§ 247. De beschrijvingsmethode die we bezig zijn te volgen gaat uit van het kleinste taalelement (de klank, het foneem), komt in hoofdstuk III op het niveau van het woord en gaat nu over op een weer hoger gelegen vlak nl. dat van de woordgroep. Sommige woordgroepen zullen blijken te bestaan uit een min of meer ingewikkelde combinatie van andere woordgroepen maar een hoger niveau dan een, eventueel gecompliceerde, woordgroep is er niet. Wanneer een bepaalde woordgroep niet grammaticaal als deel van een uitgebreidere woordgroep verschijnt, noemen we hem zin (zie verder § 305). De spraakkunst houdt zich slechts bezig met grammaticale verbanden. Hij spreekt zich dus nooit uit over het (overigens zeer werkelijke) verband tussen afzonderlijke zinnen. Voor de spraakkunst bestaat er evenmin verband tussen de beide eerste zinnen van een roman als tussen de laatste van de Lucifer en de eerste van de troonrede van 1967.
§ 248. Onder een woordgroep verstaan we een aantal in de spraak verbonden woorden die syntactisch en vaak ook morfologisch als bijeenbehorend gekenmerkt zijn, terwijl ze tegenover hun omgeving als eenheid verschijnen. Er zijn dus regels te geven voor de onderlinge verhoudingen tussen de woorden van een woordgroep en bovendien heeft het geheel eenheidskenmerken. Tot de eenheid van een of andere woordgroep concluderen we op syntactische gronden. Een woordgroep die als zin verschijnt heeft een eigen onafhankelijk intonatiepatroon. Daar is de conclusie dus niet moeilijk. Maar binnen de zin is de zaak niet zo eenvoudig. Hoeveel woordgroepen zijn te onderscheiden in: Die andere hond van de buurman. In de algemene luchtgesteldheid komt weinig verandering. Ga nou toch 'ns effe opzij. Een naar de omstandigheden zeer loffelijke poging?
§ 249. Het woordgroepskarakter van iets wat minder is dan een zin wordt beoordeeld in het verband van de zin waarin het staat. We vinden het door verplaatsings-, weglatings- en vervangingsproeven: In de algemene luchtgesteldheid komt weinig verandering; Weinig verandering komt (er) in de algemene luchtgesteldheid. In de algemene luchtgesteldheid blijkt zo een eenheid te zijn, evenals weinig verandering. De eerste van deze twee laat zich weer verdelen in een woord (in) + een woordgroep de algemene luchtgesteldheid, al kunnen we tot dit laatste pas na veel vergelijkingen met andere woordgroepen concluderen. Een criterium waaraan iedere woordgroep moet voldoen is: mogelijke zinswaarde; alleen de werkwoordsgroep onttrekt zich hieraan vaak.
Wanneer we op dit kenmerk afgaan zouden we uit Die andere hond van de buurman de woordgroep die andere kunnen afleiden; dat kan immers als zin voorkomen: Welke hond van de buurman? Die andere. In dit antwoord is Die andere een woordgroep, maar niet in het eerstgenoemde verband. Daar ligt de grens tussen Die andere hond / van de buurman, zoals blijkt uit Ik zie liever die andere hond van de buurman, Die andere hond zie ik liever van de buurman.
Woordgroep en zinsdeel in engere zin (= vulling van één plaats in de persoonsvormconstructie) dekken elkaar goeddeels maar niet altijd. Eén woordgroep is verdeeld over drie zinsdelen in: Hij / heeft / er / later / één / van / terug / gezien. Eén ervan is een woordgroep maar de delen ervan, drie in getal, zijn evenzovele zinsdelen: er is laatste zinsdeel in het beginstuk, één is zinsdeel in het middenstuk, van is eerste zinsdeel in het eindstuk van de zin. We kunnen door verplaatsing de woordgroep zinsdeelkarakter geven: Eén ervan / heeft / hij / later / terug / gezien. Men zie over deze kwesties verder de paragrafen over de persoonsvormconstructie beneden; deze constructie stelt zodanige eigen eisen dat ze een woordgroep kan dwingen zich te verdelen. Zie ook § 355 waar we de kwestie van woordgroep, zinsdeel en functor bespreken.
§ 250. Voordat we de typen van woordgroepen ieder afzonderlijk gaan bespreken geven we eerst een inventarisatie:
a. Woordgroepen met een kern:
substantiefsgroep; adjectiefsgroep; telwoordsgroep; werkwoordsgroep; voornaamwoordsgroep; bijwoordsgroep; woordgroep met een voorzetselconstructie als kern; woordgroep met een voegwoordconstructie als kern.
b. Woordgroepen zonder kern; constructies:
voorzetselconstructie; voegwoordconstructie; deelwoordconstructie; infinitiefconstructie; constructie met te + infinitief; persoonsvormconstructie.
Tenslotte zijn er nog andere woordgroepen die een bijzondere behandeling vragen. Men zie hiervoor §§ 346, 351, 352-354, 356.
§ 251. Onder een woordgroep met een kern of endocentrische woordgroep verstaan we een woordgroep waarvan enig deel de syntactische functie van het geheel kan overnemen. Naar de woordsoort van het kernwoord benoemen we de woordgroep. Afgeroomde melk is een substantiefsgroep omdat melk de syntactische functie van het geheel
kan overnemen. Zo ook trottoirbanden in gebogen trottoirbanden te gebruiken op hoeken van straten.
Min of meer in strijd met de regel noemen we ook appel de kern van een frisse en smaakvolle appel die de hele winter goed blijft; appel komt uitsluitend met een lidwoord voor en feitelijk kan het dus niet de syntactische functie van de groep overnemen. Vgl. § 99.
Van een woordgroep zonder kern of exocentrische woordgroep spreken we wanneer geen enkel deel de syntactische functie van het geheel kan overnemen.
§ 252. Bij de behandeling van de endocentrische woordgroepen onderscheiden we naast de kern de bepalingen. De bepalingen vallen uiteen in voorbepalingen, nabepalingen en vrije bepalingen.
Voorbepalingen kunnen alleen vóór de kern staan, nabepalingen alleen erachter, vrije bepalingen zowel ervoor als erachter. In vooral afgeroomde melk met suiker is vooral een vrije bepaling, want afgeroomde melk met suiker vooral is ook mogelijk. Afgeroomde is een voorbepaling, met suiker een nabepaling.
We onderscheiden bepalingen van de eerste, van de tweede, van de derde enz. graad. Van de eerste graad is een voorbepaling, wanneer er geen bepaling van een andere soort kan worden toegevoegd tussen voorbepaling en kern. Van de tweede graad is ze, wanneer er bepalingen van 'n bepaalde soort (en dat zijn dan eerstegraadsbepalingen) kunnen worden toegevoegd tussen voorbepaling en kern, van de derde graad wanneer er twee bepalingen van verschillende soort kunnen worden toegevoegd enz. enz. Op dezelfde wijze wordt er gradatie gebracht in de nabepalingen. (We zullen overigens een bepaling ook wel eens eerstegraads, tweedegraads enz. noemen op grond van het feit dat er geen, resp. één andere bepaling tussen deze en het kernwoord staat, i.p.v. kan worden toegevoegd.) Op grond van de ervaring van de betekenisverhoudingen binnen een woordgroep is het verder mogelijk voorbepalingen en nabepalingen onderling te ordenen naar de graad van intimiteit die ze met de kern hebben. In 20 geplakte zakjes van rijstpapier lijkt van rijstpapier de bepaling van de intiemste soort; geplakte geeft niet iets inwendigs aan; het is een bepaling bij zakjes van rijstpapier (en niet omgekeerd van rijstpapier een bepaling bij geplakte zakjes). 20 is de meest verwijderde bepaling. Schematisch kunnen we dat als volgt weergeven: 20 (geplakte ((zakjes) van rijstpapier)).