§ 384. Onder voornaamwoordelijke aanduiding verstaat men het geheel van regels volgens welke de voornaamwoorden hij, zij, het, dit, dat, die, deze, zijn, hem, haar en hun en de genitieven der, dezer, dier, wier, ener, mijner, diens, wiens, dezes, mijns, welks e.d. worden gebruikt. Het eigenaardige is nl. dat het gebruik niet alleen door de syntaxis wordt bepaald en zelfs niet alleen door de grammatica in het algemeen.
Het is bekend dat we éénzelfde persoon of zaak op zeer verschillende wijze kunnen noemen. Laten we als voorbeeld nemen een bepaalde figuur uit de Europese geschiedenis, nl. de Franse staatsman-veldheer die we gewoonlijk noemen met het woord Napoleon. Deze man wordt behalve met het woord Napoleon, genitief Napoleons, ook wel aangeduid met ‘de grote Franse keizer’, ‘de man die Rusland onderschatte’, ‘hij’, ‘dat zelfingenomen kereltje’, ‘dat’ enz.; en in ander grammaticaal verband: zijn, diens, dezes. Het gebruik van de aanduiding Napoleon of van dat zelfingenomen kereltje is natuurlijk niet in een spraakkunst te behandelen. Eigenlijk zou daar ook niet thuis horen een behandeling van de aanduiding met hij of dat, ware het niet dat het gebruik van de voornaamwoorden mede door grammaticale zaken beheerst wordt of althans beheerst dient te worden. Op zichzelf genomen zou het mogelijk zijn te zeggen: Napoleon, dat heb ik altijd verafschuwd, wanneer de spreker nl. ‘denkt’: dat zelfingenomen kereltje. De regels voor de voornaamwoordelijke aanduiding echter verbieden het aanduiden van iets of iemand met behulp van voornaamwoorden die grammaticaal tot een andere groep behoren dan eerder gebruikte niet-voornaamwoordelijke aanduidingen. Napoleon is een woord van de de-klasse (de veelgesmade Napoleon), dat correleert met woorden van de het-klasse (het kereltje, dat zelfingenomen kereltje, dat).
Bij het gebruik van hij en zij spelen bovendien nog andere overwegingen een rol: het gebruik wordt beheerst door de regels van de syntaxis, door de regels van de voornaamwoordelijke aanduiding en door het biologisch geslacht wanneer het over personen gaat.
In de volgende paragrafen zullen we het gebruik van de voornaamwoorden bespreken voor zover dat correleert met niet-voornaamwoordelijke aanduidingen.
§ 385. Eertijds onderscheidde het Nederlands mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden, drie afzonderlijke klassen van zelfstandige naamwoorden, gekenmerkt door eigen uitgangen en door verschil in buiging van de bijvoeglijke woorden. In die periode correleerde het gebruik van de voornaamwoorden hij, zij, het en overeenkomstige andere met
mannelijke, vrouwelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden.
In de middeleeuwen schreef men den, enen, ouden, de, ene, oude enz. in overeenstemming met de uitspraak, en met het geslacht van de substantieven.
Door een fonetisch proces, nl. 't afslijten van de uitgangen, werd de verbuiging van woorden met verschillend geslacht langzamerhand vrijwel aan elkaar gelijk, terwijl bovendien vaak naamvallen door elkaar gebruikt werden.
Vele mannelijke en onzijdige woorden op een toonloze e werden vrouwelijk gebruikt, en omgekeerd heel wat vrouwelijke die een tweede naamval op -s hadden, mannelijk of onzijdig.
Bovendien kwam hetzelfde verschijnsel voor dat nu in verschillende Nederlandse dialecten nog is op te merken, nl. 't gebruik van dien, den enz. in de nominatief, bijv.: Meester, desen raet es goet. An sinen hals hinc enen inchtoren. Daer is den brief.
Ook het tegengestelde kende men: weglating van de -n, waar men die wel zou verwachten, bijv.: In levende live, des levende gods; van den lopende water.
In de 16e en in 't begin van de 17e eeuw werkte dit proces verder door: de en den, der en des worden voortdurend naast en door elkaar gebruikt, bijv.: ende den man staet op, naast: het berooft de mensche ook van zijn sinnen ende verstant; des Maeght naast der Schepper.
Met dit gebruik stemmen overeen de vormen die opgegeven worden in de Twe-spraack van de Nederduitsche Letterkunst, een spraakkunst, in 1584 uitgegeven door de bekende Amsterdamse Rederijkerskamer ‘In Liefde bloeyende’. Mannelijke en vrouwelijke woorden worden daarin gelijk verbogen, bijv.:
| 1. | de heer, de vrouw, het dier, |
| 2. | des heers, vrouws, diers, |
| 3. | den here, vrouwe, diere, |
| 4. | de òf den heer, vrouw, het dier. |
Door deze ontwikkelingen in het vormsysteem werd de voornaamwoordelijke aanduiding onzekerder, omdat ze geen aanknopingspunten meer had. Men kan, wanneer een woord dat aanvankelijk een aanduiding met hij naast zich had opeens een aanduiding met zij krijgt, spreken van een verandering van geslacht van het woord. Feitelijk echter is het woordgeslacht verdwenen en komt de voornaamwoordelijke aanduiding in het luchtledige terecht.
In de 17e eeuw kwam er evenwel langzamerhand verandering en wel onder invloed van 't steeds meer beoefende Latijn met zijn vast systeem van verbuiging. Zo'n vast stelsel trachtte men ook voor 't Nederlands weer in te voeren, en vooraanstaande schrijvers brachten dit punt in hun onderlinge bijeenkomsten ter sprake. Vooral hooft en vondel, in
wier werken vele vormen als boven gebruikt voorkomen, trachtten de geslachten van de woorden vast te stellen en zich bij elk geslacht aan een vaste verbuiging te houden. Elke onderscheiding die men maakte, was echter subjectief en dus willekeurig. hooft en vondel lieten zich bij het kiezen van mannelijk of vrouwelijk geslacht vooral leiden door hun gehoor, hun dichterlijk gevoel en door het geslacht, dat 't woord in een andere taal had, vooral in 't Latijn of in 't Duits. Hun keuze was dus zéér persoonlijk. 't Natuurlijk gevolg hiervan is dat zij lang niet altijd dezelfde keuze deden en zelfs een woord nu 't ene, dan weer 't andere geslacht gaven.
Op deze subjectieve keuze van vondel en hooft hebben latere schrijvers gesteund, vooral de grammatici. In 1700 verscheen een werk dat op de latere onderscheiding der geslachten een grote invloed heeft geoefend, nl. de Aenmerkingen over de Geslachten der Zelfstandige Naemwoorden door david van hoogstraten, waarin verschillende woorden opgenomen zijn met het geslacht dat vondel en hooft eraan toekenden. Als die autoriteiten het niet eens waren, deed hoogstraten zelf een keuze. Deze geslachtslijsten zijn telkens uitgebreid, vooral door professor kluit, die hoogstratens werk herzien heeft en vele regels heeft vastgesteld (1759). De latere geslachtsregels zijn bijna alle reeds bij kluit te vinden. siegenbeek, die op last van 't staatsbestuur in 't begin van de 19e eeuw de spelling regelde, en weiland, die in dezelfde tijd een officiële spraakkunst samenstelde, hielden zich aan de lijst en de regels van kluit. Ook de Woordenlijst van de vries en te winkel (1866) berustte in hoofdzaak daarop.
We komen dus tot deze conclusie: de onderscheiding van mannelijke en vrouwelijke woorden bij de vries en te winkel berustte voor een groot deel op een subjectieve keuze door hooft en vondel, in een tijd toen dat onderscheid in de dialecten waaruit ons a.n. ontstaan is, reeds niet meer leefde.
§ 386. De woordgeslachten die wij nog kennen zijn feitelijk slechts het de- en het het-geslacht. Slechts in het opzicht van combineerbaarheid met het lidwoord van bepaaldheid (en de -e van bijvoeglijke woorden) is er nog genus-verschil tussen de substantieven. We zijn echter, om het zo eens te zeggen, blijven zitten met de voornaamwoorden hij en zij naast het. In verband met mannelijke en vrouwelijke personen is hun gebruik niet moeilijk in een regel te vangen; maar naast de tweedeling bij de zelfst. nw. hebben we de ongemakkelijke driedeling in het pronominale vlak behouden. In zoverre is er dus behoefte aan regels.
§ 387. De woordenlijst van 1954 (en in navolging hiervan de handwoordenboeken) geeft bij zelfst. nw. aan: m. (mannelijk), v. (vrouwelijk),
o. (onzijdig), v. (m). (vrouwelijk, maar ook mannelijk), m.v. (mannelijk of vrouwelijk, naar gelang er een man of een vrouw wordt bedoeld), m. en o. (mannelijk en onzijdig).
m. betekent: wordt iets of iemand met dit woord aangeduid, dan dient hetzelfde in dezelfde samenhang als enkelvoud voornaamwoordelijk met hij te worden aangeduid.
v. betekent: wordt iets of iemand met dit woord aangeduid, dan dient hetzelfde in dezelfde samenhang als enkelvoud voornaamwoordelijk met zij te worden aangeduid.
o. betekent (idem, idem) aanduiding met het.
v. (m.) betekent: aanduiding met hij of zij.
m.v. betekent: wordt iemand met dit woord aangeduid, dan geschiedt in de context de voornaamwoordelijke aanduiding in het enkelvoud op grond van het biologisch geslacht; bij een man hij, bij een vrouw zij.
m. en o. betekent: aanduiding met hij of met het.
v. (m.) en o. betekent: aanduiding met hij of zij, maar ook met het.
Aanduiding met hij houdt in het mogelijk gebruik in desbetreffende gevallen, van hem, die, deze, zijn, des, diens, wiens, dezes, mijns e.d.
Aanduiding met zij houdt in het mogelijk gebruik in desbetreffende gevallen van haar, ze, die, deze, haar, der, dier, wier, dezer, mijner e.d.
Aanduiding met het houdt in het mogelijk gebruik in desbetreffende gevallen van hem, dat, dit, zijn, des, diens, welks, dezes, mijns e.d.
In het meervoud doen zich t.a.v. de voornaamwoordelijke aanduiding geen moeilijkheden voor; de daar mogelijke voornaamwoorden zijn voor alle ‘geslachten’ zij, die, deze, hen, hun, der, dier, wier, dezer, mijner e.d.
Opmerkingen |
|
| i. | Dit, dat en het worden ook wel verwijzend gebruikt volgens andere regels dan de genoemde: 't Zijn me een boeven, die jongens van jou. Een vreselijke lastpost, dat was 't. Dat waren juist de beste voetballers. Dit zijn nu de dochtertjes van Karel. Dit is nu Piet en dat is zijn moeder. Een vreselijke zeurpiet, dat vind ik hem. Naar personen kunnen deze woorden slechts verwijzen in een zin met een predikatief attribuut. Het is overigens wel zeker, dat in het laatste voorbeeld niet naar een persoon wordt verwezen.
Andere gevallen zijn: De aanleiding tot de ruzie is nog steeds onbekend. Ze zullen het wel nooit ontdekken. Zijn gezondheid? 't Is uitstekend. Wil je de waarheid weten? Goed, dan zal ik 't je vertellen. Ik vraag een portie haver. Ze brengt het in een tenen mandje (buysse). |
| ii. | Lang niet altijd is nauwkeurig aan te geven waarop men met een bepaald vnw. precies doelt. Men ga dat maar eens na in het volgende: ‘Nu krijgt een verstandig mens het ook niet in zijn hoofd in een bouwpolder de gebaande wegen te verlaten en door de klei te gaan ploeteren of de tarwe plat te lopen, maar in weidestreken is dat (?) iets anders en menig stedeling heeft het al met een verbolgen boer aan de stok gehad, als |
| hij over het damhek was gekomen om in het hoogstaande hooiland te gaan wandelen. Zo'n (?) strook plat gelopen gras geeft nl. aanmerkelijke moeilijkheden met maaien en daarom is de ontstemming van de boer, die maar moet zien hoe hij dat (?) er nog zo goed mogelijk afkrijgt, heel goed te begrijpen. In het weiland komt dit (?) er natuurlijk veel minder op aan.’ (barendrecht en kruseman jr.) | |
| iii. | Naast o.-woorden zien we vaak vnw. aanduidingen die er niet bij passen. In die gevallen weegt meestal het biologisch geslacht van het aangeduide zwaarder dan de aard van de aanduiding die is voorafgegaan: Het vermiste jongetje is weer terecht: de politie heeft hem opgespoord. Dat meisje is heel vlug, ze is de eerste van de klas. Ik heb 't hoofd al gesproken, hij (zij) was nog in school.
Soms geeft hij (zij) min of meer een personificatie te kennen; vandaar dat van een horloge bijv. kan worden gezegd: Hij staat nooit; van een klokje: Hij tikt zo gezellig; van een paard: Is-ie mak? Ik berijd hem vandaag voor 't eerst. |
| iv. | In de ietwat ambtelijke taal dringt der meer en meer door, ook waar 't bepaalde woord dat volgens de regels niet toelaat: de besluiten der gemeenteraad, de bestrating der weg, de taak der voorzitter. |
| v. | Is een o.-woord een persoons- of diernaam, dan heeft voornaamwoordelijke aanduiding plaats met hem of haar: (1) als het meewerkend voorwerp is en wordt voorafgegaan door een lijdend voorwerp het. (2) Na een voorzetsel: Ik heb het (paard) gevoerd. Ik heb het al voer gegeven. Ik heb het hem gegeven. - Heb je het (kind) gezien? Heb je het iets beloofd? Ik heb het hem (haar) beloofd. Ik heb al iets voor hem (haar) gekocht. |
| vi. | Zij wordt uitsluitend gebruikt ter aanduiding van personen; in alle andere gevallen treedt ze op. Zij (ze, de vrouw) heeft het zelf verdiend. Ze (de kwestie) is me niet recht duidelijk. (Ook: het is me niet recht duidelijk.) Met nadruk: Die (de kwestie) is de wereld uit. In het meervoud geldt hetzelfde. |
| vii. | Haar als objectsvorm slaat in de spreektaal uitsluitend op personen: Heb je haar al gesproken? Nee? Vertel haar dan niet te veel. In alle andere gevallen wordt ze gebruikt. Ik heb ze (= de regeling) uitvoerig besproken. Het is onbekend wanneer de minister ze (de wet) zal indienen. |
| viii. | Hoewel voor het vrouwelijk meervoud als bez. vnw. ook haar voorkomt, is hun toch heel gewoon: mijnssen: Zo zijn de vrouwen: hun daden zijn altijd in tegenspraak met hun woorden. van looy: De vrouwen scholen dichter weg in hun kleurige omslagdoeken. scharten-antink: Vochten de jonge koninginnen (bijen) niet zo hun giftige gevecht, tot de allersterkste alleen overbleef? |
| ix. | Hen en hun (dit laatste alleen als meewerkend en belanghebbend voorwerp) worden uitsluitend voor personen gebruikt. In andere gevallen geldt ze. Vgl.: We zetten hen (ze) op een rij (= de mensen) - wij zetten ze op een rij (de stoelen). Hen en hun en ook het bezittelijk voornaamwoord hun gelden voor het meervoud van alle geslachten: We zagen hen (ze) gaan. We beloofden hun (ze) te komen. Wat heb je aan hen verteld? Voor vrouwen gebruikt men in de schrijftaal ook haar. |
§ 388. Aangezien de spreker van het Nederlands op grond van zijn taalervaring slechts het verschil kent tussen de- en het-woorden en op het punt van de voornaamwoordelijke aanduiding, als hij het gebruik van zijn eigen (beschaafde) milieu volgt, herhaaldelijk fouten maakt tegen de betrekkelijk willekeurige emmetjes, ootjes en veetjes van de woordenlijst, kan hij zijn nut doen met het volgende:
i.v.-woorden zijn:
1. de namen van vrouwen en vrouwelijke dieren: Waar is moeder toch? Ze is boven. Nu heeft Marie alweer haar boeken vergeten; ze is ook zo vergeetachtig. Als onze hond jongen heeft, moeten we voorzichtig met haar zijn; ze bijt dan ieder die haar te na komt.
opmerking. Als v.-woorden worden ook behandeld m.- en o.-woorden die vrouwelijke wezens noemen: De moervos (m.) verliet voorzichtig haar hol; ze moest uit op prooi voor haar jongen. Het arme kind (o.) was doodziek; ze had zware longontsteking.
2. de abstracta en collectiva, uitgaande op de Nederlandse achtervoegsels:
| a. | -de, bijv.: hulde, koude, waarde, evenals de daaruit verkorte vormen als kou, vreugd, enz.; vre(d)e is m. en v. |
| b. | -te, -heid, -nis, -schap, bijv.: lengte, hardheid, begrafenis, wetenschap. |
| c. | -ij, -arij, -erij, -enij, -ernij, bijv.: maatschappij, ambtenarij, bedriegerij, artsenij, slavernij. |
| d. | -ing en -st achter stammen van werkwoorden, bijv.: beloning, kroning, gunst, winst. Uitzondering: dienst (m.). |
3. de abstracta en collectiva, uitgaande op de vreemde achtervoegsels:
| a. | -ade, -ide, -ode, -ude, -age, -ine, -se, bijv. maskerade, insekticide, episode, prelude, slijtage, discipline, accuratesse. |
| b. | -ea (-oea), -ee, bijv.: alinea, odyssee, farmacopee of farmacopoea.
opmerking. Woorden als jamboree, pedigree, waarin -ee wordt uitgesproken als -ie, vallen buiten deze regel. |
| c. | -ie (-tie, -agogie, -logie, -sofie, enz.), bijv. serie, vakantie, demagogie, filologie, theosofie. |
| d. | -iek (-ica, -ika), bijv. epiek, filippica. |
| e. | -sis, -tis, -xis, bijv. crisis, bronchitis, syntaxis. |
| f. | -theek, (-teek), -teit, -tuur (-ture), -suur (-sure), bijv. bibliotheek, rariteit, cultuur, vacature, tonsuur, coupure. |
| 4. | de volgende namen van abstracta en collectiva:
deugd, drift, eer, faam, haast, hoop (verwachting), hulp, jeugd, Kerk, keus, kracht, leer, macht, min, moraal, pers (dagbladwezen), pijn, praal, praktijk, rede (denkvermogen), rust, school (fig.), schrift, schuld (tekortkoming), smart, spraak, straf, taal, teelt, trouw, tweespalt, vlijt, vrees, wel, wijs, wraak, ziel, zorg, zucht (ziekte, nijging). |
| 5. | Enige wetenschappelijke termen, bijv. alle Latijns-Griekse vrouwelijke woorden op -a; bijv. fauna, flora, mensa, Stoa, vulgata, ook algebra. |
ii. Behalve de o.-woorden, eenieder die Nederlands spreekt door ervaring bekend, mogen alle andere een aanduiding met hij naast zich hebben.
opmerking i. Veel van bovengenoemde woorden herkent men gemakkelijk aan oude vormen op -e en door bewaarde naamvalsvormen als oorspronkelijk vrouwelijke woorden: ter ere van, te goeder naam en faam, inderhaast, in de hope des eeuwigen levens, de Heer is mijn hulpe, ter kerke gaan, de keuze, de lere, niet bij machte zijn, in der minne, ter perse, niet de pijne waard, ter ruste gaan, de schole, de smarte, ter sprake brengen, wel ter tale zijn, te goeder trouw, de vreze des Heren, derwijze, ter ziele zijn, enz.
opmerking ii. De aanduiding v.-woord geldt voor de woorden onder 2, 3 en 4 alleen, wanneer ze abstracta of collectiva noemen. De onder 4 genoemde staan als v. (m.) in de woordenlijst. De fotografie is ruim een eeuw oud; ze is een Franse uitvinding. Maar: Dit is een fotografie van vader; ze (of hij) lijkt sprekend. Woorden als leuning, woning, lekkernij zal de Noordnederlander meestal met hij aanduiden, daar ze concreta zijn. Dit kan zelfs raadzaam zijn: trouw, huwelijk, bijv. is nl. een verplicht hij-woord. En zo zijn er meer.
§ 389. De spelling omvat het geheel van regels volgens welke de klanken ener taal door geschreven tekens worden aangeduid. Het Nederlands heeft een klankspelling, zoals alle Europese talen: andere talen kennen een woord- of lettergreepspelling, bijv. het Chinees.
De spelling moet eenvoudig en logisch zijn. Men kan daarom moeilijk alle klanken door tekens weergeven. Dat is trouwens ook niet nodig: het is voldoende, tekens te hebben voor de klanken met foneemwaarde. De Nederlandse spelling benadert dit ideaal maar gedeeltelijk, doch vergeleken bij die van naburige talen is ze redelijk, daar ze foneemverschillen op eenvoudige wijze weergeeft en betrekkelijk weinig gevallen kent van verschillende tekens voor gelijke klanken. Een dezer gevallen is het (kunstmatig gemaakte) verschil tussen nog en noch, andere zijn: rijst - reist, rauw - rouw. Ook de overneming van vreemde woorden met hun spelling bracht onregelmatigheden: vgl. liter - gieter; logé - stee, enz.
Reeds vroeg werd het hier gewoonte lange, d.i. zwakgesneden, klinkers, weer te geven met twee gelijke tekens in gesloten, met één in open lettergrepen.
Scherpgesneden vocalen kregen één teken; men gaf hun karakter zo nodig aan door verdubbeling van het volgende medeklinkerteken. Wij volgen nog deze
methode bijv.: baal - balen; bal - ballen; steel - stelen; stel - stellen; rook - roken; rok - rokken.
Voor de oppositie u - eu en i - ie kennen we weliswaar niet de verdubbeling van het klinkerteken, doch wel volgt de spelling hier dezelfde methode: reus - reuzen; rus - russen; giet - gieten; git - gitten.
Alleen [ò] en [ɔ] worden niet onderscheiden. Wij weten echter dat vele Nederlanders hier ook geen foneemverschil kennen.
Het accent - melodisch zowel als expiratorisch - en het tempo worden maar zelden en zeer onvoldoende door tekens aangegeven. De overgangsklanken worden meestal verwaarloosd, evenals de assimilatie. Zo zegt men iksaletfragen en hijzalwelvragen, maar men schrijft in beide gevallen zal en vragen, omdat dezelfde woorden zoveel mogelijk met dezelfde tekens worden geschreven.
Men neemt de beschaafde uitspraak tot grondslag, maar volgt die niet geheel: velen spreken bijv.: kouwe drukte hebbe en schrijven: koude drukte hebben.
§ 390. Eenheid in de spelling is natuurlijk gewenst, anders ontstaat verwarring en misverstand. Evenwel mag het belang van de spelling niet overdreven worden: het geschreven woord is het werkelijke woord niet. Het verandert aan het eigenlijke woord niets, of men lopen schrijft of loopen, afvragen of affragen, hand of hant. Als proef leze men het volgende hardop.
1. Afkeurenswaardig dilettantisme noem ik het, als men zich in een of ander belangrijke menschelijke werksaamheid in kunst, techniek, weetenschap of algemeene wijsheid met groot vertoon komt presenteeren als gezaghebbend deelneemer of zelfs leeraar, terwijl men daarbij blijk geeft volstrekt niet te weeten wat er reeds door anderen in soortgelijke werksaamheid is verricht en tot stand gebracht. (Spelling f. van eeden.)
2. Afkeurenswaardig dilettantisme noem ik het, als men zich in een of ander belangrijke menschelijke werkzaamheid in kunst, techniek, wetenschap of algemeene wijsheid met groot vertoon komt presenteeren als gezaghebbend deelnemer of zelfs leeraar, terwijl men daarbij blijk geeft volstrekt niet te weten, wat er reeds door anderen in soortgelijke werkzaamheid is verricht en tot stand gebracht. (Ongewijzigde spelling de vries en te winkel.)
3. Afkeurenswaardig dilettantisme noem ik het, als men zich in een of ander belangrijke menselijke werkzaamheid in kunst, techniek, wetenschap of algemene wijsheid met groot vertoon komt presenteren als gezaghebbend deelnemer of zelfs leraar, terwijl men daarbij blijk geeft volstrekt niet te weten, wat er reeds door anderen in soortgelijke werkzaamheid is verricht en tot stand gebracht. (Spelling 1947.)
We hebben hier een stuk hedendaags Nederlands, dat op drieërlei wijze is gespeld; met de taal heeft dit niets te maken.
§ 391. Door het streven naar een zo eenvoudig en praktisch mogelijke spelling heeft er nogal eens spellingverandering plaatsgevonden. Uit het bovenstaande blijkt reeds dat nog niet alle Nederlanders gelijk spellen. Vroeger was het verschil nog veel groter. In de middeleeuwen en later, tot in de 18e eeuw, had
men geen vast systeem. Door het gebruik en het voorbeeld der grote schrijvers was er wel enige regelmaat in de spelling gekomen, maar van een algemeen aangenomen stelsel was geen sprake.
De Franse tijd had ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ tot leuze. Als gevolg van het heersende streven naar gelijkheid droeg de agent (minister) van onderwijs Van der Palm aan de hoogleraar Siegenbeek op de spelling te regelen en deze spelling-Siegenbeek is ruim 50 jaar van kracht gebleven. Als typerende voorbeelden ervan vinden we bij auteurs der vorige eeuw: blaauw, magt, maaijen en kagchel.
In 1863 gaven de taalgeleerden De Vries en Te Winkel nieuwe regels voor de spelling, toegelicht in De Grondbeginselen der Nederlandsche Spelling, die ze hadden ontworpen voor een grote uitgave, het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Sins 1882 verschijnen daarvan de afleveringen. De gevolgde regels zijn tot 1934 op de scholen onderwezen en in de officiële spelling gebruikt.
In 1891 schreef Dr. Kollewijn een artikel (Onze lastige Spelling) waarin hij wees op het onpraktische en tegenstrijdige erin, en verschillende veranderingen voorstelde. Tengevolge hiervan werd een Vereniging tot Vereenvoudiging opgericht en langzamerhand begonnen velen de Vereenvoudigde Spelling (de Spelling-Kollewijn) te gebruiken.
Men spelde o.a. 't achtervoegsel -lijk als -lik (vrolik), liet de onuitgesproken ch weg (mens, menselik) evenals alle naamvals-n's, door de vries en te winkel geëist, en gebruikte op het eind van open lettergrepen e en o evengoed als a en u. Even hard als velen vochten voor de vereenvoudigde spelling, even vinnig werd die als 'lik-spelling' door anderen bestreden.
In 1918 bracht een staatscommissie aan de regering een rapport in bemiddelende geest uit over de spelling en de regeling van het grammatisch geslacht en het daarmee samenhangende gebruik der naamvalsvormen, maar het bevredigde voor- noch tegenstanders.
In 1930 verscheen een besluit van Minister terpstra waarbij voor de eindexamens van de Gymnasia, de Middelbare Scholen en de Kweekscholen een eenvoudiger regeling van het woordgeslacht en daarmee van de verbuiging facultatief werd gesteld.
In 1934 zijn bij Koninklijk Besluit en door latere aanvullingen van Minister Marchant in de Spelling-De Vries en Te Winkel verschillende vereenvoudigingen aangebracht die door de spellingbeweging-Kollewijn en de besluiten van Minister Terpstra reeds waren voorbereid.
In 1936 heeft Minister slotemaker de bruïne in de besluiten van Minister Marchant enige wijzigingen aangebracht, die echter geen spellingverandering tengevolge hadden.
De gewijzigde spelling De Vries en Te Winkel, sedert 1934 op de scholen onderwezen, is bij de wet van 14 februari 1947 algemeen ingevoerd als regeringsspelling, dus ook buiten de school. De Belgische regering heeft dezelfde spelling voorgeschreven.
Wat bij die regeling nog onzeker was gebleven is door een nieuwe Nederlands-Belgische staatscommissie in studie genomen. Uit haar werk is in 1954 voortgekomen een ‘Woordenlijst van de Nederlandse Taal’, samengesteld in opdracht van de Nederlandse en Belgische regering. In die lijst is niet alleen de spelling der meest gebruikte woorden vastgelegd, doch ook van alle zelfst. nw. het ge-
slacht aangegeven. Voor de spellingpraktijk is zeer belangrijk de Leidraad, aan deze Woordenlijst voorafgaand. Inmiddels is voor de spelling der bastaardwoorden een nieuwe commissie aan het werk getogen. In 1967 heeft zij rapport uitgebracht.
§ 392. Algemeen is men het erover eens, dat een woord, hoe het ook in de zin voorkomt, m.a.w. welke klanken er ook voorafgaan of volgen, altijd op gelijke wijze geschreven moet worden. Het aanleren van de spelling en ook het lezen wordt daardoor zeer vergemakkelijkt. Dit is de regel van de gelijkvormigheid. Verschil van mening heerst evenwel met betrekking tot andere principes. Wordt de regel der gelijkvormigheid op de voorgrond gesteld, dan kan men daarna de spelling zoveel mogelijk laten aansluiten bij de beschaafde uitspraak. Ook kan men de spelling afhankelijk maken van de taal (uitspraak en spelling) van vroegere eeuwen, m.a.w. de spelling een historische grondslag geven.
§ 393. De voornaamste regels, die de grondslag vormen voor ons spelling-systeem, zijn:
| 1. | de regel van de beschaafde uitspraak. Deze regel leert dat de woorden zoveel mogelijk geschreven worden met de tekens die gebruikelijk zijn voor de klanken, in de beschaafde uitspraak gehoord: klaar, pet, niet, uit. |
| 2. | de regel van de gelijkvormigheid. Deze regel schrijft voor dat een woord of woorddeel zoveel mogelijk steeds met dezelfde lettertekens wordt geschreven. Wij spreken uit: uitfallen, ontfallen, maar we schrijven uitvallen, ontvallen vanwege vallen. We zeggen: hant, maar schrijven hand, handje, bij de hand, overeenkomstig handen en handig (evenwel: het bijdehante kind). De uitspraak is waacht, we schrijven waagt evenals wagen. Een uitzondering op de regel der gelijkvormigheid is de spelling van leef, leefde naast leven; huis, verhuisde naast huizen (zie § 404). Naast vrezen - gevreesd zou men verwachten wezen - geweesd. Naast gevreesd staat echter vreesde en gevreesde, waarom hier de regel der gelijkvormigheid toegepast wordt. Bij geweest houdt men zich aan de regel van de uitspraak. Deze spelregel houdt ten nauwste verband met woordvorming en buiging. |
| 3. | de regel van de afleiding of etymologie. De schrijfwijze wordt bepaald door de vroegere vorm van het woord. Deze regel is zeer lastig, doordat we bijv. de [ɛi] nu eens moeten spellen met ij, dan weer met ei, al naar het ontstaan van de klank uit oudere vormen: ij uit [i.], ei voornamelijk uit ai. Zo is het ook met de voorstelling van de klank [ɔu]: we schrijven nl. ou, ouw, au, auw: ik zou, rouw of rauw, dauw of douw, enz. (Zie § 403). De klank is volkomen gelijk, behalve misschien in au [au֑], uitroep van pijn en soms in miauw. |
| 4. | de regel van de analogie of overeenkomst. Bij de schrijfwijze van een woord laat men zich soms leiden door een overeenkomstig woord dat op gelijksoortige wijze is gevormd. Men schrijft dorpskerk (samengesteld uit dorp en kerk met een verbinding-s) in overeenstemming met de regel der beschaafde uitspraak. Naar dit voorbeeld spelt men nu ook dorpsschool (samengesteld uit dorp + school; de verbindingsletter horen we nu niet), handelsschool naast handelshuis en handelsinrichting. Maar we kennen ook handelmaatschappij. Daarom keurden De Vries |
| en Te Winkel handelsschool en handelschool beide goed, maar volgens de Woordenlijst spellen we nu het woord met ss. Op analogie berust ook de spelling van hij baadt, wordt naast hij loopt, hij werkt enz. | |
| 5. | De regel van het gebruik. In enkele gevallen worden bovenstaande regels niet toegepast, als het nl. tegen de sinds lang overgeleverde spelling zou indruisen. Men schrijft een woord dan met de tekens waarmee het sinds lange tijd is geschreven, bijv. thee. Naar de uitspraak was tee te verwachten. Zo schrijven we alleen (= al, geheel + een, alleen), maar daarnaast alom, aloud. |
§ 394. Reeds vroeger (§ 38) is gesproken over de verdeling van de gesproken woorden in klankgroepen. Voor het geschreven woord geldt een verdeling in lettergrepen, die van belang is voor het afbreken van de geschreven woorden op het eind van een regel.
In het algemeen richt men zich bij de lettergrepenindeling naar de klankgroepen, bijv.: da-ge-lijks, on-der-daan, zin-ken (n = [η]). Niet altijd komen deze overeen, daar men bij de eerste dikwijls meer let op de vorming van het woord dan op de uitspraak. Zo worden bij samengestelde woorden de lettergrepen naar de samenstellende delen gescheiden: aard-ap-pel en niet, zoals de verdeling in klankgroepen zou doen verwachten, aar-dappel.
Lettergrepen die op een medeklinker eindigen, heten gesloten, de andere open.
§ 395. De regels voor de verdeling in lettergrepen zijn:
| 1. | Bij samengestelde woorden scheidt men de delen van de samenstelling: daar-om (niet daa-rom), rust-uur (niet rus-tuur), elk-an-der (niet el-kan-der), kwabaal, eer-ambt, mein-edig, door-een. |
| 2. | Bij afleidingen scheidt men voor- en achtervoegsels van het grondwoord: be-han-gen, ver-overen, aarts-dom; raam-pje; paard-je, paar-tje, koord-je, koor-tje, bui-ig, draai-en, draai-ing. Een uitzondering vormen de woorden met achtervoegsels die met een klinker beginnen: lo-per, die-naar, le-raar, lera-res, tijge-rin, Hei-land. Woorden op -aard, -aardig en -achtig volgen echter de regel: grijs-aard, wreed-aard, blood-aard, wreed-aardig, schaap-achtig, geel-achtig, steen-achtig, rood-achtig, maar: vein-zaard, op grond van vein-zen. |
| 3. | Het teken voor een intervocalische consonant, ook ch, wordt bij de volgende lettergreep gevoegd: hoe-den, we-ken, la-chen. |
| 4. | Van twee tekens voor intervocalische consonanten, ook ng, hoort de eerste tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep: wor-den, zeg-gen, bak-ken, zin-gen, mees-te, mees-te-res. Het woord zingen is wel een sterk bewijs dat de lettergrepenindeling heel iets anders is dan de verdeling in klankgroepen: ng is slechts één klank [η]; zo ook de sj in muis-je [ʃ], de stj in kast-je [ʃ], de nj in Spanje [ñ], de gn in compagnon [ñ], enz. |
| 5. | Zijn er meer tekens voor intervocalische consonanten, dan behoren er zoveel tot de volgende lettergreep, als aan 't begin van een Nederlands woord kunnen voorkomen: bor-stel, ven-ster, maar: schurf-tig, koort-sig, amb-te-naar, erwten, prak-tisch-te (maar indi-sche). |
| 6. | In vreemde woorden en eigennamen gaat men naar de uitspraak te werk, bijv.: le-proos, bi-os-coop, A-dri-aan. (Zie Woordenlijst blz. liv en lv, waar veel vreemde woorden in lettergrepen zijn verdeeld.) |
| 7. | Paatje, parapluutje, Kootje, strootje, sleetje, logeetje breke men af pa-tje, paraplu-tje, Ko-tje, stro-tje, slee-tje, logé-tje of logee-tje. |
| 8. | De tweeklanken aai, oei en ooi worden niet gesplitst: fraai-er, gloei-en, koei-en, mooi-er. |
| 9. | In woorden met de tweeklanken auw, ouw, eeuw, ieuw plaatsen we het afbrekingsteken na de u: dau-wen, sjou-wen, meeu-wen, nieu-we. |
§ 396. De scherpgesneden klinkers a, e, i, o, u als in dak, pet, wit, kop, kon, put worden steeds door één teken voorgesteld.
§ 397. In gesloten lettergrepen worden de lange klinkers a, e, o, u door een dubbel teken aangegeven: paal, haar, wees, weer, dood, door, Truus, buur.
Alleen u voor w schrijft men steeds enkel: ruw, gruw.
Eu en oe staan in alle posities: sneu, reus, geuzen, roe, zoem, boeken. In Nederlandse woorden schrijft men [i] gewoonlijk als ie: riet, Mie, bieten. De klank wordt gespeld met i, als er geen klemtoon op valt, mits een toonloze e of een beklemtoonde klinker volgt: neuriën, meniën, krioelen, miauwen. Over de spelling van vreemde woorden zie § 398.
In open lettergrepen schrijft men een enkel teken: vla, vader; heren, deze; grote, onnozel, stro; nu, buren.
Men houde echter het volgende in het oog: (1) Men schrijft a in vormen op 's: a's, nota's, Anna's jas. (2) Naast eega's, la's, ra's, tra's en vla's spelt men ook eegaas, laas, raas, traas, vlaas. (3) Voor -tje spelt men aa, behalve als het woord voor die uitgang wordt afgebroken: mamaatje, slaatje, Kaatje, doch: mama-tje, sla-tje, Ka-tje. (4) Het verkleinwoord van a is a'tje. (5) We spellen bazaar en hangaar ook bazar en hangar. Steeds echter bazaartje. (Let op: la, laas, laatje, maar laden (van lade), enz.)
Men spelt -ee op het woordeinde en in buigingsvormen, afleidingen en samenstellingen van zulke woorden: twee, slee, thee, Goeree, dominee, tweeën, tweede, sleeën, hij sleede, theepot, Goereeër, 't Goereese Gat, overzeese, zeeman, Pyreneeën, Pyreneese, rosaceeën.
Men lette op: (1) idee, ideeën, ideetje, maar (ee zonder klemtoon): ideaal, idealist, enz. (2) de woorden deemoed, eega, leewater, meekrap, sleedoorn. (3) op slee - sleeën, maar sleden (van slede), sneden naast sneetje, enz. (4) het verkleinwoord van e is e'tje.
Wat de o en de u betreft geldt het volgende: (1) Voor -tje spellen we twee tekens: strootje, zootje, parapluutje, Ruutje. Bij afbreking wordt de grondvorm hersteld: Ko-tje, vlo-tje, menu-tje, reçu-tje. (2) De verkleinwoorden van o en u zijn o'tje en u'tje; ook ulo'tje, enz. (3) Meervoudsvormen en die der 2e naamvallen van woorden op o en u hebben 's: To's jurk; de beide Ru's; bewaar die reçu's. Men lette op goochelen, goochem en loochenen. Vgl.: pochen, rochelen, Lochem, enz.
§ 398. T.a.v. i en ie gelden de volgende regels: Men spelt i op 't woordeinde in:
| 1. | januari, februari, juni, juli, alibi, confetti, demi, gummi, kali, kiwi, quasi, macaroni, mi, si, ski, spaghetti, taxi. Het meervoud dezer woorden gaat uit op 's: alibi's, demi's, kiwi's, taxi's. Ook de 2de nv.: Tini's boek, enz. Hun verkleinwoorden eindigen op -ietje: demietje, taxietje. Maar bij afbreken: demi-tje, taxi-tje. Afleidingen van deze woorden krijgen ie, als i tot een verkeerde uitspraak zou leiden: dus skiër, skiën, maar hij skiet, geskied, hij taxiede. Zo naast meniën en neuriën ook: neuriet, gemenied, enz. |
| 2. | In andere gevallen staat op 't woordeinde ie: actie, ceremonie, komedie, olie, poëzie, genie. Het meervoud dezer woorden gaat doorgaans uit op -s, als ie onbeklemtoond is: acties, tralies. Met -iën komen voor: provinciën (provincies) en traliën (tralies); verder als regel: bacteriën, evangeliën, financiën, poriën, victualiën. Op -ieën gaan uit de meervouden der woorden, eindigend op beklemtoonde -ie: calorieën, industrieën, melodieën, fantasieën. |
| 3. | i in gesloten lettergreep staat in souvenir. Het verkleinwoord is souveniertje, bij afbreken souvenir-tje. |
| 4. | i in open lettergreep komt voor: in woorden als: familie, solide, centime, kilo, liter, traditie; (zie ook ie 3); in het suffix -isch: Belgische, wettisch; op onbeklemtoonde plaatsen (zie onder ie 3); in vreemde meervouden: medici, musici, colli, enz. |
ie staat in Nederlandse woorden:
| 1. | in open en gesloten lettergrepen: riep, riepen, knie. |
| 2. | in vreemde woorden aan 't woordeinde: melodie, provincie. (Voor het meervoud zie i 2.) |
| 3. | in de uitgangen -ief, -iek, -iel, -iet met klemtoon: fabrieken, civiele, substantieven, Israëlieten. Als van deze woorden andere worden gevormd waarin de ie-klank geen accent heeft, wordt hij gespeld met i: fabriceren, civilisatie, criticaster, limiteren, mobilisatie. Voor Nederlandse achtervoegsels blijft echter ie: karmelieter, karmelietes, markiezin (maar markizaat!). |
In de lettergreep vóór -isch spelt men i ondanks de klemtoon: islamitisch, Israëlitisch, jezuïtisch, Semitisch (maar islamieten, Israëlieten, jezuïeten, Semieten); juridisch, patricisch, perspectivisch.
Naast centime, solide spelt men ook centiem, solied. De comparatief van dit laatste adjectief is dus solider of solieder; de superlatief is soliedst.
't Verkleinwoord van aspirine, machine enz. is aspirientje, machientje of machinetje.
In vele woorden staat y voor ie-klank: analyse, baby, dynamo, fysica, hypnose. Het teken wordt nogal eens vervangen door i: cilinder, cipres, Libië, piramide, satire, sibille, tiran; soms door ie: asiel, zefier, poliep.
§ 399. De onduidelijke klinker [ə] wordt meestal voorgesteld door het letterteken e, bijv.: de, bodem, wandelen, Arnhem. Verder door i (voor g, k, ng, nk en soms voor s): enig, perzik, woning, koninkje, vonnis, notaris; door ij in de uitgang -lijk: werkelijk, dadelijk, onmiddellijk, en in mijn, zijn; door u in plaatsnamen als Dokkum, Workum; door o in Stavoren; door ee in een; door een 'in: m'n, z'n, 'n, 't.
§ 400. De tekens voor de tweeklanken zijn: aai, au, auw, ei, ij, eeuw, ieuw, oei, ooi, ou, ouw, ui, uw: waai, au!, miauw, gauw, leeuw, kieuw, foei, gooi, (ik) zou, (ik) houw, lui, ruw.
§ 401. De klank [ɛi] wordt geschreven met ei en ij.
Ei wordt geschreven: (1) als de ei afwisselt met een ee, bijv.: heil (heel), verbreiden (breed). (2) als ei is ontstaan uit ege, bijv.: teil, peil, zeil, zeide en leide uit tegel, pegel, zegel, zegede, legede. (3) in de achtervoegsels -heid, -lei, -teit (Frans -té): gehoorzaamheid, tweeërlei, flauwiteit. (4) in woorden, aan 't Frans ontleend, wanneer ze in die taal geen i hebben: feit, (fait), pastei (pâté), karwei (corvé), kapitein (capitaine).
IJ wordt geschreven: (1) in sterke werkwoorden en woorden die daarmee verwant zijn (uitgezonderd scheiden): bijten, schijnen, strijken. Doch: beitel. (2) in woorden die in een dialect (vooral in Friese en Saksische dialecten) een ie-klank hebben, bijv.: dijk, pijp, vijl, rijs, wijf. (3) in ontleende woorden, wanneer ze in 't Frans een i hebben: wijn (vin), andijvie (endive). (4) in de achtervoegsels ij, (-nij, -(e)rij) en -lijk, bijv.: voogdij, lekkernij, bakkerij, boekerij, razernij, vrolijk.
§ 402. Op grond van de regel der afleiding onderscheidt de spelling de volgende homoniemen met [ɛi]:
bei (bes) - bij (voorzetsel en insekt); beleid (bestuur, bedachtzaamheid) - belijd (erken); bereiden - berijden; blei (vis) - blij; brei (van breien) - brij (pap); brein (hersenen) - zo zout als brijn (pekel); ei (van vogel; uitroep) - IJ (water bij A'dam); eik(en) - ijken (waarmerken); feit - fijt (ontsteking); geil (bv. nm.) - gijl (zelfst. nw.); gerei - gerij; grein (klein gewicht) - grijn(en); hei (van heide of heien) - hij; karwei (werk) - karwij (plant); lei (steen, legde) - lij (van lijden; luw); leiden - lijden; mei - mij; meid - mijd(en); meineed - mijn eed; neigen - nijgen (buigen); neiging - nijging; peil - pijl; rei - rij; rein - Rijn; reizen - rijzen; steil - stijl; trein - Trijn; (uit) weiden - (in-, ont)wijden; veil - vijl; veilen - vijlen; verleiden - verlijden; (zich) vermeien - (iets) vermij(d)en; verweiden - verwijden; vleien - vlijen; wei - wij; weide - wijde; weiten(meel) - (ver)wijten); zei - zij; zeil - zijl.
Let ook op: bij iemand in 't gevlij komen, weidse praal, zeis en sijs, eisen en ijzen.
§ 403. Reeds in § 393 is meegedeeld dat au(w), ou(w) spellingen zijn voor dezelfde klank [ɔu]. Ook hier maken vooral de homonieme vormen de schrijfwijze lastig. Het zijn:
(na)bauwen - bouwen; een boud optreden - een ijzeren bout - hij bouwt; wenkbrauwen - bier brouwen; dauw(en) - douw(en) (duwen); gauw - gouw (landstreek); gauwe handjes - een gouwe (gouden) horloge; hauw (zaaddoos) - hou en trouw - ik hou van hem - houw (slag); jijen en jouen - uitjouwen; een kauw (vogel) - ik kauw - in de kou - de kouw (kooi); hij kauwt - hij kout (praat) - hij is koud; lauw water - januari of louwmaand; katten mauwen - wijde mouwen; nauw (eng) - nou (nu); rauw vlees - in de rouw; ik wou - de wouw (soort valk); ge zoudt - 't is zout.
§ 404. Medeklinkers. Zoveel mogelijk worden de worden steeds met dezelfde tekens geschreven. In overeenstemming hiermee wordt op het eind van een woord de stemloze consonant met het teken van de overeenkomstige stem-
hebbende consonant geschreven, als in de verbuiging, vervoeging of afleiding de medeklinker in de uitspraak stemhebbend is (regel der gelijkvormigheid): schub - schubben, ik tob - wij tobben, hand - handen, ik baad - wij baden, zand - zandig, lood - loden, weg - wegen, ik buig - wij buigen.
Aan 't eind van een woord schrijft men evenwel geen v en z, maar f en s, bijv.: stoof - stoven, huis - huizen. Ook plaatst men die niet - zelfs in strijd met de uitspraak - aan 't eind van een lettergreep voor een zachte medeklinker: leef-de, verhuis-de.
opmerking i. Bij sommige worden komt het voor dat in de verbuiging een stemloze medeklinker gehoord wordt, terwijl het afleidingen zijn van woorden met de overeenkomstige stemhebbende medeklinker. Uitspraak + verbuiging geven dan de doorslag voor de eindconsonant, bijv.: bint - binten (binden), rit - ritten (rijden), bijdehand - bijdehante (bij de hand), boert - boertig (boerde), zat - zatte (verzadigen). De neutralisering is definitief-geworden; de d is hier gedefonologiseerd.
opmerking ii. De werkwoordelijke persoonsuitgang -t brengt geen verandering in de spelling van de slotmedeklinker b, d en g, dus: hij tobt [tɔpt], lijdt [lɛit], zaagt [za.xt]; ook al in overeenstemming met de regel der gelijkvormigheid. Onregelmatige werkwoordelijke vormen schrijft men evenwel naar de uitspraak: hij mocht, hij placht, hij dacht, hij zocht, enz.
opmerking iii. Bij onverbuigbare woorden vervalt de regel der gelijkvormigheid en kan men dus altijd volgens de regel der uitspraak spellen. Die woorden worden daarom steeds met een scherpe eindconsonant geschreven: met, voort (mede - verder). Noch en nog schrijft men opzettelijk verschillend.
§ 405. Bij afleidingen en samenstellingen wordt de consonant gewoonlijk in overeenstemming met de vorming van het woord geschreven, bijv.: sinds (verwant met sedert), ginds (ginder), zeventig (zeven), onverhoeds (verhoeden), hoogte (hoog), bergje, gebergte (berg), onmiddellijk (middel-lijk); Middellandse, alom, aloud, thuis, (al)thans, (al-te-hand-s), nochtans, (nog-dan-s), verglaassel (verglazen - verglaas-sel; vgl. maken - maak-sel); omwindsel (omwind-sel), aanwensel (aanwen-sel), voorwendsel (voorwend-sel). Maar: alleen < al een.
Men schrijft evenwel: booste, dwaaste; praktischte; beeltenis (beeld), lafenis (laven), ontsteltenis, ontstentenis; breedte, gezindte; koninkje (koning), jonkheid en jonkheer (jong), lankmoedig (lang), sprinkhaan (springen). In deze laatste voorbeelden gaat de uitspraak dus boven de afleiding of de samenstelling.
Verder samen (uit: tezamen) naast verzamelen en gezamenlijk.
§ 406. Men schrijft vonkelen (in letterlijke zin) en ontvonken naast fonkelen (figuurlijk) en fonkelnieuw.
Verder lette men op de spelling van beweeglijk, draaglijk, ontzaglijk, heuglijk, waarin de scherpe ch gehoord wordt, maar om de gelijkvormigheid g wordt geschreven. De onduidelijke klinker voor de uitgang -lijk wordt in deze woorden niet geschreven, wel in: mogelijk, degelijk, dagelijks, die een zachte g hebben. Liefelijk, vreselijk, huiselijk, aanvankelijk hebben de scherpe medeklinker (ook in de uitspraak) en tevens de e.
§ 407. Medeklinkers die als tussenletters voorkomen, worden verdubbeld, wanneer ze worden voorafgegaan door een gedekte klinker, bijv.: vatten, petten, lekken, putten, bakken, narcissen, Haarlemmer, Hilversummer.
Ch en ng, die één klank aanduiden, worden nooit verdubbeld, bijv.: kachel, richel, kuchen; zingen.
Niet verdubbeld wordt een medeklinker als tussenletter, als er een lange, een onduidelijke klinker of een tweeklank voorafgaat: haken, gehate, gesmede, weder, bieden, gepote, poten, turen, leugen, moeder; dreumesen, Dokkumer, haviken, leeuweriken, monniken, aardige, vrolijke, wemelen; bijlen, beitel, houden, Pruisen.
Let op de schrijfwijze van vonnissen, notarissen, dromedarissen, commissarissen e.d., waarin men wel ss schrijft, ofschoon de i in de uitspraak van de meeste Nederlanders een onduidelijke klinker is geworden. Moesson is een uitzondering.
opmerking. In verglaassel, adellijk, grootte, daggeld, middellijn; ik heette, baadde, vergrootte hebben we te doen met een verdubbeling op grond van woordvorming of vervoeging; er is achtervoeging van een lettergreep die toevallig met dezelfde consonant begint als waarop de vorige eindigt.
§ 408. Sch wordt alleen dan geschreven, als de ch uitgesproken wordt, bijv.: school, schip, schrikken, bisschop, misschien, manschappen.
Een uitzondering vormen de woorden op -isch, waarin de ch wel geschreven, maar niet gehoord wordt. Deze uitgang moet algemeen geschreven worden, dus niet alleen, als men duidelijk met het achtervoegsel -isch te doen heeft zoals in Pruisisch, maar ook in gevallen waar men geneigd zou zijn het bijvoeglijk naamwoord door middel van s af te leiden van een grondwoord op ie, ië of i, bijv.: historisch, academisch, Belgisch, Indisch, Kedirisch, Balisch.
n.b. De ch wordt echter niet geschreven in afleidingen van Nederlandse plaatsnamen welke eindigen op ie, bijv.: Krommeniese, Overschiese, Middeliese.
§ 409. De klank [ʃ] wordt zeer verschillend gespeld, nl.: sj: sjouwen, sjofel, sjees, meisje, muisje, musje, sjacheren, sjako; stj: lijstje, kastje; ch: China, chirurg, Chili.
De klank [ʒ] wordt in bastaardwoorden voorgesteld doro g: horloge, bagage, maar door s in de verbinding verhuis je, verhuis jelui (huisje wordt met [ʃ] uitgesproken).
opmerking. Vergelijk de uitspraak van dergelijke paren van werkwoordsvormen en verkleinwoorden: blaas je - blaasje; eis je - ijsje; kies je - kiesje (§ 28, 2 Opm. 1).
§ 410. De regeling omtrent het gebruik van naamvalsvormen, door de vries en te winkel opgesteld, is door het Belgische spellingbesluit van 1946 en de Nederlandse spellingwet van 1947 voor de bijvoeglijke woorden, zoals lidwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en bijvoeglijke voornaamwoorden, facultatief gesteld. De thans geldende regel voor 't gebruik van de naamvals-n in het enkelvoud luidt: De naamvals-n mag worden geschreven in bijvoeglijke woorden op -e bij substantieven die in de lijst het teken ‘m’, hebben, en bij substantieven met het teken ‘m.-v.’ indien deze laatste niet een vrouwelijk wezen aanduiden.
Het gebruik is beperkt tot: zinsdelen die meewerkend voorwerp of lijdend voorwerp zijn of die met een voorzetsel beginnen; resultatieve werkwoordsbepalingen die betrekking hebben op de in een van de genoemde zinsdelen aangeduide persoon; bijstellingen bij een genitief: Velen verwonderen zich over het aftreden des ministers, den bekenden staatsman. In het meervoud komt slechts de functie van meewerkend voorwerp in aanmerking, echter in alle geslachten: Help dien blinden man. Hoor den haan kraaien. De bomen langs den smallen weg werden gekapt. Ik geef dengenen de voorkeur die belangstelling hebben getoond. Algemeen noemt men hem den voornaamsten schuldige.
Wie de naamvals-n gebruikt moet dat ook doen in degene, dezelfde, diegene, die, wie, bijv.: De polis wordt gesteld op naam van dengene wien de verzekering aangaat. Wees voorzichtig wien je je vertrouwen schenkt. De naamvals-n blijft verplicht in staande uitdrukkingen waar die n soms wordt gesproken: in koelen bloede, in groten getale, in arren moede, in den lande, om den brode, met dien verstande, ten derden male, te dezen, uit dien hoofde, met den aankleve van dien, enz. Al naar eigen uitspraak zal men dus schrijven in die (of dien) zin, van die (of dien) aard, op de (of den) duur. Ook op adressen blijft vanzelfsprekend Den Heer, Den Hooggeleerden Heer, enz. mogelijk, voor velen stellig zelfs regel.
opmerking. In Leopolds: een hooghartig streven eenzamer dan den eenzame te zijn is de n van den een naamvalsuitgang na het als voorzetsel gewaardeerde dan.
§ 411. Men verwarre de naamvals-n niet met de meervouds-n, die soms wordt gebezigd achter bijvoeglijke woorden, nl. wanneer ze zelfstandig zijn gebruikt en personen aanduiden. Ze wordt toegepast, evenals de naamvals-n achter bijvoeglijke woorden op -ə: de onzen, dezelfden, zulken, anderen, de goeden met de slechten, de laatsten zullen de eersten zijn.
§ 412. De Woordenlijst geeft regels voor de n als tussenletter in samenstellingen. In de uitspraak komt hij in 't Hollands zelden voor. Voor de oorspronkelijke betekenis van deze tussenletters zie § 60.
Men schrijft de n:
| 1. | als het eerste lid van een samenstelling een meervoudige betekenis heeft, bijv.: brievenbesteller, hoedenmaker, dievenbende, beestenspel, Monumentenzorg, wegenwacht. Daarentegen speldeknop, eendevleugel, mollevel wegens de enkelvoudige betekenis van het eerste lid. Ook de samenstellingen op -boom en -struik schrijft men zonder n, bijv.: berkeboom, beukeboom, eikeboom; aalbessestruik. |
| 2. | als het eerste lid van de samenstelling een persoonsnaam is: herenhuis, boerenzoon, vrouwenkleed, ziekenhuis, weduwenstaat. |
Uitzondering:
| a. | als het eerste lid één bepaalde vrouw noemt: Koninginnedag, Prinsesselaan, Onze-Lieve-Vrouwekerk. |
| b. | hereboer, petekind, petemoei, pillegift, lekebroer, lekezuster, lekedicht, lekespel, reuzeleuk, reuzegroot.
Doch: herenhuis, herensociëteit, lekenbiecht, lekenkennis, reuzenarbeid, reuzenhagedis, enz. |
| c. | als het eerste lid geen meervoud heeft op -n: danseusejurk, horlogewinkel. |
| d. | als het eerste lid een werkwoordsvorm is: krullebol. |
In alle niet onder 1 en 2 besproken gevallen is de tussenklank e: eendeëi, eendekroos, maar eendenkooi; vossestaart, vossehol, vossejacht, vossejong; paardekop, paardestaart, maar paardenfokkerij. Een vossejacht kan op één vos gericht zijn; een paardestal behoeft niet voor meer paarden te zijn ingericht. Als dat uit de tekst blijkt, kan men in zulke gevallen het eerste lid meervoudig nemen. Waar het meervoud niet vaststaat mag men e schrijven.
De s als tussenletter wordt geschreven:
| 1. | als hij in de uitspraak gehoord wordt: bakkersknecht, dorpsherberg; |
| 2. | als de regel van de overeenkomst een s eist, d.w.z. als het tweede lid met s begint en in overeenkomstige woorden, waarbij het tweede deel niet met s-klank aanvangt, de s toch gehoord wordt: dorpsschool (naast dorpskerk), stadszegel (naast stadswapen), handelsschool (naast handelshuis); |
| 3. | in: alleszins, anderszins, enigszins, geenszins, veelszins. |
§ 413. Als enige woorden te zamen een nieuwe eenheid vormen schrijft men als teken van die eenheid de delen gewoonlijk aaneen of plaatst men er een koppelteken tussen (zie § 417): schooldeur, inderdaad, allesbehalve, javakoffie, een kruidje-roer-mij-niet. Maar uitdrukkingen als: van streek zijn, op de loop gaan, voor de wind gaan worden niet aan elkaar geschreven. De grens tussen uitdrukking (niet aan elkaar geschreven) en samenstelling is niet altijd scherp aan te geven, bijv.: aankomen naast aan zijn, dezelfde naast een zelfde, mijnheer naast mijne heren.
Men schrijft aan elkaar:
| 1. |
|
||||||||||
| 2. | de bijwoorden er, hier, daar, waar en een onmiddellijk erop volgend bijwoord dat erbij behoort, worden aaneengeschreven: eraan, erbij, erom, erover, eromheen, eronderdoor, hierover, daarnaar, waarmee, waaroverheen, enz.
Maar: Wat zit er in die doos? Ga er voorbij. Hier overkomt je niets. |
| 3. | de zelfst. naamwoorden met een bepalend woord worden aaneengeschreven als eerste lid van een samenstelling. De beet van een dolle hond is een dollehondsbeet. Zo ook: heteluchtkachel, hogedrukgebied, vollemaansgezicht, oudemannenhuis, rijkeluiskind, lageronderwijswet.
Is in het eerste lid het eerste woord geen bepaling bij het tweede, dan worden ze verbonden door koppeltekens: dag-en-nachtevening, olie-en-azijnstel, een 't-kan-niet-erger-stemming; zie § 417. |
| 4. | samenstellende afleidingen als hardnekkig, stijfkoppig, draaihartig, maar ook dergelijke substantivische vormen, ontstaan uit een gezegde met een voorwerp (grappen maken), met een bepaling, enz. (in bewaring geven): grappenmaker, inbewaringgeving (inbewaargeving), telaatkomen, tenuitvoerlegging, teraardebestelling. |
| 5. | titels, beginnende met Wel-, Zeer-, Edel-, Hoog-: Weledelgeboren, Zeergeleerd, Edelachtbaar, Hooggeleerd, Hoogeerwaarde. |
| 6. | werkwoorden, samengesteld met een bijwoord: doorkruisen, uitkomen, heengaan. Infinitieven, voorafgegaan door te, worden daarmee niet verbonden: Ik beveel je door te vertellen, maar: Ga doorvertellen. |
| 7. | werkwoorden, samengesteld met zelfst. nw. of bijv. nw., wanneer de betekenis gewijzigd is en we dus met samenstellingen te doen hebben: aderlaten, ademhalen, lesgeven, houthakken. |
| 8. | verschillende partikels waarin een ouderwetse constructie is bewaard: ternauwernood, vandaag, integendeel, desniettegenstaande. |
| 9. | bijv. naamwoorden als Noordhollands, Oostindonesisch, naast Noord-Holland, Oost-Indonesië. Maar: Zeeuws-Vlaams, Nederlands-Belgisch, enz. |
§ 414. Aardrijkskundige namen leveren moeilijkheden op, doordat niet al deze namen officieel vastgesteld zijn en bovendien doordat er in de pers, in aardrijkskundeboeken en atlassen allerlei afwijkingen van de officiële schrijfwijze voorkomen. De Nederlandse spelling van buitenlandse aardrijkskundige namen berust op niets anders dan gewoonte.
Hun schrijfwijze zal nader worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur. Totdat deze is afgekomen zijn de regels voor de e(e), o(o) en sch niet van toepassing. Er gelden nu de volgende voorschriften:
| 1. | Namen van Nederlandse landstreken, steden, dorpen, rivieren, kanalen, meren, polders enz. behouden de oude spelling: Zeeuwsch-Vlaanderen, Vijfheerenlanden, 's-Hertogenbosch, Hoogezand, Grootegast, Hooge-Zwaluwe, Hollandsche IJsel, Keulsche vaart, Heeger Meer, Friesche Gat, Goereesche Gat. |
| 2. | Namen van landen, zeeën, steden, rivieren, bergen enz. buiten Nederland volgen de gewone regels, als het Nederlands er een eigen vorm voor heeft: Verenigde Staten, Duitsland, Middellandse Zee, Chinese Zee, Rode Zee, Grote Belt, de Hoge Tatra, Wenen. |
| 3. | Bijvoeglijke naamwoorden die van aardrijkskundige namen zijn afgeleid (en geen deel zijn van zulke namen), worden in de uitgang en in de laatste lettergreep van de eigennaam vereenvoudigd: Leidse, Overmase, Sneker, Goerese, Schier- |
| monnikoger, Hese (van Hees). Maar: Sneeker Meer, Mooker Hei, enz. als eigennamen. |
De afleidingen van aardrijkskundige namen op sch behouden de (s)sch, dus: Bossche koek, de Hondsbossche zeewering.
De namen van straten, pleinen, lanen en dergelijke worden niet als aardrijkskundige namen behandeld en volgen wel de bovengenoemde regels voor de uitgang en de open lettergreep die onmiddellijk aan het achtervoegsel voorafgaat: Herengracht, Herestraat, Grote Markt, Rosendaalselaan, Hoogeveensestraat, Leidsegracht.
§ 415. Bastaardwoorden verschillen van vreemde woorden, doordat ze in uitspraak, vorm of gebruik geheel in onze taal zijn opgenomen. Vreemde woorden spelt men natuurlijk als vreemdelingen: ze houden de vorm hunner herkomst. Bastaardwoorden werden in België reeds lang meer vernederlandst dan in onze spelling. De commissie was daardoor gedwongen tot een compromis, dat weinigen geheel heeft bevredigd.
Vele bastaardwoorden zijn in de Woordenlijst in twee spellingvormen opgenomen. Ze zijn aangeduid met ‘zie ook’. Beide vormen zijn dan als gelijkwaardig toegelaten. Van de meeste bastaardwoorden geniet echter één der beide vormen voorkeur. Deze is aangeduid, doordat met ‘ook’ naar de tweede wordt verwezen. Bij die tweede staat ‘zie’, dat naar de voorkeurspelling verwijst. In de scholen, evenals in ambtelijke stukken, moet deze voorkeurspelling worden gevolgd.
We zullen de belangrijkste veranderingen in de spelling der bastaardwoorden aangeven in alfabetische volgorde der lettertekens:
ae: werd doorgaans e: cesarisme, equator, mecenas, pedagoog, presens; bleef uitsluitend of bij voorkeur ae in: faecaliën, graecisme, graecus, gynaecoloog, hetaere, jaeger, mediaevist, prae (voordeel), praeses (maar presideren, presidium), propaedeuse, propaedeutisch, quaestor.
c: werd k (uitsluitend of bij voorkeur) in: akkoord, akoestiek (van een zaal), akoestisch, akte, alkalisch, alkaloïde, anakoloet, anekdote, anekdotisch, baskuul (maar: bascule), brokaat, brokaten, elektricien, elektriciteit, elektrificatie, elektrificeren, elektrisch, elektriseren, elektrode, elektrokutie, elektrolyse, enz., frikadel, harmonika, helikopter, insekt, insektivoor, interlokaal, jakobijn(s), jakobsladder, enz., kabbalistisch, kadaver, kadetje, kaduuk, kakofonie, kakografie, kalligraaf (-grafie), kalligraferen, kameleon, kandelaber, kandidaat, kandidatuur, kano, kantiek, kantine, kaolien, kapucijn, kapucijner(s), karamel, karavansera(i), karbies, karbonade, kardinaal, kariatide (caryatide), karikaturiseren, karikatuur, karikaturist, karmelieter, karmelietes, (het) kartel, kartellering, karteren, kartering, karton, kartonnage, kartonneren, kasjmier (cachemir), kassa, kasserol, kasuaris, katafalk, katalysator, katalyse, katalytisch, katapult, kathete, katholiek, katholicisme, klasseren, klavecimbel, kleptomaan, kleptomanie, klerikaal, klerikalisme, klimatologie, klimatologisch, kliniek, klinisch, klinist, klysma, kodak, koket, koketteren, koketterie, koloriet, kolorist, kolossus, komediant, komedie, komisch, komplot, komplotteren, kompres, konfijten, Kongo, Kongolees, konvooi(eren), kopie, kopiëren, kopiist(e), kopij, kopra, kordon, korjaal, korps (maar met Franse uitspraak: corps), korpus, korset, kosmetiek, kosmetisch, kosmisch, kosmograaf, kosmografie, kosmopoliet, kosmopolitisch, kosmopolitisme, kosmos, kostumeren, kostuum, kotelet, krediet, kritiek, kri-
tisch, kritiseren, kroep, krokus, kynologie, kynologisch, kynoloog, leukoplast, lokaal, lokaliseren, lokaliteit, oktober, periskoop, praktijk, praktisch, predikaat, predikatief, produkt, produktie, produktief, produktiviteit, publikatie, rekruteren, rekruut, reproduktie, reproduktief, sekreet, sektariër, sektarisch, sektarisme, sekte, streptokok, sukade, traktaat, traktatie, traktement, trakteren, tweetaktmotor, vakantie, viertaktmotor.
é: werd e in de eerste lettergreep van een woord: egards, resumé, evacué; bleef é op 't woordeinde. Het meervoud dezer woorden spelt men met -és: cafés, coupés, logés. Het verkleinwoord gaat uit op -eetje: coupeetje, logeetje; bij afbreken coupé-tje, enz. Let op de spelling dominee.
ée: werd -ee: matinee, soiree; bleef ée in vrouwelijke persoonsnamen, afgeleid van mannelijke op -é: logée, introducée. Het verkleinwoord is logeetje (maar: logée-tje).
er: bleef: diner, souper. Doch: dineetje, soupeetje. Maar diner-tje, enz.
gh: werd h in getto.
i-ie: In voorlaatste lettergrepen schrijft men ie voor een Nederl. achtervoegsel met klemtoon: karmelietes, markiezin. Men spelt i in dezelfde positie voor een vreemd achtervoegsel en voor -isch: markizaat; Israëlitisch, Semitisch, jezuïtisch. Woorden op i hebben een meervoud op i's, een verkleinwoord op -ietje: ski's; demietje, taxietje. Bij afbreken: demi-tje, enz. Woorden op ie hebben een meervoud op -ies, -iën of -ieën: tralies, oliën, knieën.
Il: werd lj in: biljart, biljet, briljant, biljoen, miljard, miljardair, miljoen, miljonair, vermiljoen.
kh: werd k in bijv.: kaki, kan (vorstentitel), kanaat, kedive (vorst).
n: wordt niet verdubbeld na -io (-jo, yo, -eo), behalve als een toonloze e volgt: constitutioneel, dictionaire, functioneren, spionage, embryonaal, miljonair, accordeonist.
Dus: spionnen, spionne, spionnetje, maar spionage, spioneren; stationeren, stationair, maar stationnetje. Natuurlijk ook: kanonnen, kanonneerboot, kanonnade, festonneren, festonnage, enz.
oe: gesproken ee, werd e: celibaat, econoom, economie, economisch, feniks, homeopaat, homeopathisch, obsceen, penitent(ie). Men schrijft Croesus, poenaal, op poene van, enz., als men ze met eu uitspreekt; met e bij uitspraak met die klank: Cresus, penaal, pene.
oi: werd oo in exploot. Gelijkwaardig zijn executoor - executoir; interlocutoor - interlocutoir; provisoor - provisoir; redhibitoor - redhibitoir; rekwisitoor - requisitoir; territoor - territoir.
ou: werd oe of bij voorkeur oe in: akoestiek, akoestisch, anakoloet, bedoeïen, boeket, boernoes, foerage, foerageren, foerier, gnoe, groepage, groeperen, Hindoe, hindoeïsme, jaloezie, koer (binnenplaats, schoolplein), kroep, loep, maraboe, maraboet, moeselienen, pandoeren, poelet, pompadoer, soeverein, soevereiniteit, taboeret, tatoeage, tatoeëren, toer, toerauto, toerisme, toerist, toernooi, tompoes, (mv. tompoezen), troebleren, zoeaaf.
ph: werd overal f: farao, filantropie, filosofisch, tyfus.
qu: werd k of bij voorkeur k in: boeket, bruuskeren, debarkeren, demaskeren, embarkeren, koket, markeren, plaket (plaat), rekest (naast rekwest), rekestreren (naast rekwestreren), riskant, riskeren; werd voorgoed of bij voorkeur kw: diskwalificatie, diskwalificeren, kwadrant, kwadrant, kwadrateren, kwadratuur, kwalificatie, kwalificeren, kwalitatief, kwaliteit, kwantitatief, kwantiteit, kwartet, kwarto, kwatrijn, kwestie, kwestieus, kwint, kwintessens, kwintet, kwitantie, kwiteren, rekwest, rekwestreren, rekwestrant, rekwirant, rekwireren, rekwisiet, rekwisiteur, rekwisitie, relikwie, sekwester, sekwestreren.
rh: werd overal r: catarre, reumatisch, ritme, rododendron.
th: werd t: aan 't woordeinde en voor Nederlandse uitgangen: monoliet, monolieten, chrysanten, telepaat, doch: megalithisch, telepathie, telepathisch, enz.; vóór een medeklinker en ná f en ch: antraciet, antroposoof, astma, atleet, atletiek, etnografie, filantropisch; difteritis, diftong, monoftong, autochtoon; in gotisch, gotiek.
x: werd ks in: sekse, seksen, seksualiteit, seksueel, tekstueel.
y: werd i of bij voorkeur i in: analist(e), cilinder, cimbaal, cipres, kariatide, Libië, Libisch, mirre, mirt(e), piramide, ritme, ritmisch, sibille, sifon, stilist, stilus, tiran; werd ie of bij voorkeur ie in: asiel, zefier.
§ 416. Men schrijft met een hoofdletter:
| 1. | Het eerste woord van een zin of aanhaling: Kom maar. Jan zei: ‘Dat kan ik niet doen.’
Uitzonderingen: Zinnen, beginnend met 'k, 'n, 's, 't: de hoofdletter staat hier in het daarop volgende woord. 'k Ga dus. 'n Mens zijn lust is 'n mens zijn leven. 's Zomers is het er leuk. ‘'t Kan verkeeren.’ Zinnen, met een cijfer beginnend, krijgen geen hoofdletter: 71 is ondeelbaar. |
| 2. | De namen van God en Christus en de persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden die op die namen slaan: Gedankt moet zijn de Heer, de God die eeuwig leeft, dat Hij ons 't Zijner eer, dees overwinning geeft. De Almachtige hoede u; Hij zij u tot een eeuwige Beschermer. Christus, de Heiland, met Zijne discipelen. |
| 3. | Eigennamen: voor- en familienamen, aardrijkskundige namen, namen van straten, enz., van talen, kerkelijke feestdagen, geologische tijdperken, sterren en sterrengroepen, instellingen en andere lichamen, schepen, kranten, enz.: Koos, K. van Driel, Ter Veer, Karel de Stoute, Sint-Pieter, Nederland, het Gooi, Utrechtsestraat, Engels, Pasen, het Primair, Diluvium, Orion, de Grote Beer, de Tweede Kamer, De Nieuwe Rotterdamse Courant, Het Wapen van Leiden.
opmerking. Als eigennamen tot soortnamen zijn geworden, krijgen ze geen hoofdletter: een ford, een philips, een messerschmidt, het sint-janskruiskruid, de sint-bernard (hond), jakobsladder, javasuiker. Maar: een Frans Hals, een echte Rubens, enz., omdat ze nog sterk aan een eigennaam doen denken. Namen van gezindten, partijen, geestelijke stromingen, die hunner aanhangers, en tijdperken uit de geschiedenis krijgen alleen een hoofdletter, als ze inderdaad als eigennaam zijn gebruikt: een jezuïet, maar: De Jezuïeten zijn een bekende orde. Het boeddhisme beheerst een belangrijk deel der aarde. Maar: Christendom en Islam streden op leven en dood. |
| 4. | Afleidingen van eigennamen die nog duidelijk aan de eigennaam doen denken: Oostvlaams, Luikenaar, Zweeds. Maar flamingant herinnert niet zozeer aan Vlaanderen als wel aan een bepaalde strijd in België. |
| 5. | Titels: Hare Koninklijke Hoogheid, Zijne Excellentie. |
| 6. | Niet-eigennamen, als eigennamen gebruikt in beeldspraak: Wat toeft gij, Lente, met uw bloementwijgen? |
| 7. | In vele afkortingen: A.D., P.S., N.B., R.-K., een C.H.-man, ook als men 't niet verkorte woord zonder hoofdletter schrijft. |
| 8. | Opschriften. Men schrijft dan vaak alle woorden of alle zelfst. naamw. met hoofdletter: De Vergulde Leeuw. Nederland Tulpenland. Verklarend Handwoordenboek der Nederlandse Taal. |
§ 417. Het koppelteken wordt gebruikt:
| 1. | In samenstellingen met letters, lettercombinaties, cijfers en andere tekens: g-snaar, abc-boek, Karel I-sigaar, 40+-kaas, het ±-teken, t.b.c.-gevaar, T.T.-races.
opmerking. Afleidingen van letterwoorden, enz. krijgen: ': beide a's, dat b'tje, enige N.V.'s, h.b.s.'er. |
| 2. | In samenstellingen met Sint (St.) als eerste lid: Sint-Michiel, St.-Bernard, een sint-bernard. |
| 3. | In samenstellingen, een rang of waardigheid enz. noemend, waarvan het eerste lid ook zelfstandig kan voorkomen als persoonsnaam: adjunct-directeur, aspirant-kwekeling, majoor-titulair, secretaris-generaal. |
| 4. | In samenstellingen waarvan het tweede lid bepaling is bij het eerste: de wet-Van Houten, het ministerie-Drees, Scheveningen-Bad, Amsterdam-Zuid. Als het tweede lid uit meer dan één woord bestaat worden deze door koppeltekens verbonden, uitgezonderd eigennamen: kruidje-roer-me-niet, coupé-niet-roken, sta-in-de-weg, maar: de commissie-Nijland van Heusden, het plan-De Vries. Wel weer in: het ontwerp-Willems-De-Geus (Willems en De Geus zijn de beide ontwerpers).
Uitzondering. Geen koppelteken wordt geschreven als een volgende bepaling uit letters of andere tekens bestaat: groep B, akte KV, klasse 5, Amsterdam Z, een V 1 (bom). |
| 5. | In namen van gehuwde vrouwen: Mevrouw Fortanier-De Wit. |
| 6. | In eigennamen met een onverbogen bepalend deel: Oost-Groningen, Nieuw-Zeeland, Voor-Indië, Boven-Digoel.
opmerking. Afleidingen van zulke samenstellingen worden aaneengeschreven, behalve wanneer het eerste lid een afleiding is van een aardrijkskundige naam: Westfriese, Achterindische, de Benedenrijnse laagvlakte, maar: Zeeuws-Vlaamse, Belgisch-Limburgse. |
| 7. | In nevenschikkende samenstellingen: Belgisch-Nederlands, christelijk-historisch, 't station Hoogkerk-Vierverlaten, stadhouder-koning, de schilder-schrijver Van Looy. |
| 8. | In ongewone samenstellingen en woordformaties: de niet-roker, Tweede-Kamerzitting, pro-Duits, ex-keizer, 's-Heerenberg, niet ver-oordeeld, maar geoordeeld. Ook ter vergemakkelijking van het juist lezen: pijp-etuitje, radio-omroep, aniline-inkt. |
| 9. | Bij afbreking in samentrekkingen: hout- en steenhandel, de voor- en nadelen. |
§ 418. Het deelteken of trema dient ter vermijding van verkeerd lezen. Het duidt aan dat twee lettertekens, doorgaans gebruikt ter aanduiding van één klinker of tweeklank, in het gegeven geval als afzonderlijke tekens moeten worden opgevat: Aäron, Israëliet, Kaïn, beëdigd, eendeëi, reeën, meeëten, farizeïsch, reünie, knieën, oliën, patiënt, poëet, poëzie, zoëven, egoïst, coöperatief, ruïneren, altruïsme, vacuüm.
Waar verkeerd lezen onmogelijk is blijft het deelteken achterwege: naogen, beamen, boa, aorta, verfraaiing, kopiist. Geen deelteken wordt verder geschreven op de uitgangen: -ei, -eum, -eus, -ieel, -ien: extranei, vox Dei, petroleum, museum, baccalaureus, extraneus, partieel (maar partiële, enz.), ministerieel, opticien, elektricien.
Ook na tweeklanken blijft het deelteken weg: aaien, roeien, eieren, kruier.
opmerking. In samenstellingen verdient het koppelteken voorkeur boven het deelteken, als het woord zeer lang is: radio-omroepvereniging, insuline-inspuitingen, diepzee-expeditie.
§ 419. Het samentrekkingsteken wordt gebruikt, wanneer men lettergrepen samentrekt die gewoonlijk in de niet-samengetrokken vorm voorkomen, bijv.: boôm voor bodem, daân voor daden. Dus niet in woorden als elkaar, mee, slee, broer.
§ 420. Het weglatings- of afkappingsteken (de apostrof) staat:
| 1. | Om de genitief aan te duiden van eigennamen op -s, -z, -x: Beets' gedichten Johannes' woorden, Van Heutsz' expeditie, Alex' plannen. |
| 2. | In 's, doorgaans afkorting van des: 's morgens, 's-Gravenhage. |
| 3. | Voor de s van genitief en meervoud van woorden op een klinker, waar zonder apostrof verkeerd zou worden gelezen: Anna's boek, de twee Maria's, ave's, ski's, piano's, menu's, baby's. Vgl.: Ko's fiets en Koos' fiets. In de spreektaal zegt men: Ko zijn en Koos zijn; Kee d'r werk en Kees zijn tas.
Geen apostrof in: cafés, logées, dominees, jamborees, Jansjes, garages, edities, jockeys, etuis, tenues, milieus, enz. Evenmin is daarvoor reden in: Van Looys werk, Verweys gedichten, Rembrandts etsen, Churchills memoires, al plaatst men hier het teken dikwijls (onder Engelse invloed). opmerking. Naast eega's, la's, ra's, tra's, vla's is eegaas, laas, raas, traas, vlaas toegestaan. |
| 4. | In genitieven en meervouden van letterwoorden en afleidingen daarvan: de h's en k's, de s'en en z's, a'tjes en o'tjes, K.B.'s, een N.V.'tje, K.V.'er, h.b.s.'er, h.b.s.'je, V.V.V.'achtig, A.N.W.B.'erig. |
| 5. | In verkleinvormen van woorden op medeklinker, gevolgd door y: baby'tje. |
| 6. | In ongewone genitief- en meervoudsvormen: Al die van's klinken lelijk, terwijl teveel der's en des'en te plechtig zijn. Wat koop ik voor jouw dank-je-wel's en asjeblieft's? |
| 7. | In 'k, 't, 'n, z'n, m'n, d'r, enz. Men moet het gebruik van deze vormen vermijden waar ze in de spreektaal onnatuurlijk klinken, zoals in: 'k Kan niet. Je hebt 't al gezegd. 'n Uur geleden. |
§ 421. Als afkortingsteken dient de punt: p. 6 of pag. 6; b., bl. of blz. 8; K.B.; bv., b.v. of bijv.; nl. of n.l.; prof.; t.a.v.; r.-k.; chr.-hist.; N.R.U., D.D.T. Ook achter afkortingen waarvan de laatste letter wel wordt geschreven: mr., dr., ir., drs.
Geen afkortingsteken staat achter vaste symbolen: m, l, g, kg, hl, V, A, SO4, H2O en achter ‘gelezen’ letterwoorden: Benelux, ijsco, telex, radar, Esso.
opmerking. Naast Co. en Cie. schrijven we zonder punt Co, Cie, Mij, enz.
§ 422. Leestekens geven de indeling van de volzinnen aan en vergemakkelijken daardoor het juist lezen. Het zijn toon- en rusttekens. Het gebruik van leestekens heet interpunctie.
Men plaatst een punt om het eind van een zin aan te duiden: Het is mooi weer. Ik vroeg of hij mee ging.
Een komma wordt in 't algemeen gebruikt om een korte rust aan te geven tussen gelijkwaardige zinnen of zinsdelen, behalve als die door en of of zijn verbonden: We zijn te Leeuwarden, Franeker en Harlingen geweest, Jan, zijn vriend Kees en ik. Hij zei dat hij er pas geweest was, maar Wim vroeg hoe hij dan van niets had gehoord.1 Het plaatsen van komma's staat dus in nauw verband met de grammatische bouw en het ritme van de zin. Als er tussen de delen van een samengestelde zin niet gerust wordt, plaatst men ook geen komma.
Sommigen schrijven ten onrechte voor en en of nooit een komma. Die moet wèl worden geplaatst, als er een duidelijke rust wordt gehoord. Dus: Het was hem voorgehouden en nog eens voorgehouden. Hij las en werkte de hele vakantie. Ik weet niet of hij komt of thuis blijft. Maar: Het was hem voorgehouden en voorgehouden, en toch deed hij het. Je bent oerstom, of je bent niet wijs.
Men plaatst geen komma voor een beperkende bijvoeglijke bijzin. De agent die daar loopt, is onze buurman. Een uitbreidende bijvoeglijke bijzin daarentegen staat tussen komma's: De agent, die immers het gezag vertegenwoordigt, moet gehoorzaamd worden.
In 't algemeen plaatst men achtergeplaatste werkwoordelijke constructies tussen komma's: De inbreker, zijn kans op ontsnapping verloren ziend, liet zich rustig arresteren.
Natuurlijk is een komma onmisbaar waar misverstand kan ontstaan: Mijn bedoeling was eigenlijk niet te blijven moet worden geschreven met een komma achter eigenlijk of achter niet.
Na de aanspreking boven een brief plaatst men een komma en geen uitroepteken: Amice, Geachte Heer, enz.
Een kommapunt (;) duidt een rust aan met toondaling als aan 't eind van een zin. Twee bijeenbehorende hoofdzinnen worden gewoonlijk door een kommapunt gescheiden, vooral bij verbinding zonder voegwoord. Hij spant zich geweldig in; toch bereikt hij weinig resultaten. Ik geloof wel dat je een goed cijfer hebt gekregen; zeker weet ik 't niet.
't Gebruik van de kommapunt is vrij willekeurig. De een zal bijv. een komma zetten waar de ander een kommapunt plaatst. Bij dichters is de interpunctie soms heel afwijkend van de gewone (bijv. bij staring); ze dient dan ter verduidelijking van bepaalde zinsverbanden.
Een dubbele punt geeft te kennen dat er een verklaring, een opsomming, een aanvulling of een aanhaling volgt. Ik denk niet dat we morgen kunnen meegaan: oom heeft ons gevraagd. Albert munt in heel wat vakken uit: Frans, wiskunde, tekenen, geschiedenis. Nelson zei voor de slag bij Trafalgar: ‘Engeland verwacht dat ieder zijn plicht zal doen.’
Aanhalingstekens (‘...’) gebruikt men als iemands woorden letterlijk geciteerd worden, bijv.: Ik hoorde de man roepen: ‘Help me toch.’ Hij seinde: ‘Kom morgen.’ Bij de indirecte rede (afhankelijke mededeling of vraag) worden geen aanhalingstekens gebruikt, bijv.: Ik hoorde de man roepen dat men hem moest helpen. Soms plaatst men een eigenaardig gebruikt woord tussen aanhalingstekens, bijv.: In soldatentaal heet dat ‘geuren’.
Een vraagteken (?) staat na een directe vraag (niet na een indirecte), bijv.: Heb je 't hem al gezegd? Ook dient het om twijfel uit te drukken of ironisch gebruik van een woord of uitdrukking: Uit Indonesië is bericht ontvangen dat luitenant Monen(?) gesneuveld is. Die lectuur was een buitengewoon(?) genot voor me.
Een uitroepteken (!) staat na een zin die als een uitroep beschouwd moet worden (ook wensen, bevelen, waarschuwingen), bijv.: Wat heeft hij gewerkt! Wat liep hij! Help! Hoera! Leve de jubilaris!
Een gedachtenstreep (-) duidt gewoonlijk een lange rust aan, of iets wat we niet verwacht hadden, bijv.: We zouden een heerlijke fietstocht doen, maar - daar begon het me te regenen dat het goot. Hij dient ook om een tussenzin aan te geven:
Het beletselteken (...) geeft een plotseling afbreken van de zin aan. Soms wordt ook een gedachtenstreep met hetzelfde doel gebruikt, bijv. in het volgende verhoor:
De officier van justitie: Jij weet natuurlijk waarvoor ik jou - (Ansing houdt zich met bevende handen aan 'n stoelleuning vast; z'n lippen trillen in angst) - Kijk me àn, als ik met je spreek.
Ansing (in benauwing het voorhoofd vegend): Ik - ik... (wankelt).
De officier: Jij staat te beven van angst - als jou geweten zuiver was, zou jij... Ansing (interrumperend): Mag 'k gaan zitten - 'k ben niet lekker - 'k mankeer 't hier... (samuel falkland).
Haakjes duiden aan dat een of meer woorden buiten het gewone zinsverband staan. Men zie de voorbeelden onder beletselteken.