§ 353. Een eerste type van woordgroepen die na het voorgaande nog om bespreking vragen zijn die welke weliswaar endocentrisch zijn zonder dat we echter mogen spreken van kern + nabepaling. Vooral op grond van de intonatieverhoudingen binnen de groep moeten we onderscheid maken tussen (attributieve) nabepalingen en predikatieve toevoegingen.
Men lette op het verschil tussen Gerrit de Stotteraar (nabepaling) en Napoleon, de Keizer van alle Fransen. Zulk een door een afzonderlijke, vaak identieke intonatie gekenmerkte toevoeging aan een kernwoord (groep) noemen we bijstelling (of appositie) wanneer de delen onderling kunnen worden verwisseld naar functie en plaats: De keizer van alle Fransen, Napoleon. We noemen ze in andere gevallen predikatieve toevoeging (waarbij men echter dient te bedenken dat een bijstelling een bijzonder soort predikatieve toevoeging is). Een woordgroep welke een predikatieve toevoeging bevat noemen we een endocentrische, predicerende woordgroep.
a. Voorbeelden van groepen met een bijstelling zijn: Memphis Slim, piano, en Willie Dixon, bas, / een combinatie die in de blues niet veel voorkomt;
ginds / bij de werven; daar / in die wildernis; hier / op deze plaats; Amsterdam / de hoofdstad van ons land; (Alle huisjes zijn geflankeerd door) bomen en struiken / massieve linden, hoge populieren, zilvergrijze wilgen, dichte vlieren; Mijn vriend, / de ontvanger, (gaat op reis); Een andere punt van het eiland / de westelijke, (werd ook omspoeld door een riviermond); (Dit is nu echt) een landtong, / een tong van zand die in het water steekt (du perron); Krijgslieden kwamen uit den stand der yeomanry / de vrije landbouwers / de boogschutters en piekeniers die Crécy wonnen en Azincourt (van schendel). (In deze zin staat een bijstelling op afstand bij krijgslieden en een andere bij yeomanry vlak achter dit woord. Het is ook mogelijk de groep de boogschutters en piekeniers die Crécy wonnen en Azincourt zinswaarde toe te kennen.)
Soms staat een bijstelling bij een exocentrische woordgroep (constructie): Hij is in de vakantie bij zijn oom in Zwitserland gevraagd, / een buitenkansje. Het bassin was te klein, de waterverversing liet te wensen over, de kleedhokjes moesten worden vernieuwd evenals de pompinstallaties, / omstandigheden die de vraag deden rijzen of een geheel nieuwe badinrichting niet de voorkeur verdiende boven herstel van de oude.
Een bijstelling wordt soms in de zin opgenomen: En toen is de man - een vervelende historie - ermee naar de politie gelopen. De appositie kan ook de woordorde van een hoofdzin hebben: In die omstandigheden heeft hij - het zal niemand verbazen - ontslag genomen. Vgl. ook: Binnen een week was alles gereed, / een reuze succes; Binnen een week - een reuze succes - was alles gereed. De bijstelling staat vóór het deel waarop ze betrekking heeft: (En (hij) ziet hoe over 't vlek, in hemelen matguldig, Rijst), bode van de rust, / de ivoren voorjaarsmaan (gossaert).
opmerking i. Hervatting van de hoofdzin zelf treffen we aan in: Dit was boerenarbeid, dit was het werk met de grond, met de natuur. Van hervatting kan men het best spreken ook in andere gevallen waar twee exocentrische woordgroepen (constructies) van dezelfde bouw naast elkaar staan: Op Java, ergens op Midden-Java, (tussen de bergen Lawoe en Willis in, maar dichter naar de kant van Lawoe toe, lag diep in een ommuurde tuin onder donkere groene bomen een huis) (maria dermoût); tussen... toe is een bijstelling bij de herhaalde constructie met op.
opmerking ii. Een bijstelling is een epitheton ornans, als ze een louter versierende toevoeging is: voort schreed Achilles, de snelvoetige. Een bijstelling kan een logisch causale verhouding hebben t.o.v. de kern: Elk haatte Hitler, de tiran.
b. Bij de (andere) predikatieve toevoeging is de betekenisverhouding tussen de beide delen van de woordgroep niet anders dan bij de woordgroep met een bijstelling. Het verschil is dat de delen nu onderling niet verwisselbaar zijn in die zin dat het ene als predikaat bij het andere maar ook het andere als predikaat bij het ene zou kunnen wor-
den gebruikt. Soms kunnen de delen van plaats wisselen, maar nooit van functie.
Voorbeelden: (een ruime villa met) een garage / opzij, (opzij / een garage); (met) de vlag / in top; (met) in top / de vlag; het betoog / kort samengevat (komt hierop neer); Zijn werk / ofschoon de vrucht van grondige kennis (is reeds lang overtroffen); goederen / te leveren tegen inkoopsprijs; het fruit / voorzichtig geplukt en verpakt; de jongste bediende, / rood van opwinding; Henk van Ulsen / als volleerd acteur (vertolkte op volmaakte wijze de rol van de gek); de linksbuiten / als een volleerd acteur (bleef liggen in het strafschopgebied); het schip / met de vlag in top (voer uit).
opmerking i. Predikatieve toevoegingen kunnen zeer verschillend zijn naar hun inwendige bouw; men zie de voorbeelden. Vgl. ook § 344 onder ii.
opmerking ii. Wanneer, bij eenzelfde betekenisverhouding, beide delen niet samen als één zinsdeel verschijnen, spreken we van een vrije predikatieve toevoeging of bepaling van gesteldheid (Als volleerd acteur vertolkte Henk van Ulsen op volmaakte wijze de rol van de gek) of van een bijwoordelijke bepaling (Als een volleerd acteur bleef de linksbuiten liggen in het strafschopgebied). Vergelijk § 344.
opmerking iii. Niet altijd is het achtergeplaatste bijv. nw. te beoordelen als een predikatieve toevoeging. In de middeleeuwen werd het attributieve bijvoeglijke naamwoord dikwijls achter het substantief geplaatst, bijv.: Dat volc geleert. Syns vaders almechtich. Doe Elegast die ridder goet / Quam in des conincs sale. Tegenwoordig gebeurt dit alleen nog in gedichten en in enkele isoleringen waarin het oude gebruik is bewaard gebleven. Bijv. in: Zo waarlijk helpe mij God almachtig!, maandag eerstkomende, vrijdag aanstaande.
't Gebruik in verzen staat in verband met rijm en ritme. Zo schrijft van eeden in Lioba: Toen heeft het bei zijn armkens warm / Rondom mijn hals gebogen. Volksliederen verhalen ons van een ruiter koen en een meisje loos.
De intonatieverhoudingen zijn hier anders dan bij de predikatieve toevoegingen, die geïsoleerd en op lagere toon worden gesproken.
opmerking iv. De uitbreidende bijv. bijzin (vgl. § 256, 6, opm. ii) kan steeds beoordeeld worden als een predikatieve toevoeging. Ook hier is de intonatie het kenmerk.