althans met behoud van hun betekeniskarakter van eigennaam. Zegt men Sinds de onafhankelijkheidsverklaring hebben we al met heel wat Kongo's te maken gehad, dan is het woord zonder meer als soortnaam gebruikt (vgl. § 101). We spreken hier niet over gevallen als het mensdom: het is niet moeilijk in te zien, dat dat 't best als soortnaam kan worden beschouwd.
§ 100. Meestal verschijnen de zelfst. nw. niet als éénwoordige zin maar als deel van een woordgroep. In al die gevallen zullen we dus hun karakter moeten beoordelen door een vergelijkend onderzoek: door een vervangingsproef of door een weglatingsproef. Een zin als Tegen het ziekenhuis groeit veel klimop laat de vraag toe Wat groeit daar? Antwoord: (Veel) klimop. Op die grond noemen we klimop in de genoemde zin een als stofnaam gebruikt zelfst. nw. Een zin als Deze klimop bevalt me niet zo, ik zie liever andere, laat geen enkele vraag toe die als antwoord krijgt Klimop; wel eentje waarop men Deze klimop antwoordt. Dit gebruik van het woord klimop laat een meervoud klimoppen (verschillende soorten klimop) denken, dat thuishoort in de tweede groep. Daarom noemen we klimop in de tweede zin een als soortnaam gebruikt zelfst. nw.
Wordt een substantief voorafgegaan door een lidwoord of een aanwijzend vnw. (of iets overeenkomstigs; vgl § 255) dan is het als soortnaam gebruikt, zij het dat een morfologische beperking (een meervoud is onmogelijk) tot voorzichtigheid maant. Bijv. Het brons is tegenwoordig duur. De liefde is een schone zaak.
Bij de benoeming van klimop kan men dus feitelijk twee kanten op: het is een soortnaam die blijkbaar soms als stofnaam wordt gebruikt, ofwel het is een stofnaam die blijkbaar soms als soortnaam wordt gebruikt. Men kiest dan voor het een of voor het ander op basis van het meest frekwente. Vgl. ook de opm. in § 81.
§ 101. Komen tussen de verschillende woordklassen klasseverhuizingen voor (een tussenwerpsel gebruikt in de valentie van een substantief bijv.), er zijn ook tal van voorbeelden te noemen van subklasseverhuizing: een woord dat eigenlijk thuishoort in subklasse a van een bepaalde woordklasse wordt gebruikt in de valentie van een andere subklasse.
Op het punt van het zelfst. nw. zijn de volgende verhuizingen te vermelden:
1. een eigennaam wordt als soortnaam gebruikt: Kijk die Jannen samen een pret hebben. Hoeveel Trompen komen in onze geschiedenis voor? Vondels zijn 't nog niet, die verzenmakers! Jullie bent al hele pieten (brammen), de Stuarts, de Oranjes. Zo'n Cresus als hij zou 't niet kunnen betalen? een Nero, een Job, een xantippe, een jansalie enz. Bedoeld worden personen die een bepaalde naam dragen of die zich onderscheiden door een eigenschap van een bekende andere persoon. (Over het gebruik van de hoofdletter zie § 416.) Ook ter aanduiding van zaken e.d. worden eigennamen als soortnamen gebruikt: een Rembrandt, een Vermeer, een Marini. Van hetzelfde type, althans oorspronkelijk, zijn: een colbert, een paar molières, een panama, een mauser, een kiekje, een fongers, een burgers, een zeppelin, een fokker, een citroën, een ford, een havanna, een manilla, een krent (Corinthe). Al deze woorden laten een meervoud toe. Ook in gevallen waar een meervoud zich moeilijk laat denken kan men op grammaticale gronden spreken van gebruik als soortnaam: de slimme Reinaert, het belegerde Parijs, de dappere Van Speyk, het Europa van vroeger. Combinatie met het onbepaalde lidwoord is ook mogelijk: Hij vestigde zich in een totaal verarmd Europa.
2. een eigennaam wordt als stofnaam gebruikt: we lazen Staring, we speelden Beethoven, we dronken Bols. Naar hun oorsprong moeten zo ook beoordeeld worden: een glas cognac, champagne, pils, bourgogne, port, madera.
3. een stofnaam wordt als soortnaam gebruikt: een glas, een ijzer, een turf, een steen, een houtje, een krijtje. Ook, maar zonder denkbaar meervoud: een goede gezondheid, een groot verdriet, een irriterend gedraaf, een heilige toorn. Het gebruik van het lidwoord een is geconditioneerd door andere bepalingen: een gezondheid, die..., een goede gezondheid, maar niet een gezondheid.
Grensgevallen zijn: het brons, het koper, het tin, het fruit, de steenkool, de melk. Door de onmogelijkheid van combinatie met het lidwoord een blijkt het verschil met de zoëven genoemde voorbeelden, terwijl ook hier geen meervoudsvorm denkbaar is. De betekenis van de stofnaam blijft enigszins bewaard, maar grammaticaal is hij als soortnaam gebruikt. Vgl. ook de tabakken waren willig, de theeën en oliën stil (beursbericht).
4. een stofnaam wordt als eigennaam gebruikt: Een spanne tijds... heb ik, een ruiter koen, gezeten schrijlings op leven dat mij droeg. (h. rolandholst). Hoe laat is 't aan den tijd? / 't Is liefdes uur (boutens).
5. een soortnaam wordt als eigennaam gebruikt: Zus heeft dat gezegd. Broer heeft hem niet gezien. Ik ga naar oom. Zo ook: tante, buurvrouw, buurman, dominee, meester en andere. In aansprekingen wordt een substantief steeds als eigennaam gebruikt: Neen, waarde heer, dat gaat niet. Dokter, kunt u even komen?
opmerking. Vooral in Groningen en Friesland wordt het substantief zo gebruikt: Doet burgemeester ook mee? Let op het verschil met: Doet de burgemeester ook mee?
6. een soortnaam wordt als stofnaam gebruikt: We aten kip, snoek, vis. Het land is arm aan bos. Meer auto voor uw geld.
§ 102. De verdeling van de zelfst. nw. tot hiertoe is gebaseerd op grammaticale verschillen die correleren met betekenisverschillen. Natuurlijk is er binnen de groepen eigennamen, stofnamen, soortnamen nog wel een verdere verdeling aan te brengen. Wellicht ook is het mogelijk dat zich daarbij nieuwe grammaticale groepjes aftekenen. Dat voert echter nogal ver in details en daarom volstaan we met het aanwijzen van enkele semantische groeperingen.
Binnen de groep van eigennamen kunnen onderscheiden worden de persoonsnamen, onder te verdelen in voornamen en familienamen, en de aardrijkskundige namen, onder te verdelen in plaatsnamen en waternamen. In de naamkunde, de tak van taalwetenschap die zich met eigennamen bezig houdt, is de verdeling natuurlijk verfijnder.
Binnen de groep stofnamen kunnen we onderscheiden de natuurlijke stofnamen (water: koper, ijzer, melk, kaas enz.), de abstracta (liefde, brutaliteit, haat, geweld, afgunst, koude, christendom, romantiek, spijt, ernst, achting, geroep enz.) en de collectiva (vee, huisraad, meubilair, gerief, gereedschap, gebergte, geboomte, gevogelte, gepeupel). Deze verdeling is echter niet uitputtend.
opmerking. De term collectivum of collectief, die betrekking heeft op betekenisverschijnselen, wordt ook wel toegepast op vertegenwoordigers van andere grammaticale groepen: de Alpen, de Pyreneeën, de Cycladen, gebroeders, gezusters. Hier heeft hij echter weinig zin, omdat het meervoudsvormen betreft; op dezelfde grond zou men ieder meervoud een collectief kunnen noemen.
Binnen de groep soortnamen onderscheidt men vaak concreta en abstracta. Concreet zijn dan een bank, een lat, een man, een kwartje; abstract: een duw, een ziekte, een stand, een aanslag. Het onderscheid heeft echter weinig zin, omdat men altijd kan staande houden dat er in de betekenis van een zgn. concreet zelfst. nw. iets abstracts schuilt (de voorstelling die het woord bank inhoudt brengt nl. met zich mee een dusdanige ordening van concrete zaken dat er iets ontstaat dat als bank bruikbaar is of als zodanig kan worden voorgesteld), terwijl de abstracte woorden een of andere concrete voorwaarde inhouden (een duw veronderstelt een duwer en een voorwerp waarop stoffelijke invloeden vat hebben; het woord geest betekent oorspronkelijk iets als het woeden van vuur). Bij tal van woorden kan men het in het algemeen niet eenvoudig beslissen of ze concreet of abstract zijn.
§ 103. Bij het bespreken van de afleidingen van het zelfst. nw. beperken we ons tot de produktieve typen. Voor de onproduktief gevormde afleidingen verwijzen we naar § 69.
We zullen ons achtereenvolgens bezighouden met de volgende formaties:
stof-je, stof-achtig, stof-fig, stof-ferig, stof-fen (w.w.), stof-fen, (bijv. nw.), stof-loos; Kuyper-iaan, Helmond-er, Helmond-s, M.T.S.'er, gelaars-d, communist (naast communisme), communist-isch.
§ 104. Het voornaamste afleidingstype van het zelfst. nw. is het zgn. verkleinwoord of diminutief. Het wordt gevormd van alle zelfstandige naamwoorden met uitzondering van de stofnamen. Indien het grondwoord al eens als stofnaam kan voorkomen (ijzertje, glaasje, houtje, krijtje), in het verkleinwoord wordt het nimmer zo gebruikt. Anders gezegd: een verkleinwoord hoort ofwel tot de eigennamen ofwel tot de soortnamen. (Een uitzondering is: Het was er botertje tot de boom.)
Het verkleiningssuffix luidt -tjə; het wordt gevarieerd als -jə, -ətjə, -pjə,-kjə. De distributie van deze vijf alternanten (verschijningsvormen van hetzelfde achtervoegsel) is als volgt:
-tjə komt voor na ongedekte klinkers en diftongen, na ongedekte klinker of tweeklank + n, l, r, en na onbeklemtoonde en zwakbeklemtoonde klinker + n, l, r. Voorbeelden: laatje, zeetje, strootje, fooitje, aaitje, leeuwtje, eitje, touwtje, truitje; maantje, deuntje, kuiltje; wagentje, buideltje, traktortje.
-ətjə komt voor na (sterk of zwak) beklemtoonde gedekte vocalen + m, n, ŋ, l, r. Voorbeelden: kammetje, kannetje, wangetje, wandelingetje, balletje, karretje.
-jə komt voor na p, t, k, f, s, x en na consonant-combinaties. Voorbeelden: lapje, aapje, latje, maatje, pakje, staakje, drafje, staafje, dasje, gaasje, lachje, laagje, walsje, mandje.
-pjə komt voor na ongedekte vocaal + m. Voorbeelden: braampje, zweempje, bloempje. Verder ook na ə + m: bodempje, filmpje (= filəmpjə), wormpje (= wɔrəmpjə).
-kjə komt voor na-əŋ-: Voorbeelden: woninkje, koninkje, beslissinkje.
Qnregelmatig zijn de volgende vormen:
Jantje, bloemetje (naast bloempje), poppetje, weggetje, bruggetje, vlaggetje, kippetje e.a. Afwijkend op andere wijze zijn: gaatje, glaasje, daagjes, kindertjes, eiertjes.
§ 105. Op onproduktieve wijze gevormde verkleinwoorden komen voor aldus:
| 1. | -(e)ke, -ske, -(s)ken.
Gewestelijk (in Zuidelijke dialecten en in Friesland, Groningen en Twente) en in de geschreven taal: moeke, vrouwke, meiske; kindeke; boekske, jongske(n); kindeken. |
| 2. | -lijn en -kijn.
Alleen in ‘dichterlijke’ woorden als vogelijn, bloemelijn, ogelijn, kindekijn. |
§ 106. Door betekenisisolering hebben zich een aantal naar de vorm als diminutieven te waarderen woorden uit de produktieve groep afgescheiden: dubbeltje, kwartje, tientje, twintigje, honderdje, duizendje, meisje, hopje, flikje, strijkje, madeliefje, kadetje, krijgertje (spelen). Van een aantal bestaat zelfs geen substantivisch grondwoord.
§ 107. Niet altijd drukken de verkleinwoorden iets kleins uit zoals in boompje = een kleine boom, steentje = een kleine steen. Wat klein is is vaak aantrekkelijk, lief. Vandaar dat vele liefkozingswoorden de verkleinvorm hebben: kindje, vrouwtje, ventje, zusje, schatje. Waardering wordt uitgedrukt in: een heerlijk etentje. Het kleine wordt dikwijls gering geacht; daardoor krijgen verkleinwoorden ook wel een geringschattende, zelfs minachtende betekenis: Dat heertje verbeeldt zich heel wat; een lastig kereltje; een knulletje; 't Is me het weertje wel!
Eufemistisch is het verkleinwoord in: een drupje op hebben, een graantje pikken; hij heeft enige jaartjes gezeten; dat kost een mooi duitje.
§ 108. Andere produktieve afleidingstypen van zelfst. nw. zijn:1
zelfst. nw. + achtig (bijv. nw.): bladachtig, tafelachtig, glasachtig, melkachtig, Napoleonachtig. De categorie is vooral in de gesproken taal zeer produktief. Een formeel verschil tussen de genoemde woorden en de onproduktieve vreesachtig, deelachtig, krampachtig e.d. betreft het accent,
dat hier op het suffix ligt. De betekenis verschilt dienovereenkomstig; -achtig zonder nadruk betekent lijkend op, overeenkomend met, -achtig met accent vertoont geen systematisch betekenisaspect.
zelfst. nw. + ig (bijv. nw.): kattig, vrekkig, messig. Het betekenisverschil met het produktieve -achtig is gering; het gebruik beperkter. Ook hiernaast is een onproduktief type te noemen: lustig, kunstig, moedig, hongerig, regelmatig, matig, gelovig. Het betekenisaspect ‘lijkende op’ ontbreekt hierbij.
zelfst. nw. + erig (bijv. nw.): draderig, houterig, slijmerig, kwijlerig, bloederig, stofferig, zanderig. Het betekenisverschil met -achtig en -ig is gering. Het gebruik van het suffix is semantisch, maar ook morfologisch beperkt na een woord dat eindigt op een toonloze of zwakbetoonde lettergreep komt het niet voor.
zelfst. nw. + en (werkwoord): stoffen, fietsen, trammen, tafelen, kieken, filmen, autoën, voetballen, zwartepieten, bronzen, verven. Deze groep vormt geen betekeniscategorie, d.w.z. de betekenisverhouding tussen het ontstane werkwoord en het grondwoord is verschillend.
ont + zelfst. nw. + en (werkwoord): ontratten, ontvellen, ontvlezen, ontharen, ontbolsteren, onthoofden, ontbossen, ontvetten. De betekenis is: ontdoen van -.
zelfst. nw. (stofnaam) + en (bijv. nw): stoffen, ijzeren, koperen, tinnen, ebonieten, gipsen, betonnen. De afleiding van deze zgn. stoffelijke bijv. nw. is beperkt tot de natuurlijke stofnamen. De betekenis is: gemaakt van, naar de materie bestaande uit -. Een aantal bijv. nw. die naar de betekenis hierbij aansluiten zijn onregelmatig gevormd: lakens, duffels. Vaak worden de stofnamen onveranderd als adjectief gebruikt: aluminium, rubber, platina, jute, nylon, linnen.
opmerking. De stoffelijke bijv. nw. worden bijv. nw. genoemd hoewel ze alle morfologische eigenschappen daarvan missen: geen vorm op -e, geen genitief op -s, geen vergrotende trap, geen overtreffende trap, geen afleidingen op -achtig, -ig, -erig, -tjes, -tje enz. (Vgl. de §§ over het adjectief.) De benaming wordt echter gegeven op syntactische gronden: ze kunnen staan tussen een onbepaald lidwoord en het daarmee corresponderende substantief: een koperen ketel.
zelfst. nw. (stofnaam, soortnaam) + loos (bijv. nw.): stofloos, eerloos, liefdeloos, gewetenloos, pijnloos, rookloos, boomloos, draadloos, naadloos, eiwitloos. De betekenis is: zonder -. Niet alle woorden van dit type horen in de produktieve groep; vgl. nameloos naast naamloos, zinneloos naast zinloos.
zelfst. nw (persoonsnaam) + (i)aan (zelfst. nw.): Kuyperiaan, Bollandiaan, Hegeliaan, Kantiaan, Sartriaan, Lutheraan. Enigszins afwijkend: Arminiaan (van Arminius), Cartesiaan (van Cartesius). De beperking tot de eigennamen (familienamen) is van semantische aard.
zelfst. nw. (plaatsnaam) + er (bijv. nw.)
zelfst. nw. (plaatsnaam) + s (bijv. nw.)
De distributie van beide suffixen is goeddeels complementair, d.w.z. in het algemeen wordt het ene gebruikt waar het andere onbruikbaar is en omgekeerd. De betekenis is: afkomstig van, behorend tot, betrekking hebbend op: Steenwijker, Edammer, Gouds, Haags, Amsterdams, Nederlands. Soms leent één naam zich voor beide afleidingstypen: Heerenvener, Heerenveens.
Veel bijv. nw. die naar de betekenis aansluiten bij deze groepen zijn onregelmatig gevormd: Wenen - Weens, Portugal - Portugees, Spanje - Spaans, Italië - Italiaans enz.
opmerking. Bijv. nw. als Leeuwarder, Groninger, Edammer missen, zoals de stoff. bijv. nw., alle morfologische eigenschappen van de bijv. nw. Zoals deze echter worden ze op syntactische gronden tot de bijv. nw. gerekend.
De zoëven genoemde bijv. nw. worden ook als substantieven gebruikt ter aanduiding van personen afkomstig uit de in het eerste grondwoord genoemde plaats. Sommige plaatsnamen laten nog een andere formatie toe:
zelfst. nw. (plaatsnaam) + aar / naar / enaar (zelfst. nw.): Den Bosch - Bosschenaar, Leiden - Leidenaar, Breda - Bredanaar, Nuenen - Nuenenaar, Den Haag - Hagenaar.
Veel zelfst. nw. die in betekenis hierbij aansluiten zijn onregelmatig gevormd: Rome - Romein, Madrid - Madrileen, Moskou - Moskoviet.
zelfst. nw. (letterwoord) + er (zelfst. nw.): H.B.S.'er, M.T.S.'er, K.L.M.'er, N.C.R.V.'er, A.N.W.B.'er, O.W.'er.
ge + zelfst. nw. + d/t (bijv. nw.): gelaarsd, gedast, gebeft, gerokt, gehandschoend, gebaard, gekuifd, gespierd, gekopt, gebekt, gepoot. Dit zijn de zgn. participia praeverbalia, woorden die uiterlijk overeenkomen met een volt. deelwoord zonder dat er een werkwoord met een volledige werkwoordelijke vervoeging aan beantwoordt.
Naast de zelfst. nw. op -isme (die zelf niet grammaticaal beschreven kunnen worden) staan afgeleide substantieven op -ist, waarbij -ist in de plaats treedt van -isme; expressionist, realist, communist, nazist, stalinist; de betekenis is aanhanger van, vertegenwoordiger van, beoefenaar van
het -isme. De betekenisverhouding is afwijkend bij: germanisme - germanist, renaissancisme - renaissancist, solisme - solist. Het woord op -isme duidt hier niet een stroming of richting aan. Sommige woorden op -isme missen een correlaat op -ist (en -istisch); vgl. § 69.
zelfst. nw. eindigend op -ist + isch (bijv. nw.): realistisch, communistisch, germanistisch, renaissancistisch, solistisch (niet echter telefonistisch, cellistisch, bloemistisch, trompettistisch). Het betreft bijv. nw. die correleren met zelfst. nw. op -isme, zij het dat deze niet één betekenisgroep vormen; vgl. de vorige alinea. Afwijkend zijn: humoristisch, waarnaast het woordenboek geen humorisme kent, en anglistisch naast anglist en anglicisme.
§ 109. Over de mogelijkheden tot vorming van samenstellingen met behulp van zelfst. nw. zie men § 58. De bespreking van andere syntactische eigenaardigheden dan de reeds genoemde dient te geschieden in het hoofdstuk over de woordgroepen. Voor een vollediger beschrijving van het zelfst. nw. moet men dus ook daar terecht.
§ 110. In het schema van de woordsoorten zijn de bijvoeglijke naamwoorden gekarakteriseerd als: morfologisch (op een bepaalde wijze) gekenmerkte woorden met mogelijke zinsvalentie. We zullen vooreerst stilstaan bij de vormen van het adjectief, vervolgens een paar syntactische gekenmerkte subklassen bespreken en tenslotte de afleidingen bezien.
Eerder (§ 66) is al gebleken dat bijvoeglijke naamwoorden vanuit hun grondvorm in het algemeen hoogstens kunnen worden uitgebreid met de volgende uitgangen:
| -ə, | (goede, goeden) |
| -s | (goeds): de genitiefvorm |
| -ər | (te goeder faam): de datiefvorm |
| -ə | (in koelen bloede): de datiefvorm. |
We bespreken achtereenvolgens: het gebruik van de ongelede vorm, het gebruik van de vorm op ə, het gebruik van de genitief, het gebruik van de datief.
§ 112. De ongelede vorm van het adjectief wordt gebruikt in de volgende gevallen:
| 1. | na het onbepaalde lidwoord 'n wanneer het als voorbepaling fungeert bij een onzijdig zelfst. nw.: een groot huis, een ziek kind, een leuk meisje, een triest Parijs. |
| 2. | als voorbepaling bij een niet door een lidwoord voorafgegaan onzijdig zelfst. naamwoord: lief kind, klein meisje, lief moedertje, zuiver water, rauw vlees, weinig bont vee.
Toch komt in aansprekingen ook wel de gelede vorm voor: Lieve kind! Lieve mens, hoe kon je dat doen! |
| 3. | bij predikatief gebruik (d.w.z. als nw. deel van het gez., als bepaling van gesteldheid of als predikatieve toevoeging): Gezond en wel keerde hij terug van vakantie. Hij werd zwaarder in de bergen. Ik vind hem aanstellerig1..
opmerking. Tegenwoordige deelwoorden, predikatief als bijv. nw. gebruikt, verschijnen ook wel met -e: Waggelende kwam hij de deur in. Zingende vertrok hij weer. |
| 4. | wanneer het bijv. nw. gebruikt wordt in de syntactische valentie van een enkelvoudig substantief als tenminste tegelijkertijd betekenisisolering optreedt: het vet, het Duits, het Portugees, het groen, het blauw (kleurnamen), het nat, het antiek, het licht, het ruim, het scherp, het hol, het nauw, het zoet; er is geen systematische betekenisverhouding tussen deze woorden en: het vette, het Duitse, het Portugese, het groene, het blauwe, het natte, het antieke, het lichte, het ruime, het scherpe, het holle, het nauwe, het zoete. |
| 5. | in nabepalingen als roosje rood, moeder lief, God almachtig. |
opmerking. Ook in minder gebruikelijke wendingen als: zo groot een opoffering zullen we niet licht vergeten. Zo bloedig een oorlog is nog niet in de annalen der mensheid vermeld.
§ 113. De vorm van het adjectief, uitgebreid met -e wordt (afgezien van de archaïstische uitdrukkingen te noemen in § 117) gebruikt in de volgende gevallen:
| 1. | na de bepaalde lidwoorden het en de en na deze, dit, mijn e.d., wanneer het fungeert als voorbepaling: de hoge rekening, de lange Jan, het kleine meisje, de lange dagen.
|
| opmerking. Ook hier treffen we uitzonderingen aan: mijn nieuw huis, het grijs verleden, het Duits expressionisme, ons goed recht, uw helder hoofd, ons telefonisch onderhoud. | |
| 2. | wanneer het fungeert als voorbepaling bij een niet door bepalende woorden (bep. lidwoorden, aanwijzende vnw., bez. vnw.) voorafgegaan de-woord: een buitensporige verlenging, een lange dag, uitzinnige liefde.
opmerking. Gevallen als 'n groot man, 'n groot zangeres, een dapper soldaat, een geweldig jager, een bekwaam veldheer, menig braaf matroos, een goed pianiste, die onregelmatig zijn, vertonen een bijzondere betekenis. Vgl. ook nog een handig spreker met een handige spreker, een uitstekend onderwijzer met een uitstekende onderwijzer, een knap timmerman met een knappe timmerman. |
| 3. | wanneer het bijv. nw. gebruikt wordt in de syntactische valentie van een enkelvoudig of meervoudig substantief als er tenminste geen betekenisisolering mee gepaard gaat: de goede(n), een lange, twintig droge, Karel de Kale. (Over de spelling zie § 411.) |
De superlatief (zie § 122) verschijnt echter na het lidwoord het ook wel ongeleed: dat was het dikst(e), die weg is 't mooist(e). Let overigens op het betekenisverschil tussen: dat ding is het best / dat ding is het beste; die man is het best(e) / die man is de beste.
§ 114. Zoals we eerder hebben gezien kennen we de benaming morfeem o.a. toe aan die klankcomplexen die, toegevoegd achter een ander klankcomplex, een systematisch optredend betekenisverschil veroorzaken (§ 52). Hoewel we hier en daar (een groot man - een grote man) de uitgang -e wel betekenisverschil zien veroorzaken bij de bijv. nw., lijkt toch zijn overwegende functie van syntactische aard: het gebruik van -e is goeddeels in syntactische termen te vangen.
§ 115. Een gelede vorm op -e ontbreekt bij de volgende bijv. nw.
| 1. | de van plaatsnamen afgeleide op -er: Groninger koek, de Haarlemmer Courant, Kamper uien, Weesper moppen. Ook rechter en linker. |
| 2. | die op -en. Gewoonlijk zijn het stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden of voltooide deelwoorden, bijv.: het gouden horloge, een zilveren potlood, de linnen blouse; de gesloten deur, de overleden chef, de open deur.
|
| grooten rondglazigen zilveren bril, een zilveren sigaarkoker, een zilver potlood, een zilver horloge, benevens zilveren broek- en schoengespen. Zie over de stoffelijke bijv. nw. overigens § 108. | |
| 3. | de woorden volbloed en halfbloed; die volbloed, halfbloed paarden. Verder enkele aan vreemde talen ontleende namen van kleuren en stoffen, zoals: die lila blouse, de roze japon, deze beige das, die reseda tinten; aluminium velgen, rubberzolen, een guttapercha slang, die gummibuis, zulke celluloid doosjes, een radium horlogewijzer, nylon kousen. |
| 4. | de vergrotende trap van twee- of meerlettergrepige woorden: Vreselijker overstroming heeft zelden ons land geteisterd. Bespottelijker mensen zijn er niet. |
§ 116. De zgn. genitief van het bijv. nw. wordt gevormd door toevoeging van een -s; eindigt het grondwoord op een sisklank dan blijft het in genitivische functie onveranderd. Voorbeelden: iets wits, groots, diks, hards, moois, grijs, hees, wijs; ook comparatieven: witters, groters, dikkers, enz., en afleidingen: witachtigs, wittigs, witterigs. De genitief ontbreekt bij superlatieven, bij de afleidingen op -er van aardrijkskundige namen en bij de stoffelijke bijv. nw.
Een adjectief in deze vorm kan niet functioneren als voorbepaling bij een zelfstandig nw. of als zinsdeel; het komt slechts voor, althans zolang er geen betekenis-isolering optreedt, als nabepaling bij zelfstandige woorden als veel, wat, geen, velerlei, allerlei, weinig (opbepaalde hoofdtelwoorden) en de onbepaalde vnw. iets en niets. Betekenisisolering doet zich voor bij: Is er nieuws? Van lekkers houdt ze wel.
§ 117. Geïsoleerde, oorspronkelijk als attributieve bepalingen gebruikte, genitieven op -s vinden we in: goedsmoeds, blootsvoets, blootshoofds.
De zgn. datief van het bijv. nw. eindigt op -er of -e. Hij komt slechts voor in staande uitdrukkingen en in archaïstische taal:
-er: van ganser harte, te bekwamer, juister tijd, met luider stem, te(r) goeder trouw, op heter daad, van hogerhand, te bevoegder plaatse.
-e, geschreven -en: met voorbedachten rade, in koelen bloede, in arren moede, van goeden huize, ten eeuwigen dage, in goeden doen.
Verder vinden we resten van deze vormen in oorspronkelijke samenstellingen die woordkarakter hebben gekregen: ouder gewoonte, zaliger gedachtenis, gewapenderhand, langzamerhand, vergelijkenderwijs, ouderwets, nieuwerwets, onverrichter zake, middelerwijl, goedertieren, ternauwernood, allerwegen (mv.).
(Hiertussen bevinden zich ook oorspronkelijke genitieven.)
Een aantal bijv. nw. kunnen niet gebruikt worden als voorbepaling bij een zelfst. naamwoord: beducht, behept, benieuwd, bestand, beu, bewust, bijster, deelachtig, gedachtig, gewend, indachtig, meester, onwel, prat, tuk, wars.
Ze komen slechts voor in predikatief gebruik, d.w.z. als nw. deel van het gezegde (hij was het spoor bijster, hij was het gezanik beu), als deel van een bep. van gesteldheid (Eindelijk het gezanik beu besloot hij ...) of van een predikatieve toevoeging (De stad, niet tegen de stormloop bestand, moest ...).
Ook de woorden gewaar, handgemeen, jammer, kwijt, pluis, rekent men wel eens tot deze groep. Ze komen voor in de uitdrukkingen gewaar worden, jammer zijn, jammer vinden, handgemeen worden, kwijt zijn, kwijt raken, het was er niet pluis. Omdat ze zich zelfs niet predikatief op een andere wijze laten gebruiken, terwijl ze ook morfologisch geen aanknoping bieden bij andere bijv. nw. (beuer is mogelijk, handgemener, pluizer e.d. niet), verdient het de voorkeur de genoemde uitdrukkingen te beschouwen als woorden.
Sommige bijv. nw. uit deze reeks laten zich wel als deel (kern) van een uitgebreide voorbepaling gebruiken: een met alle ondeugden behepte kwajongen, een zijn voorouders gedachtig geslacht, maar met bijster, meester, onwel, prat, tuk, wars ziet men dat niet gebeuren.
opmerking. Enige adjectieven, die in een bepaalde betekenis op dezelfde wijze als de zoëven genoemde alleen predikatief gebruikt worden, kunnen in een andere betekenis attributief voorkomen, bijv.: De gezagvoerder was op een dergelijke onverhoedse aanval niet bedacht - De bedachte raadsels waren spoedig opgelost. Ieder was met het lot der ongelukkigen begaan - Gelukkig waren we weer gauw op de begane grond. Allen waren tot hulp bereid - Heerlijk bereide spijzen stonden gereed. Verder: besloten, betrokken, bewust, gereed, geneigd, getroost, gewend, gewis, gewoon, ingenomen, klaar, machtig, moe(de), ontbloot, vatbaar, verzot.
§ 119. Een tweede syntactisch gekenmerkte subklasse omvat de bijv. nw. die niet predikatief gebruikt kunnen worden. Dat geldt voor de stoffelijke bijv. nw. op -en (die zich morfologisch kenmerken door afwezigheid van de gelede vorm op -e): een gouden slot, een zilveren kandelaar, een bronzen kop, maar niet bijv. die beker is tinnen e.d. (In het Mnl. was dat nog niet zo: ‘Som waren die beelde silverijn, / Som van goude, som ijzerijn’.)
Hetzelfde kan gezegd worden van de van plaatsnamen afgeleide bijv. nw. op -er wanneer ze niet als zelfst. nw. gebruikt worden: men zegt wel dat landschap is typisch Fries maar niet die moppen zijn echt Weesper. Wel: Hij is Rotterdammer in hart en nieren. Ook overtreffende trappen en uiterlijk daarbij aanleunende bijv. nw. laten zich niet predikatief gebruiken: dikst, grootst, voorst, bovenst. Tenslotte is er nog een aantal andere met dezelfde syntactische beperking: toenmalig, voormalig en wellicht nog een paar andere.
De overige bijv. nw. laten zich zowel attributief als predikatief gebruiken.
De morfologische valentie van het ongelede adjectief in modern Nederlands omvat ook een aantal afleidingen. We beperken ons weer tot de produktieve typen en verwijzen voor andere formaties naar § 69.
We zullen ons achtereenvolgens bezighouden met de volgende formaties:
groen-er, groen-st, groen-achtig, groen-ig, groen-erig, groen-tjes, groen-tje, on-diep, oer-oud, groen-heid, diep-te, olijk-erd, ver-arm-en.
§ 121. De zgn. vergrotende trap (comparatief) van bijv. nw. wordt gevormd met het achtervoegsel -er, dat na een eind-r verschijnt als -der; groener, groter, dunner, dorder, duurder, verder; soms ook kaalder en dunder. Steeds naast na nader. Naast een ongelede vorm op -e verschijnt een vorm met -r; blijde - blijder.
De comparatief ontbreekt bij bijv. nw. die hem naar de betekenis niet toelaten (overleden, gestolen, dagelijks, mondeling, schriftelijk e.d.), bij stoffelijke bijv. nw. (koperen, lakens), bij afleidingen op -er van aardrijkskundige namen (Steenwijker, Weesper), en bij sommige uit de groep genoemd in § 118 handgemeen, kwijt, meester, gewaar, pluis. Deze missen ook meest de superlatief.
Op onregelmatige wijze is de comparatief gevormd bij goed: beter. Naast goed ontbreekt, kan men zeggen, een comparatief, naast beter een ongelede vorm zonder -er (in dit verband positief of stellende trap genoemd). Ze vullen elkaar dus morfologisch aan. Zo is ook de verhouding tussen weinig en minder, veel en meer, overigens geen bijv. nw. (§ 134).
opmerking i. Bij boutens leest men: Herfst kleurde 't ooft al goudener; hij gebruikt het stoff. bijv. nw. dus niet alleen in de comparatief maar bovendien predikatief. Vgl. de opmerking op blz. 113.
opmerking ii. Sommige vergrotende trappen vertonen betekenisisolering en staan dan buiten de produktieve groep: Zusje is weer beter. Vroeger was hij lastig.
opmerking iii. De comparatief heeft de semantische waarde van een superlatief in (naar het Duits gebruikte) vormen als: Wij hebben alleen de betere clientèle. Dit is het ergst voor de hogere standen.
§ 122. De zgn. overtreffende trap (superlatief) van bijv. nw. wordt gevormd met het achtervoegsel -st, dat na een eind-s verschijnt als -t: groenst, grootst, dunst, wijst, grijst, voost. Eindigt het grondwoord op -e, dan valt die bij de afleiding op -st weg: blijde - blijdst.
Voor het ontbreken van de superlatief zie men de vorige paragraaf; grondwoorden op -st missen hem ook: vast - vaster, gerust - geruster,
gepast - gepaster (men maakt gebruik van een omschrijving meest + grondwoord).
Onregelmatig gevormd zijn best naast goed, minst naast weinig, meest naast veel. Vergelijk ook hier de vorige paragraaf.
Geïsoleerde als superlatief gevoelde formaties zijn: uiterst, opperst.
Superlatieven beschikken over een geheel eigen morfologisch kenmerk nl. afleiding met het voorvoegsel aller- (dat historisch natuurlijk geen voorvoegsel is): allerdikst, allergroenst, alleroudst. In predikatief gebruik kunnen ze zonder lidwoord voorkomen: hij was die avond allerkomiekst, ik vond het fuifje allergezelligst (vgl. de absolute superlatieven in de volgende paragraaf).
opmerking. Ook adverbiaal gebruikte superlatieven kunnen zonder lidwoord staan: liefst ging ik dadelijk naar huis. Eerst kom jij aan de beurt. Laatst was hij nog hier, uiterst verbaasd. Je hebt je werk best gemaakt.
§ 123. De termen vergrotende trap en overtreffende trap wekken de indruk dat ermee bedoeld wordt: de eigenschap in hogere graad, in de hoogste graad bezittend. Dat is ook wel juist, als men er maar rekening mee houdt dat het niet perse impliceert: de eigenschap bezittend.
Zegt men van microtomisch afgesneden vliesjes: dit is dikker dan dat en dat daar is het dikst, dan houdt dat immers niet in dat ze in de gewone zin dik zijn; grammaticaal gesproken worden ze echter naar hun dikte beoordeeld en als op een bepaalde wijze, in een bepaalde verhouding, dik voorgesteld. Semantisch is er dus bij gebruik van de trappen van vergelijking (comparatie- of gradatievormen) meestal van vergelijking sprake. Dat kan echter niet gezegd worden in gevallen als: liefste moeder, beste jongen, een allergezelligste baas, uiterst beleefd, opperste verbazing. We noemen dergelijke vormen absoluut gebruikte superlatieven. Ze komen zelfstandig gebruikt ook zonder lidwoord voor: dat is best, het was er allerleukst. Lest best. Op andere wijze syntactisch gebruikt maar ook met absolute betekenis: op z'n hoogst, op z'n mooist, op z'n dikst, ten hoogste, ten spoedigste.
opmerking i. Het hoeft geen betoog, dat de vergelijking nog op tal van andere wijzen in taalvormen gestalte kan krijgen: Ik vind deze sigaar zwaar, die niet zo erg.
opmerking ii. De wendingen meer + adjectief, meest + adjectief noemt men wel resp. omschreven comparatieven en omschreven superlatieven.
§ 124. Geïsoleerd en dus grammaticaal niet meer als comparatieven te waarderen zijn: de ouders, Christus en zijn Jongeren, de minderen moeten de meerderen gehoorzamen. Ze worden als substantieven beschouwd.
In de volgende samenstellingen zien we comparatieven en superlatieven schuilgaan: minderheid, meerderheid (!), aan de beterhand zijn, meergenoemde, naderbij, dichterbij, om bestwil, gemenebest, meestbiedende, laatstleden, jongstleden.
§ 125. Andere produktieve formaties op basis van een adjectief zijn:
bijv. nw. + achtig (bijv. nw.): roodachtig, groenachtig, bitterachtig, bleekachtig, doofachtig, holachtig, sterkachtig, enz. enz. De betekenis is: min of meer -.
bijv. nw. + ig (bijv. nw.): groenig, bitsig, dovig, gladdig, jovialig, lammig enz. enz. De betekenis is: min of meer -. Het verschil met de vorige groep is niet groot.
bijv. nw. + erig (bijv. nw.): groenerig, aparterig, chiquerig, Franserig, jaloerserig enz. enz. De betekenis is weinig afwijkend van die van -achtig en -ig. De formatie komt in andere vorm ook voor bij grondwoorden op ig: deftig: defterig. Bij bitter ontbreekt deze afleiding, of ze valt samen met de vorige.
bijv. nw. + jes (bijwoord): fijntjes, flauwtjes, povertjes, simpeltjes, sjofeltjes enz. enz.
Ze komen als bijv. nw. niet voor in attributief wel in predikatief gebruik, maar op grond van het ontbreken van een vorm met -e noemen we ze bijwoorden. De variatie in het suffix (-tjes, -etjes) loopt parallel met die van de verkleiningsuitgang -je (zie § 104).
bijv. nw. + je (zelfst. nw.): blondje, droogje, halfje, liefje, witje, zwartje, bruintje, brutaaltje, stommetje. Voor de variatie in het achtervoegsel geldt hetzelfde als voor die in -tjes. Ze duiden op affectieve wijze personen en zaken aan die de eigenschap van het grondwoord hebben.
on + bijv. nw. (bijv. nw.): ondiep, ondicht, onedel, onamerikaans enz. enz. De eigenschap die in het grondwoord wordt genoemd wordt in de afleiding ontkend. Zeer frekwent voor volt. deelwoorden die als bijv. nw. worden gebruikt: ongewassen, ongebonden, ongezien.
oer + bijv. nw. (bijv. nw.): oerdegelijk, oeroud, oerecht, oerfries, oerhard, oerlelijk enz. enz. De eigenschap die in het grondwoord wordt genoemd wordt in de afleiding versterkt.
bijv. nw. + heid (zelfst. nw.): blijheid, boutheid, dorheid, logheid, accuraatheid enz. enz.
De betekenis is: het - zijn (het blij zijn, het bout zijn enz.). Ze worden overwegend gebruikt om abstractheden aan te duiden maar ook wel voor personen: Hoogheid, Uwe Edelheid, Ga weg, naarheid.
bijv. nw. + te (zelfst. nw.): diepte, dikte, donkerte, droogte, duurte, kalmte, gauwte enz. enz.
Terwijl we -heid-afleidingen ook van adjectieven op -ig en -erig (groenigheid, klefferigheid) aantreffen, vinden we overeenkomstige op -te niet. Overigens is de betekenis van -heid en -te goeddeels dezelfde. Gevallen van betekenisisolering zijn: groente, lengte (onregelmatig), breedte, hoogte, vlakte e.a.; vgl. § 69.
bijv. nw. + erd (zelfst. nw.): dikkerd, engerd, flauwerd, gauwerd, blekerd, gekkerd, vluggerd. Ze duiden overwegend personen aan, maar ook wel iets anders: Het was weer eens een laterdje gisteren. (Van Dale schrijft overigens latertje). Onmogelijk is de afleiding bij een grondwoord op -er: donker, dapper, duister. Vgl. -aard in § 69.
ver + bijv. nw. + en (werkwoord): verarmen, verbeursen, verdoffen, verdoven, verengelsen, verfijnen, verfraaien, vergroten enz. enz.
Het type betekent ‘- worden of - maken’. Geïsoleerd staan: verijdelen, verzekeren e.d. De afleidingen kunnen op hun beurt soms uitgangspunt worden voor een formatie met her-: herverfransen. Dat zijn echter afleidingen van werkwoorden.
§ 126. Over de mogelijkheden tot opneming van bijv. nw. in samenstellingen zie men § 58.
De syntactische valenties waarover het adjectief beschikt worden behandeld in hoofdstuk IV; ook die moet men bezien voor een oordeel over het karakter van de woordklasse.
§ 127. Het heeft weinig zin binnen de bijv. nw. onderscheid te maken op grond van de betekenissen (kleuraanduidend, vormaanduidend, herkomstaanduidend enz. enz.), wanneer daarmee niet bepaalde grammaticale kenmerken corresponderen. Ook het preciserende wat bijv. nw. bij bepaald gebruik eigen is tegenover het onderscheidende karakter in andere gevallen is eerder van belang voor de stilisticus dan voor de grammaticus. Hetzelfde geldt voor het versierende adjectief (epitheton ornans) als in het eeuwige Rome, de snelvoetige Achilles, en voor het pleonastisch gebruikte als in de objectieve zakelijkheid, de vaderlandslievende patriotten.
§ 128. In het schema van de woordsoorten zijn de telwoorden (numeralia) gekarakteriseerd als morfologisch (op een bepaalde wijze) gekenmerkte woorden met mogelijke zinsvalentie. We zullen vooreerst stilstaan bij de ‘vormen’ van het telwoord, daarna aandacht geven aan syntactische bijzonderheden en tenslotte de afleidingen bespreken.
§ 129. Zoëven hebben we het woord vormen tussen aanhalingstekens geplaatst. De reden daarvan is dat we bij de behandeling van de telwoorden voor hun morfologische identificering van meet af aan behoefte hebben aan achtervoegsels. De enige uitgang immers (-en) is niet voldoende om het telwoord te herkennen.
Het telwoord kan uitgebreid worden met de uitgang -en en het achtervoegsel -ste/-de.
§ 130. De functie van de uitgang -en (met z'n tweeën, achttienen, honderd vier en twintigen; in vijven, twaalven delen) is van syntactische aard; hij verschijnt uitsluitend in voorzetselconstr., zij het dat daar ook wel eens het ongelede telwoord wordt gebezigd: we komen met ons vieren, met vieren, na vijven, in twaalven.
opmerking i. Duizenden, honderden, miljoenen e.d. kunnen behoren tot deze groep (ze kwamen met z'n honderden het plein op), maar meestal zijn ze van andere aard. We kunnen ze dan beschouwen als meervouden, eventueel gevormd naast een als substantief begrepen ('n) duizend (aanhangers). De verbindbaarheid met de wijst daar ook op: de duizenden hebben hun vaderland niet weergezien.
opmerking ii. Naar analogie van wij allen komt ook voor: wij tweeën, zij drieën, jullie vieren; verder ook in diminutiefvorm: op z'n eentje, ons tweetjes, jullie met z'n drietjes.
§ 131. Het achtervoegsel -ste/-de vormt zgn. rangtelwoorden: de variant -de komt voor in tweede, vierde, vijfde, zesde, zevende, negende, tiende, elfde, twaalfde, dertiende en andere op -tiende. Naast drie staat derde, naast een eerste. Alle andere hebben de variant -ste.
Samenstellingen worden behandeld als de met het laatste element overeenkomende grondwoorden: vierentwintigste, honderd vierde.
§ 132. Aan de hand van deze morfologische kenmerken zijn de volgende enkelvoudige woorden als telwoorden te herkennen: één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, elf, twaalf, dertien (?), veertien (?), twintig, dertig (?), veertig (?), tachtig (?), honderd, duizend, miljoen (= 10002), miljard (= 10003), biljoen (= 10004), triljoen (= 10006), quadriljoen (= 10008)1. Theoretisch gaat de reeks op een slechts voor denkbeeldige rekenaars produktieve wijze verder. Van sommige telwoorden valt moeilijk te bepalen of ze enkelvoudig of samengesteld zijn; er is een vraagteken achter geplaatst. Bij vijftig, zestig, zeventig zou men het kunnen betwijfelen i.v.m. de stemloze beginconsonanten. Negentig is een duidelijke afleiding met -tig.
Alle andere telwoorden zijn samenstellingen met een aantal van de genoemde en al of niet het voegwoord en: honderd vier, vierhonderd, vierentwintig, vierhonderd vierentwintig.
Het voegwoord wordt gebruikt tussen, voor het gemak zo gezegd, eenheden en tientallen (vierenveertig): het kan gebruikt worden na honderd en duizend; honderd en vier, duizend en tien: ook echter tweehonderd vijf, drieduizend achtenvijftig. Dat we bij alle telwoorden niet met woordgroepen maar met woorden te doen hebben blijkt uit het gebruikt van het suffix -de/-ste dat achter het geheel komt en uit de ondoordringbaarheid van dat geheel: er kan niets worden tussengeplaatst en de volgorde kan niet worden veranderd (of we krijgen een ander telwoord).
§ 133. Er zijn nog een paar andere woorden die over dezelfde morfologische eigenschappen beschikken: zoveel, met z'n zovelen, zoveelste; hoeveel, met z'n hoevelen, hoeveelste. Naar hun onderlinge betekenisverhouding komen deze overeen met vier - met vieren - vierde.
opmerking. Over veel, weinig, meer en minder zie de volgende paragraaf.
Alle tot nog toe genoemde telwoorden, bepaalde (waaraan in de rekenkunde een geheel reëel getal beantwoordt) en onbepaalde (waaraan in de rekenkunde niets beantwoordt), beschikken in hun grondvorm (hoofdtelwoord) over de mogelijkheid te verschijnen achter: Ik heb er -. We kunnen daarom ook definiëren: een telwoord is een woord dat kan staan achter: ik heb er-. Als we alle mogelijkheden van deze syntactische reeks vergelijken met de besproken morfologische klasse, dan blijken er echter kleine verschillen; nu dienen zich ook de volgende woorden als telwoorden aan: vele, weinige, enkele, enige, sommige, verscheidene, ettelijke, genoeg, zat, wat, geen, meer, minder, anderhalf, voldoende. Deze syntactisch als telwoorden herkenbare woorden, die ook in hun betekenis zich als telwoorden voordoen, missen de typische morfologische eigenschap van combineerbaarheid met -de/-ste; er komen dus geen zgn. rangtelwoorden van voor.
Een ander onderscheid is dat de eerste groep, behalve indien als zelfst. woord gebruikt na een voorzetsel (met vijven, in vieren), morfologisch onveranderlijk is, terwijl de tweede groep uiteenvalt in een veranderlijke en een onveranderlijke reeks: veel / vele, weinig / weinige boeken; ik heb er veel / vele, weinig / weinige, anderhalf pond, anderhalve kilo; genoeg, wat, meer, geen, minder, voldoende boeken; enkele, enige, sommige, verscheidene, ettelijke boeken. We merken dus op, dat sommige van deze telwoorden morfologisch in de richting gaan van het adjectief (veel, weinig, anderhalf), andere zich helemaal als adjectieven gedragen (enkele, enige, sommige,
verscheidene, ettelijke), terwijl een derde groep onveranderlijk is (genoeg, zat, wat, meer, minder, voldoende).
De laatste twee groepen kennen ook niet de vorm op -en zoals in met z'n vieren. De woorden enkele, sommige, verscheidene, ettelijke staan attributief gebruikt, slechts voor meervoudige woorden: enkele boeken. Genoeg, zat, wat, meer, minder, voldoende, geen, veel en weinig - en hierbij sluiten zich zoveel en hoeveel aan - staan als zodanig zowel voor enkelvouden als voor meervouden: veel melk, veel boeken. Genoeg en zat staan ervoor of erachter: melk genoeg, genoeg melk; boeken genoeg, genoeg boeken. Anderhalf staat attributief gebruikt slechts voor een enkelvoud: anderhalf ons. Geen komt zelden voor als gene, met een -e die zich gedraagt als die van goede.
opmerking i. Door die toenadering tot het bijv. nw. is het begrijpelijk dat er overtreffende trappen voorkomen als meeste, minste, enigste. De betekenis maakt het onmogelijk deze woorden als rangtelwoorden te beschouwen. Soms naderen beide reeksen elkaar erg dicht, zo bijv. in: Vele eersten (rangtelw.) zullen de laatsten (bijv. nw. superlatief) zijn.
opmerking II. In de meerdere opbrengst, in mindere mate moeten we meerdere en mindere ook beschouwen als bijv. nw.
opmerking iii. Men onderscheide wel het telwoord zoveel in zoveel boeken van het telwoord veel in zo vele boeken. Zo ook: Hoeveel gulden, hoe vele malen.
opmerking iv. Verscheidene komt ook wel zonder de -e voor omdat de voorgaande lettergreep reeds als uitgang wordt gevoeld: verscheië keren (verscheiden keren).
opmerking v. De -e van vele en weinige loopt in het gebruik niet parallel met die van anderhalve.
opmerking vi. Het woord menig wordt uitsluitend gebruikt als onbepaald vnw.: Menig moe man die zijn avondmaal nam luisterde als naar een oud verhaal. (Vgl. § 221.)
opmerking vii. Het telwoord één is morfologisch variabel: het ene boek. De verdeling van één - ene komt overeen met die van goed - goede.
opmerking viii. We bedoelen in deze paragraaf met de proef Ik heb er - strikt de oplossing met één woord; dus niet bijv.: 'n gros, een dozijn; dit zijn eenvoudig zelfst. nw. met lidwoord ervoor.
§ 135. We kunnen nu de telwoorden, die deels morfologisch en deels syntactisch zijn gevonden, als volgt verdelen:
| 1. | met een rangtelwoord naast zich (twee, vier, zeven enz.; zoveel, hoeveel); |
| 2. | zonder rangtelwoord naast zich |
| a. | ongeleed en geleed op -e (veel, weinig, anderhalf); |
| b. | uitsluitend geleed op -e (enkele, emge, sommige, verscheidene, ettelijke); |
| c. | uitsluitend ongeleed (genoeg, zat, wat, meer, minder). |
§ 136. Een nog niet genoemde reeks van woorden die mogelijk zijn achter Ik heb er - is: allerlei, velerlei, menigerlei, enerlei, tweeërlei, drieërlei, vierderlei (enz. ?). Ze missen iedere morfologische valentie. We rekenen ze ook tot de telwoorden. Overeenkomstige woorden op -hande (allerhande, velerhande, menigerhande, drieërhande enz.) wijken af, doordat ze een vorm -hand naast zich hebben; meubilair was er allerhand, van postzegels wist ie allerhand, het verschil is velerhand. Ook deze rekenen we tot de telwoorden.
§ 137. Het woord beide ontsnapte tot zover aan iedere greep. Het beschikt niet over een rangtelwoord en het is niet mogelijk achter Ik heb er -. Toch ligt het, vooral semantisch, voor de hand het tot de telwoorden te rekenen. Dat het niet formeel als zodanig kan worden herkend komt door een zeer bepaald betekenisaspect: het betekent nl. niet twee maar twee en meer zijn er niet. Zo min als men kan zeggen Ik heb er de twee, zo min is mogelijk: Ik heb er beide. Er is hier dus een bijzonder maar bijkomstig semantisch beletsel waardoor het telwoord beide formeel verschilt van bv. weinige, vele, sommige, enkele enz. Geheel hetzelfde geldt voor het andere ‘absolute’ telwoord alle.
De volgende syntactische eigenaardigheden t.a.v. alle en beide vallen op: wij beiden, wij allen; wij hebben ze beide / alle gezien; beiden / allen hebben wij ze gezien; geen van beiden / allen; (de) beide werken, beide de werken / alle de werken. Vgl. al in § 210.
opmerking. Naamvalsresten van alle en beide vindt men in archaïstische taal: uw beider welzijn, ons aller Vader, aller gedachten, beider vermogens.