terug  begin  prepost
[p. 343]

Register

aaneenschakelend 183 272
aan het + infinitief 244
aanloop 226 238
aanspreking 239 243
aantonende wijs 134 140 294
aanvoegende wijs 133 140 143
aanwijzend voornaamwoord 163 169 170
aanzetstuk 41
aardrijkskundige namen 110 317
ABN 20
abstracta 99 110 111
accent 60
accentverhoudingen 237
achterklinkers 43
achtervoegsel 80
overzicht van de -s 83
actief 243
actitief 131 146
adhortatief 143
adjectief 115
adjectiefsgroep 192 199 233 235 259 260
adverbiaal gebruik van superlatief 121
adverbium 172
aferesis 58
affix 79
afhankelijke zin 262
afkkappingsteken 322
afkorting 91
afkortingsteken 323
afleiding 73 79
afleiding van het zelfst. nw. 111 112
afleiding van het bijv. nw. 120 122
afleiding van het werkwoord 147-149
afleiding van het telwoord 128
accent in -en 64
Afrikaans 26
afstandassimilatie 56
Aktionsart 290
al 169 173 194 212 233 239 263 274
Algemeen Nederlands 25
Algemeen Nederlands en dialect 20
aliënisme 31
alle 127 261
alleen 170 261
allemaal 169 170 235 261
alles 169
als 179 180 181 183 231 232 260 263 266 274 275
alsmede 179 180 181
alsook 181
alveolum 47
alvorens 185
AN 20
ander 167
anders 212
Angelsaksisch 18
anglicisme 31
antwoordzin 274
apocope 65
apostrof 322
appositie 266
appositionele genitief 102
appositionele samenstelling 75
archaïsme 32
archifoneem 59
articulatieplaats 46
artikel 186
aspect 289
assimilatie 54 65
attributief gebruik van deelwoordsgroep 221
attributieve genitief 101
attribuutdragend 59
attribuutloos 59
barbarisme 31
bastaardwoorden 318
beginfoneem 60
beginstuk 226
beginstuk van de bijzin 228
beginstuk van de hoofdzin 227 228
beginstuk tegenover middenstuk 236 237 238
behalve 179 180 181
beide 127 261
beleefdheidsvorm
[p. 344]
beleefdheidsvorm van pers. vnw. 2e pers. 154
beleefdheidsvorm van bez. vnw. 2e pers. 157
beletselteken 324
benevens 181
Benratherlinie 21
bepaling 193 256
van gesteldheid 213 256 257 259 261
van identificatie 196
van specificatie 195 199 202 241
onderlinge rangorde van -en 201
bepalingaankondigend vnw. 159 160 171
beperkende tegenstelling 272
beperkende bijv. bijzin 197 323
betekenis 279
betekenis van bijw. bepalingen 258
betekenis van lidwoorden 187 188
betekenis van tussenwerpsels 95
betekenis van voegwoorden 183
betekenisgroepen
betekenisgroepen onder de bijv. nw. 123
betekenisgroepen onder de bijwoorden 176
betekenisgroepen onder de werkw. 146
betekenisgroepen onder de zelfst. nw. 110
betekenisisolering 116 120 123 167 246 285
betekenisisolering in verkleinwoorden 112
betekenisspecialisering 285
betekenisverdichting 285
betekeniswijziging 284
betrekkelijk voornaamwoord 159 161 163 165 171
bevestigende zin 224
bezittelijk voornaamwoord 156 195
bezittelijk voornaamwoord plus superlatief 157
bilabiaal 50
bijbelse genitief 101
bijstelling 214 233 266
bijstelling tegenover bep. van identificatie 196
bijstellingsgenitief 102
bijvoeglijke bepaling 262
bijvoeglijke bepaling tegenover voorzetselvoorwerp 255
bijvoegelijke bijzin 197
bijvoeglijk naamwoord 115 194 199 212 215 216 235 244 259 260
bijvoeglijk naamwoord niet bruikbaar als voorbepaling 118
bijvoeglijk naamwoord niet predikatief bruikbaar 119
bijvoeglijk naamwoord zonder vorm op -e 117
bijvoeglijk naamwoord tegenover bijwoord 172
zie adjectiefsgroep
bijwoord 128 150 170 172 182 196 199 201 212 213 215 216 235 256
bijwoord of voegwoord 182
bijwoord als eerste zindsdeel 174
bijwoord tegenover bijvoeglijk naamwoord 172
bijwoord tegenover bijvoeglijk naamwoord van graad 199
bijwoord tegenover bijvoeglijk naamwoord van hoedanigheid 199
bijwoord tegenover bijvoeglijk naamwoord in valentie van bijv. nw. 174 175
bijwoord tegenover bijvoeglijk naamwoord tegenover voornaamwoord 151
bijwoord tegenover bijvoeglijk naamwoord tegenover bepaling van gesteldheid 257
bijwoordelijke bepaling 256
bijwoordelijke bepaling of voorzetselvoorwerp 253
bijwoordelijke uitdrukking 176
bijwoordsgroep 192 213 217 235 256 260
bijzin 213 214 217 223 224 232 239 241 244 247 251 254 256 265
zinsvalentie van de - 225
bijzin tegenover hoofdzin 225
bijzin achter onderschikkend voegwoord 229
borsttoon 39
breuk in de intonatie 232
causaal 258
casus 103
casusvormen 104
causatief 147
collectivum 110
combinatorische variant 58
comparatief 118 120 176
omschreven - 121
geïsoleerde - 121
concessief 258
concentratie 285
concretum 111
conditionalis 295
conditioneel 258
[p. 345]
congruentie onderwerp - persoonsvorm 235 240 241
congruerende imperatief 134
coniugatie 80
coniunctie 178
consecutief 258
consonanten 40
constructie 192 198 216
constructie met te + infinitief 192 209 213 216 217 221 232 235 241 244 247 254
constructie met te + infinitief voorgeplaatst tegenover achtergeplaatst 198
syntactische valentie van - 222
contaminatie 288
continuatieve bijv. bijzin 197
contrastaccent 62
copula 244
copulatieve samenstelling 75
correlatiereeks 59
cultuurtaal 17 21
dalend accent 61
dalende diftong 45
dan 183 231 232 274 275
dat 163 182 183 195 231 241 247 253 266 302
dat tegenover wat 162
datgene 159
datief 102 118
datief van lidwoorden 188
datief van pers. vnw. 156
datief van bez. vnw. 156
datief van die 164
datief van deze 164
datzelfde 195
declinatie 80
deelteken 322
deelwoord 146 194 260
deelwoordconstructie 192 201 202 216 218 260
deelwoordconstructie in antwoordzinnen 220
deelwoordsgroep 194 219
deflexie 103
defonologisering 59
degene 159
de-geslacht 107
dentaal 50
der 303
dergelijke 159 195
determinatieve samenstelling 75
dewelke 159
deze 163 195
deze en gene 167
deze of gene 167
dezelfde 160 195
dialect 20
-en in Nederland 22 25
die 163 195
die tegenover wie 162 163
diegene 159
dies 164
Diets 20
diezelfde 195
diftong 45
diminutief 111 124
diminutiefsuffix 111
denominatieven 147
directe rede 264
dissimilatie 57
dit 163 195 302
doch 179 180
doen 206 291
du 155
duratief accent 61
duratief aspect 132 289
durven 139
dus 173
dusdanige 159 195
duur 62
Duuts 20
dynamisch accent 61 62
echter 173 174
eenelk 166
een en ander 167
eenheid in de spelling 306
eenieder 166
een iegelijk 166
een of ander 167
eenzelfde 160
eerste zinsdeel 227 238
eigennaam 99 107 109 110 188
eindstuk 226 246
[p. 346]
eindstuk tegenover middenstuk 236
ontbreken van het - 233
eindstuk van de bijzin 230
eindstuk van de hoofdzin 229
elisie 65
elk 166
elkaar 158 213
elkeen 166
elliptische zin 241 244 247 268
emfatische vorm van ik 153
emfatische vorm van ik van 'n (ene) 170
en 179 180
en in nevenschikkingen 271
enclise 66
endocentrisch 192 203
endocentrische groep 231
endocentrisch predicerend 260 266
epenthesis 54
epitheton ornans 123 267
er 168 241 242 243
eufemisme 28 283
ethische datief 252
evenals 183 274 275
evenwel 173
exocentrisch 193 216
expiratorisch accent 62
explicatieve genitief 102
explosie 47
explosief 47
extrafonologische variant 50 59
falsetstem 39
fatische laag 60
finaal 258
fluisteren 40
foneem 58 280
foneemvariant 47
foneren 40
fonetiek 37
foniek 37
fonologie 37 58
fonologisering 59
fortis 50
frequentatief 147 291
fricatief 48
Fries 19 21 24
functor 222 223 232 239
functor tegenover woordgroep en zinsdeel 269
functor tegenover zinsdeel 239
functorstuk 163 321 258
gaan 139
gallicisme 31
geaspireerde inzet 40
gebiedende wijs 134 140 144 224 294
gebiedende zin 224 238 240
gedachtestreep 324
gedeeltelijke assimilatie 55
gedekte klinker 44
geen 195
geleed 72 73
geleed of ongeleed 79
gelijk 183 274 275
gelijkmatig accent 61
gene 163
geminaat 57
genitief 78 100 118 212
genitief van zelfst. nw. 195
genitief van lidwoord 188
genitief in voorbepalingen 100
genitief in nabepalingen 101
semantische functie van - 101
genitief van welk 165
genitief van die 164
genitief van deze 164
genitief van pers. vnw. 156
genitief van bezitt. vnw. 156
genitief van het adjectief 212
genitief als nabepaling 196
genoeg 199
genus 107
gemouilleerd 52
Germaans 18 19
germanisme 31
geruis 40
gerundieve betekenis 194
geschreven taal 18 25
geslacht 107
gesloten vocalen 42
gesloten woordklassen 150
gespannen 45
gesproken taal 18 25
getal 140
[p. 347]
gevoelswaarde 28 282 283 285
gevoelswaardegewijs (bijwoorden) 175
gezegde 244
gezegdezin 246
gij 155
glijder 45 48 53
glijdiftong 46
glottisslag 41 49
Gotisch 18
graad van de bepaling 193
grammaticaal onderwerp 243
grammaticale betekenis 280
grammatisch verbindend voegwoord 183
grondwoord 80
gutturaal 51
haakjes 324
haar 303
halfdiftong 46
half indirecte rede 264
halfklinker 49
halfklinkerhalve (bijwoorden) 175
halfklinkerhande (telwoord) 127
harde inzet 41
Hebreeuwse genitief 101
heel 194
helemaal 235
hem 303
hen 303
hen tegenover hun 155
herhaling 233
hervatting 233 267
het 146 155 187 242 302 303
hetgeen 159
het-geslacht 107
hetwelk 159
hetzelfde 160 195
hoedanig 165
hetzij 179 180
hoewel 218
hoge vocalen 42
homofoon 282
homoniem 282
hoofdletter 320
hoofdtelwoord 125 194 202
hoofdzin 223 224 238 241 247
hoofdzin tegenover bijzin 225
hoofdzin met al 233 239
hoofdzin zonder eindstuk 245
Hoogduits 18
Hoogduitse klankverschuiving 21
houden 139
hulpwerkwoord 144 204 294
hulpwerkwoord van modaliteit zonder te 205 209
hulpwerkwoord van modaliteit met te 205 208
hulpwerkwoordvan de lijdende vorm 206 208
hulpwerkwoord van tijd 131 205 208
hulpwerkwoord van aspect met te 205 208
hulpwerkwoord van aspect zonder te 205 208
samenvatting van de -en 207
hun 303
hun tegenover hen 155
ieder 166
iedereen 166
iemand 166
iets 166
immutatieven 131 147
imperatief 134 143
zie ook gebiedende wijs
imperatieve samenstelling 76
imperfectum 142
inchoatief 291
indien 218
indirecte rede 264
Indo-europees 19
Indogermaans 19
Indokeltisch 19
infinitief 130 144 146 194
zie ook onbepaalde wijs
infinitief als kern in ww. groep 207
infinitiefconstructie 146 192 212 216 221 241 244 247
infinitiefsgroep 194
Ingvaeoons 19
inhoud en vorm 279
intensief 147 291
intercalatie 264
interjectie 93
intonatie 60 61 232 237
intransitief 145 243
inversievraag 224
inwendige assimilatie 54
[p. 348]
inzet 40
irrealis 143 295
isoglosse 21
isoglossenkaart 25
isolering
syntactische - 70
iteratief 291
jou - jouw 157
Kaaps-Hollands 26
kern 192 193 219
kern van werkwoordsgroep 204
kernfoneem 60
klankgroep 53
klankleer 37
klapper 47
klasseverhuizing 91
klasseverhuizing van tussenwerpsels 94
klinker 40 41
Kollewijn (spelling) 307
komma 323
kommapunt 323
koppelteken 321
koppelwerkwoord 144 204 244
kopstem 39
laatste zinsdeel in het middenstuk 236 246
labiodentaal 50
labialisering 56
lage vocalen 42
laryngaal 50
larynx 38
laten 206
leenwoord 27
leestekens 323
leggen 139
Lehnübersetzung 31
Lehnübersetzunglei (telwoord) 127
lenis 50
lettergreep 53
verdeling in -en 309
letterwoord 75 90 114
lexicale betekenis 70 281
lidwoord 106 178 186 195
lijdende vorm 204 242
lijdend voorwerp 235 236 247
lijdend voorwerp tegenover voorzetselvoorwerp 254
lijdend voorwerp tegenover meew. vw. 252
lijdend voorwerp bij oneigenlijk werkw. gezegde 249
lijdend voorwerp als voorzetselconstr. 248
lijdend voorwerplijks (bijwoorden) 175
lijdend voorwerplings (bijwoorden) 175
liquidae 50
logisch onderwerp 243
logisch verbindend voegwoord 183
lokaal 258
loos onderwerp 243
los 50
maar 173 179 180
mannelijk 299
Marchant (spelling) 307
medeklinker 40 46
articulatieplaats van -s 50
overzicht van de -s 52
mediae 51
meer 173 174
meervoud 96
meervouds-n bij niet zelfst. nw. 315
meewerkend voorwerp 236 250
meewerkend voorwerp als substantiefsgroep 236 252
meewerkend voorwerp als voorzetselconstr. 236 252
meewerkend voorwerp tegenover lijdend vw. 252
men 166 213
menig 169
menigeen 166
metafoor 286 287
metathesis 57
metonymia 286
Middelnederlands 25
middenklinkers 43
middenstuk 226 234
middenstuk tegenover beginstuk 236 238
middenstuk tegenover eindstuk 236
middenstuk of uitloop 234
middenvocalen 42
mits 218
modaliteit 177 259 292
moeten 138
mogen 138
[p. 349]
momentaan aspect 289
monomorfematisch 70
morfeem 70 79
morfologie 71 72
morfologische eigenschappen 91
morfologische eigenschappenvan bijwoorden 175 176
morfologische eigenschappen bij pers. vnw. 156
morfologische valentie 72 80 93
morfologische valentie van het telwoord 128
morfologische valentie van het tussenwerpsel 94
woorden zonder - 150
musische laag 61
mutatieven 131 146
muzikaal accent 61
'n 169 195
naamkunde 110
naamval 103 104
verdwijnen van -en 104
naamvals-n 314 315
naamvalsvormen 314
naamwoordelijk deel van het gezegde 199 213 231 241 244 255 261
naamwoordelijk deel van het gezegde of onderwerp 245 246
naamwoordelijk gezegde 244
naamwoordelijke vormen van het werkwoord 146
nabepaling 193
nabepaling bij substantief 195
nabepaling bij adjectief 200
nabepaling bij voornaamwoord 212
nabepaling bij bijwoord 214
nabepaling bij voorzetselconstructie 215
naglijder 45
nasaal 48 51
nasalering 44 56
natuurlijke stofnamen 110
navorming 27 31
Nederduits 18 20 24
Nederfrankisch 24
Nederlands
Nederlands buiten Nederland 25
Nederlands taalgebied 20
eigenaardigheden van het - 19
geschiedenis van het - 18
invoed van vreemde talen op het - 26
Negerengels 26
Negerhollands 26
Negerspaans 26
neologisme 32
neusklank 48
neusklinker 48
neusmedeklinker 48
neutralisatie 52 60 130
neutrum 106
nevenschikkend voegwoord 178 179 182 218
nevenschikking 252 270
niemand 166
niet 173 174
niets 166
niet alleen... maar ook 181
Nieuwnederlands 25
noch 179 180
nochtans 173
nog 214
nogal 174
noodzakelijk uitloop 231 233
noodzakelijk wederkerend 145
Noordgermaans 18
numerale 123
objectieve genitief 102
objectieve volgorde in hoofdzin 226
occlusie 47
occlusief 47
Oergermaans 18
of 175 183 229 231 241 247 253 262
of(wel) 179 180
ofschoon 218
omschreven vormen van het werkwoord 131
omschrijvend hulpwerkwoord 212
onbepaalde wijs 130
zie ook infinitief
onbepaald voornaamwoord 126 162 166 167 169 170 171
onderschikkend voegwoord 178 181 218 235
onderwerp 235 236 240
ontbreken van het - 240
onderwerp of nw. deel van het gezegde 245 246
[p. 350]
onderwerp als voorzetselconstr. 242
ondoordringbaarheid 125
ondoordringbaarheid van de werkwoordsgroep 209
oneigenlijk werkwoordelijk gezegde 249
oneigenlijke werkwoordsgroep 210
ongedekte klinker 44
ongeleed 72 73
ongeleed of geleed 79
ongespannen 45
onomatopee 95
onovergankelijk 145
onpersoonlijk werkwoord 145
onproduktief 74
onproduktief gevormde verkleinwoorden 112
onscheidbaar samengesteld werkwoord 144
ontlening 27
onregelmatig meervoud 97
onvoltooid tegenwoordige tijd 128
gebruik van de - 141
onvoltooid verleden tijd 129 130
gebruik van de - 142
onzijdig 299
ook 214
oordeelspartikel 173 174 198 201 202 214-216
oorzakelijk voorwerp 255
oorzakelijk voorwerp of bepaling 199 201
Oostgermaans 18
open vocalen 42
open woordklassen 150
optatief 143 295
organische assimilatie 55
overgangsklank 53
overtreffende trap 120 zie ook superlatief
palatum 39 47 51
palataal 43 50 51
palatalisering 56
Papiamento 26
Papiaments 26
paragoge 54
participium praeverbale
partiële assimilatie 55
partitieve genitief 102
passief 242
perfectief aspect 290
perfectum 138 142
persoon 140
persoonlijk voornaamwoord 153 168 170
persoonsnamen 110 114
persoonsvorm 224
plaats van de - 223 224
persoonsvormconstructie 192 219 222 223
persoonsvormconstructie in bijzinsvorm 197
persoonsvormconstructie in hoofdzinsvorm 198
plaats
plaats van het onderwerp 241
plaats van het nw. deel van het gezegde 244 245
plaats van het meew. vw. 251
plaats van het lijdend vw. 247
plaats van het voorzetselvoorwerp 254
plaatsingsregels in de werkwoordsgroep 207
plaatslijdendvoorwerp 236 243
plaatsnaam 114
plaatsonderwerp 168 228 241 242 246
plegen 139
pleonastisch 123
ploffer 47
plurale tantum 99
pluralis majestatis 154
pluralis modestiae 154
plusquamperfectum 143
possessieve datief 252
possessieve genitief 101
possessieve samenstelling 76
potentialis 143 295
predikatief gebruik 116 119
predikatief gebruik van telwoorden 127
predikatieve genitief 102
predikatieve toevoeging 259 266 267
prefix 80
prepositie 184
presens 141
preterito-presentia 138
[p. 351]
preteritum 138
proclise 66
produktief 72 74 78
progressieve assimilatie 55
pronomen 151
prothesis 58
provincialisme 24 32
punt 323
purisme 30
pv 224
pvc 224
rangtelwoord 124 125 194 202
rangtelwoord of superlatief 126
recapitulatie in de hoofdzin 238
redengevend 183 272
reductie 65
reductievocaal 65
reductievorm
reductievorm van voornaamwoorden 227 229
reductievorm van pers. vnw. 153 154
reductievorm van bezitt. vnw. 157
reflexief 145
regressieve assimilatie 55
relevante eigenschappen 59
restrictieve bijv. bijzin 197
resultatieve werkwoordsbepaling 248 260
ronding 41
Saksisch 19 24
samen 170 235 261
samengestelde bepaling 200
samengestelde werkwoorden 133
samenkoppeling 79 202
samenstellende afleiding 73 88
samenstelling 74
samenstelling met overgangsklank 72 78
accent in -en 63
produktieve -en 78
samentrekking 181 273 274
samentrekkingsteken 322
sandhi 54
scheidbaar samengestelde werkw. 144 230
scherpe consonant 50
scherpgesneden klinker 44
schuringsgeluid 48
semanteem 70
Siegenbeek (spelling) 307
slechts 173
sonorisch minimum 53
soortgelijke 159 195
soortnaam 108 109 110 113
spelling 305
hoofdregels van de - 308
spellingeenheid 26
spellingwijziging 306
spirant 48 50
spraak
spraak en taal 17
spraakklank 39
spraakkunst
spraakkunst en woordenboek 281
spraakorganen 37
spreekmaat 53
spreiding 41
staan 139
stam 128
stamsuffix 78
standdiftong 46
stellende trap 120
stem 39
stemhebbend 50
stemloos 50
sterke genitief 100
sterk werkwoord
sterk werkwoord wordt zwak 139
stijgend accent 61
stijgende diftong 45
stoffelijk bijv. naamw. 113 117 119
stofnamen 99 107 109 110 113 188
strottehoofd 38
structurele taalkunde 33
structuur 60
stukken van de pvc 225
subjectieve genitief 102
subjectieve volgorde in de hoofdzin 225
subklassen
subklassen van het zelfst. naamw. 105
subklassen van het bijv. naamw. 118
subklasseverhuizing 109
substantief 95
[p. 352]
substantiefsgroep 192 194 213 216 233 235 256 259 260
substantiefsgroep als meew. voorwerp 236
suffix 80
superlatief 117 120 157 176
absoluut gebruikte - 121
omschreven - 121
superlatief of rangtelwoord 126
superlatieve genitief 101
svarabhaktivocaal 53
synchrone taalkunde 77
syncope 55 65
synoniem 282
syntactische eigenschappen 91 92
syntactische eigenschappen van het werkwoord 143
syntactische isolering 70
syntactische valentie 92
syntactische valentie van het tussenwerpsel 94
syntactische valentie van het zelfst. naamw. 105 e.v.
syntactische valentie van het telwoord 125
syntactische valentie van de constr. met te + inf. 222
syntactische valentie van het ongelede adjectief 116
syntactische valentie van het gelede adjectief 116
syntactische valentie van de lidwoorden 186
syntactisch gekenmerkte bijwoorden 172-174
syntactische bijzonderheden van voorzetsels 184
systeem 60
taal
taal in de ruimste zin 17
taal in engere zin 17
taal en spraak 17
taalbeheersing
actieve - 32
passıeve - 32
taalgebied 20
taalgemeenschap 17
taalgrens 22
taalhistorisch onderzoek i.v.m. werkwoordsvormen 137
taalpolitiek 33
taboe 283
tamelijk 174
tautologische samenstelling 75
te 174 185
te + infinitiefsgroep 221
tegenstellend 183 272
tegenwoordig deelwoord 147 148 202 220 221
telwoord 123 162 195
verdeling van de -en 126
telwoord op -en 212
telwoordsgroep 192 202 233
tempo 62
temporeel 258
ten 185
ten einde 185
tenuis 51
ter 185
toevallig uitloop 231 232 233
tijd 140
toevallig wederkerend 145
toevoeging 233
transitief 145 243
trema 322
tussenletter in samenstellingen 315
tussenwerpsel 61 93 239
tussenzin 264
tweeklank 45
oneigenlijke - 46
u - uw 157
Uerdinger linıe 21
uitbreidende bijvoeglijke bijzin 197 268 323
uitgangen 79 80
uitgangen van het adjectief 115
uitgangen van het zelfst. nw. 95
uitgezonderd 181
uitloop 226 231
uitloop of middenstuk 234
uitroepend hulpwerkwoord 207 209
uitroepend voornaamwoord 162 165 171
uitroepteken 324
uitsluitende tegenstelling 272
uitwendige assimilatie 54
uvula 39 47
vaak 176
[p. 353]
valentie
morfologische - 72
syntactische - 72
van 196
vast 50
velaar 43 50 51
velarisering 56
velum 39 47
verbuiging 80
verbum 128
verdichting 79
vergelijking 121
vergrotende trap 120
verholen afleiding 83
verholen samenkoppeling 79
verholen samenstelling 79
verkleiningssuffix 111
verkleinwoord 111
verplaatsingsproef 69 191
vertrouwelijke vorm
vertrouwelijke vorm van pers. vnw. 2e pers. 154
vertrouwelijke vorm van bez. vnw. 2e pers. 157
vervangende tegenstelling 272
vervangingsproef 191
vervoeging 80
verzamelnamen 99
Vlaamse beweging 25
vocalen 40
voegwoord 163 178
voegwoord of bijwoord? 182
voegwoordconstructie 179 192 197 200 213 214 215 216 217 218 231 235 241 244 247 253 256 260
voegwoordconstructie als kern 216
voegwoordelijke bijwoorden 177
voegwoordelijke uitdrukking 182
vol 201
volgorde
volgorde in het beginstuk 227-228
volgorde in het eindstuk 230
volgorde in het middenstuk 235
volgorde in constr. met te + inf. 222
volgorde in de te + inf. -groep 221
volgorde in de inf. constr.
volgorde in de deelwoordconstr. 220
volkomen assimilatie 55
volksetymologie 288
voltooid deelwoord 117 132 144 202 207 220
voltooid deelwoord als bijv. nw. gebruikt 245
voltooid tegenwoordige tijd gebruik van - 142
voltooid verleden tijd gebruik van - 143
voorbepaling 193
voorbepaling bij adjectief 199
voorbepaling bij substantief 194
voorbepaling bij bijwoord 213
voorbepaling bij voegwoordconstr. 216
voorbepaling bij voorzetselconstr. 215
voorbepaling bij voornaamwoord 212
voorglijder 45
voorkeurspelling 318
voorklinkers 43
voorlopig onderwerp 243
voornaamwoord 150 151 182 187 200 241 244 246 247 250
voornaamwoord samenvatting 170
overzicht van de -en 152
voornaamwoord samenvatting tegenover bijwoord 151
voornaamwoordelijke aanduiding 299
voornaamwoordelijk bijwoord 175 196 212 228 230 237 251 253
voornaamwoordsgroep 192 212 217 233 250
voorvoegsel 80
overzicht van de -s 81
voorzetsel 178 182 184
voorzetselconstructie 192 196 200 201 202 212 214-217 232 235 236 237 248 253 256 260
voorzetselconstructie als kern 215
voorzetselconstructie in deelwoordconstr. 218
voorzetselconstructie als meew. vw. 236
voorzetseluitdrukking 185
voorzetselvoorwerp 201 236 253
voorzetselvoorwerp tegenover bijv. bepaling 255
voorzetselvoorwerp of bijw. bepaling 253
voorzetselvoorwerp tegenover lijd. vw. 254
vorm en inhoud 279
vormen
vormen van de zin 223
vormen van het zelfst. naamwoord 95
vormen van het adjectief 115
[p. 354]
vormen van het telwoord 124
vormen van het werkwoord 128 133
vormen van het werkwoord; overzicht 129
vormen van het onderwerp 241
vormen van het nw. deel van het gez. 244
vormen van het meewerkend voorwerp 250
vormen van het lijd. voorwerp 247
vormen van het voorzetselvoorw. 253
vormenvan het oorzakelijk vw. 256
vormen van de bijw. bep. 256
vraagteken 324
vragende bijwoorden 174 175
vragend voornaamwoord 161 164 165 171
vragende zin 224 238
Vries en Te Winkel, De (spelling) 307
vrije bepaling 193
vrije bepaling bij voegwoordconstr. 216
vrije bepaling bij bijwoord 214
vrije bepaling bij voorzetselconstr. 215
vrije bepaling bij voornaamwoord 213
vrije bepaling bij adjectief 201
vrije bepaling bij substantief 198
vrije klinker 44
vrije predikatieve toevoeging 261
vrije variant 59
vrouwelijk 299
vulgarisme 24
vulgarismewaarts (bijwoorden) 175
want 180 181
wat 160 162
wat tegenover dat 162
wat voor 165 195
wat voor 'n 165 195
wederkerend werkwoord 145
wederkerend voornaamwoord 158 170 243 248
wederkerig voornaamwoord 158 170
weglatingsproef 191
weglatingsteken 322
wel 214
welk 164 195
werkwoord 128
werkwoordelijk deel van het gezegde 244
werkwoordelijke constructie 218
werkwoordelijke uitdrukking 246
werkwoordelijk gezegde 244
werkwoordsgroep 192 203 231 244
bijzondere typen van -en 211
typen van -en 203-204
werkwoordsvormen
niet regelmatige - 134 v.v.
betekenis van - 141
Westgermaans 18
Westgotisch 18
wie 160
wietegenover die 162 163
willen 139
woord 69
woord en woordvorm 73
woordaccent 62
woordenboek 89
woordenboek en spraakkunst 281
woordenlijst van 1954 301 307
woordgeslacht 301
woordgroep 191
woordgroep tegenover zinsdeel 192
woordgroep tegenover zinsdeel en functor 269
typen van -en 192
woordgroep met als kern een voegwoordconstructie 192
woordgroep met als kern een voorzetselconstructie 192
woordgroep met woordkarakter 70
woordschepping 90
woordsoort 70 71
overzicht van de -en 91
woordvorm 73 80
Wulfila 18
zachte consonant 50
zachte inzet 40
ze 155 303
zeggen 139
zeker 169
zelf 168 212 235 261
zelf zelf 158
zelfnoem-functie 92
zelfs 173
[p. 355]
zelfstandig naamwoord 95 199 213 215 237 241 244 247 251 259
zelfstandig naamwoord zonder meervoud 99
zelfstandig naamwoord + z'n/d'r 195
zie substantiefsgroep
zelfstandig werkwoord 144 204
zelfstandig werkwoord in de valentie van een hulpwerkw. 210
zich 158
zijn 139
zin 92 223
zinsdeel
zinsdeel tegenover woordgroep 192
zinsdeel in ruimere zin 223 239
zinsdeel in engere zin 222
zinsdeel tegenover functor 238
zinsdeel tegenover woordgroep en functor 269
zinsdeelstuk 163 261
zinsvalentie 92
zinsvalentie van het werkw. 144
zinsvalentie van bijzin 225
zinsvalentie van bijwoorden 173 174
zo 218
zoals 183 274 275
zodanige 159 195
zo'n 160 195
zoom 39
zowel 179 180 181
Zuidafrikaans 26
zulk 195
zulke 160
zullen 138
zwakgesneden klinker 44
zwakke genitief 100
zwakke werkwoorden 138
zwakke werkwoorden worden sterk 140
prepostterug  begin