terug  begin  verderprepost
[p. 325]

Bibliografische aantekeningen

[p. 327]

Tijdschriften

Driemaandelijkse Bladen (= Driem. Bl.); sinds 1949.
Leuvense Bijdragen (= Leuv. Bijdr.); sinds 1896.
Forum der Letteren (= F.d.L.); sinds 1959.
Foundations of Language (= Found.); sinds 1965.
Taal en Letteren (= T. en Lett.); 1890-1906.
Taal en Leven (= T. en Lev.); 1937-1943.
Taal en Tongval (= T. en T.); sinds 1949.
De Nieuwe Taalgids (= N. Tg.); sinds 1907.
Onze Taaltuin (= O.T.); 1932-1942.
Levende Talen (= Lev. T.).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (= Ts.); sinds 1881.
Tijdschrift voor Taal en Letteren (= T.T.L.); 1913-1941.
Verslagen en Mededelingen van de Kon. Vl. Academie voor Taal en Letterkunde (= V.M.V.A.).

 

Woordenboeken

Franck - Van Wijk - Van Haeringen, Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche taal, 1936.
Jan de Vries, Nederlands Etymologisch Woordenboek, 1963 (nog onvoltooid).
Verwijs - Verdam - Stoett, Middelnederlandsch woordenboek, in 1941 voltooid.
Verdam, Middelnederlands Handwoordenboek, sinds 1929 volledig door het supplement van Ebbinge Wubben.
Woordenboek der Nederlandsche Taal (W.N.T.), begonnen in 1882 door M. de Vries en J. te Winkel; nog onvoltooid.
Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, 8e druk 1961.
Koenen - Endepols, Verklarend Handwoordenboek der Nederlandse Taal, 26e druk 1966.
L.M. Brouwers, Het juiste Woord, 3e druk 1958.

 

Werken van algemene aard

F. Balk-Smit Duyzentkunst, De grammatische functie, 1963.
G.F. Bos, Het probleem van de samengestelde zin, 1964.
J.S. ten Brinke, Onafhankelijke en afhankelijke grootheden in het taalgebruik, 1963.
Noam Chomsky, Syntactic structures, 2e druk 1962.
Noam Chomsky, Current issues in linguistic theory, 1965.
Noam Chomsky, Aspects of the theory of syntax, 1965.
W.S.Cooper, Set theory and syntactic description, 1964.
B.C.Damsteegt, In de Doolhof van het Nederlands, 7e druk 1964.
R.M.W. Dixon, Linguistic science and logic, 1963.
F.G.Droste, Grondbeginselen van de Nederlandse Grammatica, 2e druk 1965.
F.G.Droste, Betekenis als syntactisch stramien: woordsoorten en woordgroepen in het Nederlands, Lev. T. 225.
G.A.van Es, Principes en toepassing van de Stilistische grammatica, Ts. 70.
R.Galderoux, Zinsontleding met behulp van electronische ordinatoren, N. Tg. 55.
[p. 328]
A.W. de Groot, Inleiding tot de Algemene Taalwetenschap, 1963.
A.W. de Groot e.a., Studies op het gebied van het hedendaagse Nederlands, 1963.
C.B. van Haeringen, Neerlandica, 1949, 2e druk 1963.
C.B. van Haeringen, Rationalisering en efficiency in taal, N. Tg. 49.
C.B. van Haeringen, ‘Taaleconomische’ tendenties in het Duits en het Nederlands, N. Tg. 49 en Gramarie.
C.B. van Haeringen, Netherlandic Language Research, 2e druk 1960.
C.B. van Haeringen, Gramarie, 1962.
A.G. van Hamel, Geschiedenis der taalwetenschap, 1945.
Zellig Harris, String analysis of sentence structure, 2e druk 1964.
J. Hoogteijling, Taalwaarneming als aanvang en doel, Lev. T. 217.
M.J. Langeveld, Taal en Denken, 1934.
C.P.F. Lecoutere - L. Grootaers, Inleiding tot de Taalkunde en tot de Geschiedenis van het Nederlands, 6e druk 1948.
J.A. Meyers, Taal en Leven, 1941.
J.A. Meyers, Kies uw woord, 1948.
J.A. Meyers, Uit het leven der woorden, 1954.
J.A. Meyers, Het woord, ontstaan, gebruik en ontwikkeling, 2e druk 1964.
L. Michels, Trekken van taalgebruik, 1962.
E. Nuytens, De tweetalige mens, 1962.
P.C. Paardekooper, Syntaxis, Spraakkunst, Taalkunde, 1955.
Jean Perrot, La Linguistique, 1959.
H.J. Pos, Inleiding tot de taalwetenschap, 1926.
A. Reichling, Wat is algemene taalwetenschap? 1948.
A. Reichling, Verzamelde studies over hedendaagse problemen der taalwetenschap, 3e druk 1965.
A. Reichling e.a., Taalonderzoek in onze tijd, 1963.
G. Révész, Ursprung und Vorgeschichte der Sprache, 1946.
H. Roose, Het probleem van de woordsoorten, 1964.
G. Royen, Spraak en Taal, 1933.
E. Sapir - A.L. Sötemann, Wat is taal, 1949.
H. Schultink, De morfologische valentie van het ongelede adjectief in modern Nederlands, Den Haag z.j.
H. Schultink, Statische of dynamische taalbeschrijving, 1963.
H. Schultink, Transformationeel-generatieve taalbeschrijving, N.Tg. 60.
C.F.P. Stutterheim, Zin, spraak, taal, Album L. Kaiser, 1951.
C.F.P. Stutterheim, Gevoel, stem, zin, Lev. T. 228.
C.F.P. Stutterheim, Taalwetenschap tussen beschrijven en verklaren, Algemeen Nederlands Tijdschrift voor wijsbegeerte en psychologie, 1960-'61.
C.F.P. Stutterheim, Taalbeschouwing en Taalbeheersing, 1954.
E.M. Uhlenbeck, Taalwetenschap, een eerste inleiding, 1959.
P.A. Verburg, Taal en functionaliteit, 1952.
P.A. Verburg, Algemene Taatwetenschap en encyclopedie, 1958.
A.A. Verdenius, In de Nederlandse Taaltuin, 3e druk 1946.
C.G.N. de Vooys, Verzamelde Taalkundige Opstellen, 3 dln, 1925-1947.
Jos H. Vossen, Over inzicht inzake taal, N. Tg. 53.
U. Weinreich, Languages in contact, 1963.
[p. 329]

Nederlandse Spraakkunst

B. van den Berg, Beknopte Nederlandse Spraakkunst, 5e druk 1967.
B. van den Berg, Bijdragen tot de syntaxis van het Nederlands, i en ii, N. Tg. 58, iii, N. Tg. 60, iv, N. Tg. 60, v, N. Tg. 61.
B.H. Erné - J.C. Smit, Nieuwe Nederlandse Spraakkunst met oefeningen, 3 dln., 6e-8e druk, 1960-1961.
G.A. van Es, Nederlandse syntaxis in klein bestek, 1966.
G.A. van Es en P.P.J. van Caspel, Publicaties van het archief voor de Nederlandse Syntaxis, R.U. Groningen 1971 e.v.
C.H. den Hertog, Nederlandsche Spraakkunst, 3 dln, 2e druk 1903.
A. Kraak - W.G. Klooster, Syntaxis, 1968.
G.S. Overdiep, Stilistische Grammatica van het moderne Nederlands, 2e druk verzorgd door Van Es, 1949.
P.C. Paardekooper, Kleine A.B.N.-Syntaxis, 1958.
P.C. Paardekooper, Beknopte A.B.N.-Syntaxis, 1963.
P.C. Paardekooper, A.B.N.-Spraakkunst, Voorstudies II, III en IV, 1958-1962.
D.C. Tinbergen - Th.H.D'Angremond - F. Lulofs, Nederlandse Spraakkunst, 2 dln., 1957.
C.G.N. de Vooys, Nederlandse Spraakkunst, 5e druk bewerkt door M. Schönfeld, 1960 (6e druk 1964).
A.J.J. de Witte - N.C.H. Wijngaards, De structuur van het Nederlands, 1961.

 

Uit de geschiedenis van het Nederlands

L.L. Hammerich, Indeling en ontwikkeling van het Germaans, 1946.
Th. Frings, Die Stellung der Niederlande im Aufbau des Germanischen, 1944.
K. Heeroma, Ingwaeoons, Ts. 58.
J. Verdam - F.A. Stoett, Uit de geschiedenis der Nederlandsche Taal, 4e druk 1923.
C.G.N. de Vooys, Geschiedenis van de Nederlandse Taal, 5e druk 1952.
J.W. Muller, De uitbreiding van het Nederlandsch taalgebied, vooral in de 17e eeuw, 1939.
M. Valkhoff, Geschiedenis en actualiteit der Frans-Nederlandse Taalgrens, 1950.
G. Kloeke, Herkomst en groei van het Afrikaans, 1950.
M. Valkhoff, De expansie van het Nederlands, 1945.
W. Foerste - K. Heeroma, Westfaalse en Nederlandse Expansie, 1955.
G. Kloeke, De Hollandse expansie in de zestiende en zeventiende eeuw, 1927.
A. van Loey, Schönfeld's Historische Grammatica van het Nederlands, 7e druk, 1964.
W.G. Hellinga, De opbouw van de algemeen beschaafde uitspraak van het Nederlands, 1938.
P.C. Paardekooper, Fonologie en diftongering, Ts. 65.
C.B. van Haeringen, Opmerkingen bij de apocopering van -e, N. Tg. 31.
C.B. van Haeringen, Intervocaliese d in het Nederlands, Ts. 46.
C.B. van Haeringen, Weder en weer, neder en neer, mede en mee, 1963.
N. van Wijk, Zoogenaamde d-epenthesis, Ts. 26.
[p. 330]
G.S. Overdiep, Vormleer van het Middelnederlandsch der XIIIde eeuw, uitgegeven door Van Es, 1946.
A. van Loey, Middelnederlandse Spraakkunst, 2 dln., 4e druk 1964-1965.
A.C. Bouman, Middelnederlandse Bloemlezing met Grammatica, 2e druk 1948.
G.S. Overdiep, Zeventiende-eeuwsche Syntaxis, 3 dln., 1931-'35.
A. Weijnen, Zeventiende-eeuwse Taal, 4e druk 1965.

Hoofdstuk I. Inleiding

M.J. Langeveld, Taal en Spraak, N. Tg. 29.

 

Algemeen Nederlands, Verscheidenheid in het Nederlands

C.G.N. de Vooys, Het gezag van het Algemeen Beschaafd, N. Tg. 8.
C.B. van Haeringen, Eenheid en nuance in beschaafd Nederlandse uitspraak, N. Tg. 18 en Neerlandica.
G.S. Overdiep, Standaard-Nederlands, O.T. 3.
G. Kloeke, Deftige en gemeenzame taal, 1937.
E. Kruisinga, Eenheid in het A.B.N., N. Tg. 30.
G. Kloeke, Beschaafdentaal, Ts. 69.
G. Kloeke, Gezag en norm bij het gebruik van verzorgd Nederlands, 1951.
G. Kloeke, Verzorgd Nederlands, V.M.V.A. 1954.
G. Kloeke, A(lgemeen) B(eschaafd) N(ederlands), in bundel Kossmann, 1958.
C.B. van Haeringen, Gedistingeerdheid in taal, N. Tg. 42 en Gramarie.
C.B. van Haeringen, Standaard-Nederlands, N. Tg. 44 en Gramarie.
M.C. van den Toorn, Beschaafde taal en beschaafdentaal, N. Tg. 55.
C.B. van Haeringen, Spanningen in hedendaags Nederlands, 1946.
G. Royen, Ongaaf Nederlands, 3e druk 1946.
J.A.M. Weterman e.a., Nette en onnette woorden, 1962.
H. Beem, Het Jiddisj en zijn resten in het Nederlands, Lev. T. 208.
H. Beem, Joodse woorden in het Nederlands, Lev. T. 223.
Maria A.F. Ostendorf, Studie van ‘Sporttaal’, N. Tg. 54.
C. Kostelijk, Een bijdrage tot het hedendaagse toneelspelersjargon, N. Tg. 54.
D.C. Hesseling, De invloed van de geschreven op de gesproken taal, N. Tg. 6.
J.W. Muller, Spreektaal en schrijftaal in het Nederlands, Verz. Taalk. Opstellen, 1924.
C.G.N. de Vooys, Boekentaal, N. Tg. 48.
C.G.N. de Vooys, Bezwaren tegen de onderscheiding van ‘spreektaal’ en ‘schrijftaal’, N. Tg. 48.
G. Brom, Boekentaal, 1955.
A. van Loey, L'action de la langue écrite sur la langue parlée commune Néerlandaise, Med. v.d. ‘Klasse der Lett. in de mor. en staatk. Wetenschappen’ van de Kon. Vl. Academie, 1957.
C.G.N. de Vooys, Hedendaags woordgebruik in Zuid- en Noord-Nederland, N. Tg. 36.
A. van Loey, Algemeen Beschaafd Nederlands in België, 1945.
[p. 331]
J.L. Pauwels, Het Algemeen Beschaafd in Vlaanderen, N. Tg. 42.
A. Weijnen - Fr. van Coetsem, De rijksgrens tussen België en Nederland als taalgrens, 1957.
W. Pée, Anderhalve eeuw taalgrensverschuiving en taaltoestand in Frans-Vlaanderen, 1957.
W. Gobbers, Heeft het Nederlands nog toekomst in België?, Wetenschappelijke Tijdingen, febr. 1961.
O.v.d. Hallen, Nogmaals: de toekomst van het Nederlands in België, Wetenschappelijke Tijdingen, juni 1961.
S.S.H.M. Boelen, De Nederlandse taal in Vlaanderen, Wetenschappelijke Tijdingen, juli/aug. 1961.
J. Leenen - R. Claeys, De Nederlandse taal in Vlaanderen, Wetenschappelijke Tijdingen, sept. 1961.
J. Goossenaerts, De Nederlandse taal in Vlaanderen III, Wetenschappelijke Tijdingen, okt. 1961.
P.C. Paardekooper, Er zijn geen Belgen!, 1962.
J. Kempen, Nederland in Duitsland, 1962.
P.C. Paardekooper, Nederland in Frankrijk, 1960.

 

Dialecten

P.J. Meertens - B. Wander, Bibliografie der dialecten van Nederland 1800-1950, 1958.
J. van Ginneken, De studie der Nederlandsche streektalen, 1943.
J. van Ginneken - J. Endepols, De Regenboogkleuren van Nederlands Taal, 2e druk 1931.
Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland.
Blancquaert, Reeks Nederlandse Dialectatlassen.
K. Heeroma, Taalatlas van Oost-Nederland en aangrenzende gebieden.
Album Grootaers, 1950.
Album Edgar Blancquaert, 1958.
H.L. Bezoen, Het historisch onderzoek van de landstaal, Tijdschrift voor Geschiedenis, 56.
L. Grootaers - K. Heeroma, Het dialectonderzoek in verleden en toekomst, 1956.
K. Heeroma - K. Fokkema, Structuurgeografie, 1961.
A. Weijnen, Betekenis en mogelijkheden der heemtaalkunde, 1939.
A. Weijnen, De Nederlandse Dialecten, 1941.
A. Weijnen, Wezen en waarde van het dialect, 1948.
A. Weijnen, Dialectologie en fonologie, Album Grootaers 1950.
A. Weijnen, De Dialecten, in G.J.A. Mulder, Handboek der Geografie van Nederland ii, 1951.
A. Weijnen, De oriëntatie van de dialectstudie, 1958.
A. Weijnen, Het bewustzijn van dialectverschil, 1961.
A. Weijnen, Nederlandse Dialectkunde, 2e druk 1966.
J. Schrijnen, Benrather-, Uerdinger- en Panninger-linie, Ts. 21.
25 Jaar Dialectbureau, 1955.
E. Blancquaert, Na meer dan 25 jaar dialect-onderzoek op het terrein, 1948.
[p. 332]
H. Entjes - C.B. van Haeringen, De school tussen dialect en cultuurtaal, 1954.
H. Arink, Provincialismen in het Oosten, Driem. Bl. 3.
P.C. Paardekooper, ABN en Dialekt, Den Bosch, z.j.
G. Kloeke, Over provincialismen, Driem. Bl. 3.
G. Kloeke, Een oud sjibboleth: de gewestelijke uitspraak van ‘heeft’, Verhandelingen van de Kon. Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, N.R. lviii, no. 1.
B.W. Schippers, Taal en spraak in stad en streek, 1961.
A. Sassen, Endogeen en exogeen taalgebruik, N. Tg. 56.

 

Invloed van vreemde talen op het Nederlands

A. Kluyver, Het Nederlands en de wereldtalen, 1924.
J.A. Huisman, Het Nederlands tussen dialect en wereldtaal, 1965.
J. van Dam, Nederlands en Duits, Lev. T. 145.
E. Kruisinga, Nederlands en Duits, 1947.
C.B. van Haeringen, Nederlands tussen Duits en Engels, 1956.
C. Soeteman, Het Nederlands, een dialect van het Duits?, 1956.
W. de Vries, Overneming uit verwante spraak, N. Tg. 32.
B.W. Schippers, Welkome en ongewenste ‘vreemdelingen’, 1959.
K. Heeroma, De erfenis van het Latijn, in Algemene aspecten van de grote cultuurtalen, 1956.
K. Heeroma, Das Lateinische Erbe, Eckart Jahrbuch 1961/62.
G. Royen, Latijn en Grieks dat wij allen spreken, 1954.
M.A. Schwartz, Vreemde woorden. Griekse en Latijnse woordelementen in het Nederlands verklaard en toegelicht, 1956.
J. Salverda de Grave, De Franse woorden in het Nederlands, 1906.
C.B. van Haeringen, Romaanse invloed door Zuidnederlandse bemiddeling, N. Tg. 28 en Neerlandica.
C.B. van Haeringen, Herverfransing, 1957 en Gramarie.
J.A. Huisman, Germaanse repatrianten in de Nederlandse woordenschat, Annalen van het Thijmgenootschap 46.
C.G.N. de Vooys, Engelse invloed op de Nederlandse woordvoorraad, 1951.
C. Kostelijk, Hallo, Lev. T. 214.
M.J.G. de Jong, Het kostelijk(e) woord ‘Hallo’, Lev. T. 215.
C. de Deugd, Is ‘Hallo’ van Engelse oorsprong?, Lev. T. 215.
R.W. Zandvoort, English in the Netherlands, 1964.
C.G.N. de Vooys, Duitse invloed op de Nederlandse woordvoorraad, 1946.
C.B. van Haeringen, Duits en Nederlands, N. Tg. 50.
C. van Dam, De Spaanse woorden in het Nederlands, Bundel Opstellen - De Vooys.
C.F.A. van Dam, Een hispanisme in het Nederlands, N. Tg. 54.
J.J. Poelhekke, Naar aanleiding van ‘Een hispanisme in het Nederlands’, N. Tg. 54.
C.A. Zaalberg, De taalleraar als taalpoliticus, 1960.
J. Bartels, Het gebruik van de moedertaal in het tegenwoordige bedrijfsleven, Lev. T. 213.
J. Bekets, Taalverhoudingen op regeringsvlak, Wetenschappelijke Tijdingen, juni 1961.
D.J. Rueb, De vreemde talen in het tegenwoordige bedrijfsleven, Lev. T. 213.
[p. 333]

Hoofdstuk II. Foniek en accent

Foniek, algemeen

Zwaardemaker - Eykman, Leerboek der Phonetiek, 1928.
N. van Wijk, Moderne studie der taalsystemen en ouderwetse linguistiek, N. Tg. 24.
A.W. de Groot, De wetten der phonologie en hun betekenis voor de studie van het Nederlands, N. Tg. 25.
A.W. de Groot, Phonologie en phonetiek, N. Tg. 25.
N. van Wijk, De moderne phonologie en de omlijning van taalkategorieën, N. Tg. 26.
A.W. de Groot, De Phonologie van het Nederlands, N. Tg. 26.
N. van Wijk, Morphonologie, N. Tg. 28.
N. van Wijk, Analogie en phonologisch systeem, N. Tg. 29.
N. van Wijk, Positieve en negatieve opmerkingen over de definitie van phoneem, N. Tg. 30.
N. van Wijk, Phonologie, 1939 (fotomechanische herdruk 1965).
N. van Wijk, Parallellisme tussen ‘phonologie’ en ‘grammatica’, N. Tg. 33.
J. van Ginneken, De grondslagen der phonologie, O.T. 9.
E. Kruisinga, Fonetiek en Fonologie, T. en Lev. 1943.
A. Weijnen, Morphologisch gekenmerkte phonemen, Ts. 63.
L. Kaiser, Phonetiek, 2e druk 1964.
A. Teeuw, Een nieuwe ontwikkeling in de fonologie: het werk van Roman Jacobson, N. Tg. 47.
F. Balk-Smit Duyzentkunst, De betekenis van de phonologie voor de linguistiek, N. Tg. 48.
L. Eykman, Phonetiek van het Nederlands, 2e druk bezorgd door M. Knoop, 1955.
K. Heeroma, Taalkunde en fonetiek, N. Tg. 50.
C.B. van Haeringen, Fonetiek en taalkunde, N. Tg. 51.
L. Kaiser, Manual of Phonetics, 1957.
A. Cohen e.a., Fonologie van het Nederlands en het Fries, 2e druk 1961.
J.'t Hart, Fonetische steunpunten, N. Tg. 62.
B.v.d. Berg, Foniek van het Nederlands, 6e druk 1972.
H. Hermkens, Fonetiek en Fonologie, 1968.
Clara N. Bush, Phonetic variation and acoustic distinctive features, 1964.

 

Assimilatie

L. Eykman, Assimilatie, N. Tg. 27.
G.L. Meinsma, Assimilatie en assimilatie-onderzoek, T. en T. 10.
L.C. Michels, Assimilatie, een kwestie van terminologie, N. Tg. 50.
A. Verdenius, Anticipatie- en perseveratieverschijnselen, De Gids 1944.
W. Pée, Regressieve of progressieve assimilatie?, in Miscellanea J. Gessler.
L. Kaiser, Onderzoek naar assimilatieverschijnselen, Album Blancquaert 1958.
P.C. Paardekooper, Assimilatie, N. Tg. 53.
K. Heeroma, Wat is assimilatie?, N. Tg. 54.
A. Weijnen, Contactdissimilatie of analogie?, Ts. 63.
C.B. van Haeringen, Is tat juist, op tie manier, T. en T. 7 en Gramarie.
G. Kloeke, Op tie manier, is tat algemeen Hollands?, Ts. 74.
[p. 334]

Diverse over fonetiek en fonologie

B.v.d. Berg, Naar aanleiding van de o's van P.C. Hooft, Ts. 75.
B.v.d. Berg, Morfeem en foneem, N. Tg. 48.
E. Blancquaert, Occlusief, explosief, etc., Album Dr. Louise Kaiser 1951.
R.C. Boer, Syncope en consonantengeminatie, Ts. 37.
B. van Danzig, De korte o-klanken in het Nederlands, 1940.
J. van Ginneken, De correlatie van harde en weke medeklinkers in oud- en nieuw-Nederlands, O.T. 3.
J. van Ginneken, De tweeklanken of diphthongen, O.T. 6.
J. van Ginneken, Gedekte en ongedekte klinkers, O.T. 10.
A.W. de Groot, Neutralisation d'oppositions, Neophilologus 25.
C.B. van Haeringen, ‘Spelling pronunciations’ in het Nederlands, N. Tg. 31 en Neerlandica.
C.B. van Haeringen, Over z.g. ‘paragogische’ consonanten in het Nederlands, N. Tg. 32 en Neerlandica.
C.B. van Haeringen, V en W, N. Tg. 37.
C.B. van Haeringen, De plaats van ie, oe en uu in het Nederlandse klinkerstelsel, Album Blancquaert 1958 en Gramarie.
K. Heeroma, De korte o-klanken in het Nederlands, N. Tg. 35.
K. Heeroma, De ie als plus-foneem van de reductievocaal, Ts. 77.
K. Heeroma, Nasalering en mouillering, N. Tg. 52.
K. Heeroma, De plaats van ie, oe en uu in het Nederlandse klinkersysteem, N. Tg. 52.
W. Hellinga, De wordingsgeschiedenis van de phonemen van het Nederlands Beschaafd, O.T. 10.
W. Hellinga, De geschiedenis van de bilabiale w, N. Tg. 37.
E. Kruisinga, Vokaal en konsonant, N. Tg. 4.
E. Kruisinga, Begin en eind van Nederlandse woorden, T. en Lev. 2.
E. Kruisinga, De medeklinkers in de bouw van onze woorden, T. en Lev. 3.
L.C. Michels, Het woord ‘koningin’ als structureel probleem, N. Tg. 55.
N. Morciniec, De plaats van de reductievocaal in het Nederlandse foneemsysteem, N. Tg. 56.
P.C. Paardekooper, De weke tˆ als Nederlands foneem, N. Tg. 38.
P.C. Paardekooper, De foneemwaarde van de svarabhakti-vocaal, N. Tg. 42.
P.C. Paardekooper, De lettergreep en zijn begrenzing, N. Tg. 42.
H. Roose, De pauze als taalteken, N. Tg. 53.
J. Schrijnen, De anlautende schr- in het A.B., O.T. 3.
C.F.P. Stutterheim, Eenheid, tweeheid en drieheid van tweeklanken, F.d.L. 1962.
A. Verdenius, Uit de geschiedenis van de bilabiale w in het Nederlands, N. Tg. 24.
M. de Villiers, Die oor as faktor in klankverandering, N. Tg. 54.
M. de Villiers, Pseudo-affikse en ander morfonologiese verskijnsels, N. Tg. 57.
W. de Vries, Iets over vocaalquantiteit, Ts. 26.
W. de Vries, Metathesis van korte vocaal tussen r en dentaal, Ts. 28.
W. de Vries, Naar aanleiding van bilabiale w, N. Tg. 24.
N. van Wijk, De plaats der tweeklanken ei, ou en ui in het Nederlandsche phonologische systeem, N. Tg. 33.
[p. 335]
N. van Wijk, ‘Silbenschnitt’ en quantiteit, O.T. 9.
N. van Wijk, Klinker en medeklinker, N. Tg. 34.
N. van Wijk, Scherp en zwak gesneden klinkers, N. Tg. 35.

 

Accent

B.v.d. Berg, De accentuatie van Nederlandse samenstellingen en afleidingen, N. Tg. 46.
A.S. Bijl, Opmerkingen over de klemtoon in Nederlandse Plaats- en Straatnamen, N. Tg. 10.
B. Ernć, Eenheidsklemtoon in samenstellingen, N. Tg. 42.
Fransen, Tegenstrijdigheden bij woord- en zinsbetoning, in Miscellanea J. Gessler.
J. van Ginneken, Accent, N. Tg. 4.
A.W. de Groot, De Nederlandse zinsintonatie in het licht der strukturele taalkunde, N. Tg. 37.
L.J. Guittart, De intonatie van het Nederlands, 1925.
K. Heeroma, Klemverschuiving bij samengestelde woorden, N. Tg. 42.
D.C. Hesseling, Iets over nadruk, N. Tg. 4.
R.A. Kollewijn, Spelling, klemtoon, interpunctie, T. en Lev. 4.
M. Ostendorf, Functie en accent, N. Tg. 46.
G. Overdiep, Zinsklankvorm en intonatie, O.T. 5.
P.C. Paardekooper, De verhouding spraak - taal, N. Tg. 43.
G. Royen, Intonatie en gramm. functie in het Nederlands, 1952.
M. Schönfeld, Iets over het woordaccent, N. Tg. 17.
W. Simons, Waarde-accent en spraakkunstbegrip, N. Tg. 38.
Smit, Accentverschuiving in het Nederlands, T. en Lev. 1942.
Z. Stokvis, Opmerkingen over de klemtoon in Nederlandse plaats- en straatnamen, N. Tg. 10.
C.F.P. Stutterheim, Functie en intonatie, N. Tg. 46.
J. Schrijnen, De klemtoon in Nederlandse plaats- en straatnamen, N. Tg. 10.
J. Schrijnen, Klemtoonverschuiving in plaatsnamen, N. Tg. 11.
J. Wils, Pleidooi voor het accent, Album Kaiser.
N. van Wijk, Een opmerking over Nederlandse accentverschuivingen, N. Tg. 14.
N. van Wijk, Quantiteit en intonatie, Med. Ned. Ak. van Wet., N.R. afd. Letterkunde III, no. 1.
[p. 336]

Hoofdstuk III. Woordleer

§ 50

P.A.M. Seuren, Het probleem van de woorddefinitie, TS 82 (1966).
R. Eeckhout, Naar lexicale bouwregels of een woordvormings-subcomponent, N. Tg. 65.

 

§ 52

A.J.J. de Witte, Semantemen, N. Tg. 49.
J. Vergote, Semantemen en morphemen, N. Tg. 49.

 

§ 54

G. Royen, Buigingsverschijnselen in het Nederlands, 4 dln., 1947-'54.
G. Overdiep, Vorm, betekenis en functie van woorden, N. Tg. 20.
H. Schultink, Productiviteit als morfologisch fenomeen, F.d.L. 1961.
H. Buiskool, Over het ontstaan en de vorming van nieuwe woorden, 2e druk 1942.
G.J. Uitman, Woordvorming in ambtelijke taal, Lev. T. 195.

 

§ 57

J. van Lessen, Samengestelde naamwoorden in het Nederlands, 1928.
J. van Lessen, Iets over verbindingsklanken in samenstellingen en afleidingen, Onze Taal, 1943.
G. Overdiep, De samenstelling als korte taalvorm in de krant, O.T. 1.
C.B. van Haeringen, Ingekorte samenstellingen, N. Tg. 41 en Gramarie.
F. Jansonius, Samenstellingen of pseudo-samenstellingen, N. Tg. 59.
F. Mars, Concentratietendenties, N. Tg. 61.

 

§ 67

C.B. van Haeringen, Bij en om het prefix her-, N. Tg. 55.
H. Schultink, De bouw van nieuwvormingen met her-, Ts. 80.

 

§ 69

G. Royen, Studies over Nederlandse suffixen, T. en Lev. 1941.
L.C. Michels, Woordwording van affixen, N. Tg. 50.
C.B. van Haeringen, -Aar of -er, N. Tg. 44 en Gramarie.
B. Hesseling, De woorden op -loos, N. Tg. 2.
J.J.M. Bakker, Chambrette, N. Tg. 54.
Th. Oudkerk-Pool, Nog eens -ette, N. Tg. 54.
C.B. van Haeringen, Het achtervoegsel -ing: mogelijkheden en beperkingen, N. Tg. 64.

 

§ 73

L.C. Michels, Over de z.g. letterwoorden, N. Tg. 47.
J.J. Mak, Letterwoord en/of verkorting (afkorting?), N. Tg. 59.
J.J. Mak, Taal en spel, N. Tg. 60.
G.J. Steenbergen, Letterwoord, initiaalwoord, verkorting, afkorting, N. Tg. 60.

 

§ 78

C.G.N. de Vooys, De z.g. tussenwerpsels, N. Tg. 24.
M.J. Langeveld, De z.g. tussenwerpsels, N. Tg. 25.
[p. 337]
A. Verdenius, Interjecties op drift, N. Tg. 35.
F.G. Droste, Het stiefkind onder de woordsoorten: de interjectie, Lev. T. 211.
M.C. van den Toorn, De interjectie als woordsoort, N. Tg. 53.
A.W. de Groot, De interjectie, in De Groot Studies, 1963.

 

§ 83

C.B. van Haeringen, De meervoudsvorming in het Nederlands, 1947.
C.B. van Haeringen, Naamvallen bij eigennamen van personen en bij verwantschapsnamen, N. Tg. 40 en Neerlandica.
P.C. Paardekooper, Het getal als grammaticale categorie in het A.B.N., N. Tg. 44.
W.H.M. Mattens, De indifferentialis, een onderzoek naar het anumerieke gebruik van het substantief (...), 1970.

 

§ 95

R.A. Kollewijn, De geschiedenis van de geslachten der zelfstandige naamwoorden in het Nederlands, 1892.
J. Naarding, Het geslacht der koppelingen met ontwerp, N. Tg. 54.
G. Worgt, Het genus van deksel, N. Tg. 58.
M.J. Langeveld, Abstrakt en konkreet, N. Tg. 26.
J.E. van der Laan, Abstrakt en konkreet, N. Tg. 26.
H. Roose, Voorstudie tot een classificatie van substantieven, in De Groot Studies, 1963.

 

§ 103

E. Kruisinga, De vorm van de verkleinwoorden, N. Tg. 9.
W. de Vries, De verkleinuitgangen in het Nederlands, Ts. 43, 44, 45, 46, 47 en 49.
E. Kruisinga, Diminutieve en affectieve suffixen in de Germaanse talen, 1942.
C.B. van Haeringen, Concentratie door diminuering, N. Tg. 45 en Gramarie.
A. Cohen, Het Nederlandse diminutiefsuffix; een morfonologische proeve, N. Tg. 51.
C.B. van Haeringen, Participia praeverbalia, N. Tg. 42 en Gramarie.
J. van Lessen, Bestaan er participia praeverbalia?, N. Tg. 43.

 

§ 128

K. Heeroma, De telwoorden, N. Tg. 41.
D.C. Tinbergen, Nog enkele opmerkingen over telwoorden, N. Tg. 42.
K. Kooiman, Het telwoord bij namen van vorsten en pausen, N. Tg. 42.
C.B. van Haeringen, Een paar aantekeningen bij telwoorden, N. Tg. 42.
C.B. van Haeringen, Zeventig maal zeven maal, N. Tg. 56.

 

§ 129

E. Kruisinga, Met z'n achten, T. en Lev. 1943.

 

§ 143

J. van Ginneken, De tijden van het werkwoord, N. Tg. 5.
J.M. Acket, De tijden der werkwoorden, N. Tg. 6.
W. de Vries, Losse opmerkingen over het werkwoord, N. Tg. 20.
C.B. van Haeringen, De hoofdvormen van het Nederlandse werkwoord, N. Tg. 43 en Gramarie.
P.C. Paardekooper, De tijd als spraakkunstgroep in het A.B.N., N. Tg. 50.
F.G. Droste, Het temporele stelsel in het moderne Nederlands, N. Tg. 51.
[p. 338]
A. Verdenius, Congruerende imperatieven, N. Tg. 34.
P.C. Paardekooper, De imperatief als grammatische categorie in het A.B.N., N. Tg. 44.
F.C. Driessen, Imperativus voor praeteritum, N. Tg. 26.
G. Overdiep, Een opmerking over het Nederlandse perfectum, N. Tg. 17.
C.B. van Haeringen, De taaie levenskracht van het sterke werkwoord, N. Tg. 34 en Neerlandica.
G. Royen, Taaie onregelmatigheid, N. Tg. 35.

 

§ 168

G. Overdiep, Over het Nederlandse participium praesens, Ts. 36 en 44.
J.H. Kern, De met het participium praeteriti omschreven werkwoordvormen in het Nederlands, 1912.
K. Kooiman, Enige opmerkingen over het verleden deelwoord, T. en T. 1.
F. Buitenrust Hettema, Causatieven en nog wat, T. en Lett. 2.

 

§ 177

P.C. Paardekooper, Verstoffelijking van schimonderwerpen, N. Tg. 60.
Ph.J. Simons, Lege voornaamwoorden, N. Tg. 14.

 

§ 180

E. Kruisinga, Onze persoonlijke voornaamwoorden, N. Tg. 33.
F.G. Droste, Structuurverhoudingen in de categorie van het pronomen personale, Ts. 78.
J.A. vor der Hake, De aanspreekvormen in het Nederlands 1, 1908.
J.W. Muller, Bijdrage tot de geschiedenis onzer Nieuwnederlandse aanspreekvormen, N. Tg. 20.
M.C. van den Toorn, De herkomst van het enklitische pronomen ie, resp. die/tie, N. Tg. 52.
R.A. Kollewijn, We, je en ze als onbepaald voornaamwoord, T. en Lett. 4.
J.H. Kern, Jou deugniet, Ts. 46.
G. Karsten, Hem en hun als onderwerp, N. Tg. 33.
J. Hoogteijling, De syntactische valentie van ‘het’, N. Tg. 58.

 

§ 196

Ph.J. Simons, Is het zwaktonige die een aanwijzend of een persoonlijk voornaamwoord?, N. Tg. 3.

 

§ 207

Gunnar Bech, Ueber das niederländische Adverbialpronomen er, 1952.

 

§ 214

T. Terwey, Over de onderscheiding der partikels, T. en Lett. 3.

 

§ 226

P.C. Paardekooper, Behalve als zn-patroondeel, N. Tg. 59.
M.C. van den Toorn, Balansschikking en disjunctie, N. Tg. 65.

 

§ 232

M.A. Schenkeveld-Van der Dussen, Dan en als bij vergelijkingen, N. Tg. 56.
J. de Rooy, Als - of - dat, enkele conjuncties in het A.B.N., dialect en Fries, 1965.
[p. 339]

§ 237

P.C. Paardekooper, Voor- en achterzetsels, N. Tg. 52.
C.P. van Geffen, De locale voorzetsels in het Nederlands, in De Groot Studies, 1963.

 

§ 243

Ph.J. Simons, Lessen over het lidwoord, N. Tg. 4.

Hoofdstuk IV. Woordgroepsleer

§ 247

B.v.d. Berg, Woordgroepproblemen, N. Tg. 53, 54 en 55.
F.G. Droste, Woordgroepstructuur en betekenis, N. Tg. 53.
A.W. de Groot, Structurele syntaxis, 1949.
H.F.A. van der Lubbe, Woordvolgorde in het Nederlands, 1958.
P.C. Paardekooper, Syntaxisonderwijs in I Gym, Lev. T. 198.
M.C. van den Toorn, Bedoelen en verstaan; de aard van het syntactisch verband, N. Tg. 59.

 

§ 253

F.G. Droste, Enige structuurtypen in de nominale woordgroep en hun semantische achtergrond, Lev. T. 202.
A.W. de Groot, Woord of woordgroep, N. Tg. 38.
P.C. Paardekooper, Jan z'n boek, N. Tg. 45.
P.C. Paardekooper, Die drie kilo andijvie, N. Tg. 45.
P.C. Paardekooper, Een schat van een kind, N. Tg. 49.
P. van Caspel, Een schat van een (niet meer zo jong) kind, N. Tg. 63.
Lieven Rens, Over woordgroepen van het type ‘Vaders viool’, N. Tg. 60.
J. van Roey, Attributief gebruikte substantieven in het Nederlands, Lev. T. 233.
H. Roose, Substantief plus substantief, N. Tg. 51.
H. Roose, Over kern en bepaling, N. Tg. 52.
H. Roose, Kategorieën van voorgeplaatste bepalingen bij substantieven, Lev. T. 186.
A. Sassen, Een ontspoorde woordgroep?, 1959.
E.M. Uhlenbeck, Substantief + substantief in Modern Algemeen Nederlands, N. Tg. 59.
P. Paardekooper, Zn + zn: is dat 'n goeie begrenzing, N. Tg. 63.

 

§ 265

B.v.d. Berg, De plaats van het hulpwerkwoord in de voltooide tijden in de Nederlandse bijzin, T. en T. 1.
L. Koelmans, Iets over de woordorde bij samengestelde predikaten in het Nederlands, N. Tg. 58.
L. Koelmans, Zinnen met aanloop in het Nederlands, N. Tg. 63.
J.L. Pauwels, De plaats van hulpwerkwoorden, verleden deelwoord en infinitief in de Nederlandse bijzin, Leuven 1953.
A.G.F. van Holk, Subcategorieën van het werkwoord, in De Groot Studies, 1963.
J.H.Th. Lambooy, De korte infinitief, in De Groot Studies, 1963.
[p. 340]

§ 295

P.C.Paardekooper, Voorzetseluitdrukkingen, N. Tg. 55.

 

§ 296

R.A.Kollewijn, Het tegenstellend zinsverband in nevengeschikte zinnen, T. en Lett. 1.
P.C.Paardekooper, Persoonsvorm en voegwoord, N. Tg. 54.
H.Roose, Nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden, N. Tg. 51.

 

§ 302

L.C. Michels, Infinitief met ‘te’, N. Tg. 57.

 

§ 303

B.v.d. Berg, De zinsbouw in het Nederlands, N. Tg. 42.
B.v.d. Berg, Sanering van de zinsontleding, N. Tg. 50.
B.v.d. Berg, Onderzoekingen betreffende de zinsbouw in het Nederlands, 1963.
B.v.d. Berg, Vergelijking van enkele Nederlandse en Franse zinspatronen, N. Tg. 57.
F.G. Droste, Terminologische moeilijkheden bij ‘de zin’, N. Tg. 54.
P.C. Paardekooper, Moeilijkheden bij terminologische moeilijkheden bij ‘de zin’, N. Tg. 59.
P.C. Paardekooper, Een foute zinsbegrenzing, Lev. T. 214.
E.M. Uhlenbeck, Traditionele zinsontleding en syntaxis, Lev. T. 193.
J. van Alphen, De vraagzin, N. Tg. 8.
G. Overdiep, Inversie in de hoofdzin, O.T. 5.
A.C. Bouman, Over ongemotiveerde inversie, N. Tg. 16.
P.J. Merckens, De plaats van de persoonsvorm: een verwaarloosd codeteken, N. Tg. 53.
F.L. Zwaan, Scheidbaarheid van onderwerp en persoonsvorm, N. Tg. 54.
C.B. van Haeringen, Vragen over de vraag, Gramarie.

 

§ 311

C.B.van Haeringen, ‘Tangconstructies’ en reacties daarop, N. Tg. 40.
Maria A.F. Ostendorf, De tangconstructie als syntactisch stramien, N. Tg. 51.
F.L. Zwaan, Gevonden heeft hij het boek niet, Lev. T. 234.
P.C. Paardekooper, Stommeling dat je bent, N. Tg. 56.

 

§ 321

D. Haagman, Subject en object, N. Tg. 10.

 

§ 327

G.P. Bos, ‘Dat zijn kooplieden’. N. Tg. 54.
P.J. Merckens, Zijn dat kooplieden of zijn kooplieden dat?, N. Tg. 54.
F.G. Droste, Kooplieden in het geding, N. Tg. 54.
H.Th. Kok, Afdoende argumenten?, N. Tg. 54.
L.C. Michels, Op de grens van copula en hulpwerkwoord, T. en T. 11.
P.C. Paardekooper, Wijlen ons koppelwerkwoord?, Lev. T. 193.
H.Roose, Wijlen ons koppelwerkwoord?, Lev. T. 195.
P.C. Paardekooper, Koppelwerkwoorden met iemand hebben, Lev. T. 198.
R.P. Boone, De constructie copula met predicaatsnomen, in De Groot Studies, 1963.
T. Terwey, Onderwerps- of gezegdezinnen, T. en Lett. 2.
M.C. van den Toorn, Het naamwoordelijk gezegde, Lev. T. 232.
R. Vos, Over het werkwoordelijk en het naamwoordelijk gezegde, N. Tg. 61.
[p. 341]

§ 331

E. Wellander, Over den datief als subject van een passieve constructie, N. Tg. 14.
F.G. Droste, De structuur van de woordgroep in de zgn. accusativus-cum-infinitivogroep, Ts. 76.

 

§ 344

Th. Janssen, De (vrije) predikatieve toevoeging en de bepaling van gesteldheid, N. Tg. 63.
M.C. van den Toorn, De bepaling van gesteldheid, N. Tg. 62.

 

§ 346

T. Terwey, Over de z.g. bijzinnen met of, T. en Lett. 2.
G.F. Bos, Een verwaarloosd zinstype, in De Groot Studies, 1963.

 

§ 349

F.L. Zwaan, De ‘tussenzin’, Lev. T. 230.
J.M. Reinders, Kern met appositie, in De Groot Studies, 1963.

 

§ 353

B. Jager, De bijstelling, N. Tg. 61.

 

§ 361

E. Kruisinga, Als en dan na de comparatief, T. en Lev. 1943.
P.C. Paardekooper, Als en dan bij vergelijkingen, N. Tg. 43.

Hoofdstuk V. Semantica

A. Bosker, Het gebruik van het imperfectum en het perfectum in het Nederlands, het Duits en het Engels, 1961.
F.G.Droste, Aspecten en Aktionsarten in het Nederlandse verbale systeem, in Uit de school van Michels 1958.
F.G.Droste, Taal en betekenis, Den Haag-Brussel 1967.
C.B.van Haeringen, Ironie in woordbetekenis, Neerlandica.
W.van Helten, Over begripswijziging der woorden (semasiologie), Ts. 32.
A.Kluyver, Over modaliteit, N. Tg. 5.
W.Kramer, Synaesthesie als stijlverschijnsel, N. Tg. 26.
H.Roose, Primair en secundair gebruik, N. Tg. 60.
G.Royen, Kontaminatie, T.T.L. 6, 7, 8 en 9.
G.Royen, Bijgedachten en botsingen in taal, 1939.
C.F.P.Stutterheim, Het begrip modaliteit, N. Tg. 24.
C.F.P.Stutterheim, Het begrip methaphoor, 1941.
C.G.N.de Vooys, De gevoelswaarde van het woord, N. Tg. 1.
C.G.N.de Vooys, Iets over zgn. volksetymologie, N. Tg. 2.
C.G.N.de Vooys, Iets over de methaphoor, N. Tg. 4.
C.G.N.de Vooys, Eufemisme, N. Tg. 14.
C.G.N.de Vooys, Homoniemen, -vrees, -vermijding, N. Tg. 33.
C.G.N.de Vooys, Inleiding tot de studie van de woordbetekenis, 2e druk 1943.
N.van Wijk, ‘AspectenAktionsart,’ N. Tg. 22.
[p. 342]

Hoofdstuk VI. Voornaamwoordelijke aanduiding en spelling

Woordenlijst van de Nederlandse Taal, 1954.

 

Voornaamwoordelijke aanduiding

C.B. van Haeringen, Genus en geslacht, 1954.
G. Royen, Vervanging en aanduiding, N. Tg. 27.
G. Royen, Pronominale problemen in het Nederlands, 1935.
C.F.P. Stutterheim, Voornaamwoordelijke misstappen en misverstanden, 1956.
C.G.N. de Vooys, De voornaamwoordelijke aanduiding en vervanging, N. Tg. 29.
C.G.N. de Vooys, Uit de praktijk van de voornaamwoordelijke aanduiding, N. Tg. 31.

 

Spelling

J.Berits, Honderd jaar spellingstrijd, 2e druk 1964.
J.H.van den Bosch, Over interpunksie; grondtrekken voor het taalonderwijs, N. Tg. 1.
H.E.Buiskool, De nieuwe spelling, 1955.
H.M.Hermkens, Spelling en interpunctie, 1969.
A.Cohen en A.Kraak, Spellen is spellen is spellen, 1972.
R.A. Kollewijn, Opstellen over spelling en verbuiging, 1916.
R.A.Kollewijn, Nederlandse spelling, geslacht en verbuiging, 1942.
E.Kruisinga, De spellingkwestie en de taalwetenschap, T. en Lev. 1942.
J.v.d.Meulen, Spellinginstructie en woordverklaring, 1955.
L.C.Michels, Het nut van aanhalingstekens, N. Tg. 57.
J.L.Pauwels, Toelichting bij de nieuwe Woordenlijst van de Nederlandse Taal, 1954.
C.G.N.de Vooys, Opmerkingen over theorie en praktijk van interpunctie, N. Tg. 31.
C.G.N.de Vooys, Uit de geschiedenis van de Nederlandse spelling, N. Tg. 34.
J.Wille, Taalbederf door de school van Kollewijn, 1935.

prepostterug  begin  verder