terug  begin  verder
[p. 35]

Het geval Douwes

Er is veel stil gedragen leed. Er is veel waarvan men denkt dat het stil gedragen leed is, maar in werkelijkheid is het maar doffe routine. En dan is er ook nog stil gedragen leed waar men het tegendeel ziet. Soms eindigt dat leed plotseling en pas dan ontdekt men het en gaat erover piekeren en praten. Zoals over ‘het geval Douwes’. Meneer Douwes was een klein, onbetekenend mannetje. En zijn vrouw was een bazige reuzin. Pas als je je een beetje in hun toestand verplaatsen kon, kreeg je een idee van de lafheid en wreedheid van zulk soort moppen in humoristische tijdschriften. Ze maken zich op een zouteloze manier vrolijk over een van de drie vormen van leed als boven genoemd.

Je moet weten dat zo'n combinatie van klein miezerig mannetje en potige helleveeg in hinderlaag ligt achter menig argeloos begonnen huwelijk. Zoals in ‘het geval Douwes’. Er was een bruidsfoto van ze (dat ding werd later van de muur gehaald, vergeelde snel in een kartonnen doos met kiekjes en verdween ten slotte helemaal), waar je ze zag staan als jonge mensen van een jaar of twintig-twee-entwintig. Dat wil zeggen: mevrouw Douwes zát op die foto. Lieflijk en schoonvormig in een mooie stoel met kromme poten en zo'n hoge, ovale leuning met krullend snijwerk en pluche. Daarachter stond meneer. Hij stak hoog boven zijn vrouwtje uit. Als je goed keek, een beetje onproportioneel hoog. De mop van die foto - wisten een paar ingewijden - was dat meneer Douwes daar op een kistje stond. Hij was namelijk toen al een duim of zo kleiner dan zijn vrouw en ze kon werkelijk niet trouwen op lage hakken, al kwam haar jurk helemaal tot op de grond. Dank zij stoel en kistje was een bevredigend fop-effect bereikt.

Iedereen begrijpt evenwel dat wat in hinderlaag ligt, zich niet foppen laat. Aangezien zij die erin lopen wat je noemt het gefopte haasje zijn. Douwes bleek meer en meer het gefopte haasje. Wie studies maakt van oude portretten en de geschiedenis erachter reeds

[p. 36]

kent, kan zulke portretten altijd knap analyseren. Hij kan bij voorbeeld zien dat mevrouw Douwes in het bezit was van schouders en boezem van een soort dat ontwikkeling van enorme vleesmassa's voorspelt. Het blanke voorhoofd was iets te laag, de wenkbrauwen waren iets te ongunstig naar elkaar toe gegroeid. Het haar liep aan weerszijden van de scheiding je kon haast zeggen Rasputin-achtig naar beneden. Ze hield haar handboeket vast als een vrouw uit het stenen tijdperk haar knots. Meneer Douwes was toen al kippeborstig en zijn hoofdhuid zat een beetje te strak om de schedel. Zijn voorhoofd vertoonde toen al de karakteristieken van een op latere leeftijd langer wordend en in een dunharige schedel doodlopend voorhoofd. Zijn gelaat was wel wat al te argeloos. Toen al.

De hinderlaag voltrok zich ongemerkt. Wie het echtpaar Douwes leerde kennen op de nieuwe standplaats, tien jaar later, wist niet anders of ze hadden er altijd zo uitgezien als op de onsterfelijke plaatjes: een klein, schriel bebaasd mannetje en een wijfjes-gorilla. Ze kwamen nergens en hadden haast geen kennissen. Het was voor gasten nooit prettig om de voordurend bedillerige, vechtlustige stem van mevrouw te horen en het gedweeë ‘ja vrouwtje, ja vrouwtje’ van meneer. Op straat liep zij altijd een eindje voor haar man uit, met haar zwaaiende lichaam ‘opzij’ zeggend en links en rechts de voetgangers van de trottoirs maaiend. Alleen bij het entree in de Soos liepen ze naast elkaar, dat wil zeggen: ze dwong hem aan de arm naast haar te lopen. Ze maakten op de normale wijze gebruik van de vriendelijke invitaties om ‘toch bij hun te zitten’ en zo zaten ze nu eens in deze, dan weer in die kring. Waar ze nimmer in pasten. En waar ze op den duur duidelijk weggekeken werden, omdat mevrouw nooit kon nalaten in de nieuwe kring de oude te beroddelen. Of liever te kapittelen. Roddelen doe je niet op zo'n besliste, geen tegenspraak duldende toon.

Meneer Douwes sprak nooit tegen. Hij beaamde alles wat zijn vrouw zei en deed alles wat zijn vrouw gelastte. Ze vroeg nooit iets. Ook dit was zo'n hinderlaag-karakteristiek die een volslagen succes was. In het eerste jaar was hij met vreugde toegeeflijk en gedienstig geweest, zoals het een jong en verliefd echtgenoot past. Later had hij overdreven gehoorzaamd, omdat hij meende dat zijn vrouw spijt zou krijgen van dat onredelijke gecommandeer. Maar op den duur was het ook maar gewoonte geworden. Dus vond meneer het weer ook maar slecht als zijn vrouw het slecht vond, de tijden ook maar duur als zijn vrouw ze duur vond, de bedienden onhandelbaar dito-dito en de Blanda's ongenietbaar idem-idem.

[p. 37]

Wij, sterke mensen, denken vaak: ik snap niet dat zo'n vent haar niet een keer met een stuk ijzer op haar kop slaat. Of wegloopt. Dat is toch geen leven! Maar filosofen (onder anderen meneer Douwes) weten dat zo iets nonsens is. Alle mensen leven eigenlijk zo onder een ander soort dwingelandij. Een op de miljoen ontkomt eraan. Een op de miljoen is onafgebroken opstandig. En alle anderen hebben van hun eigen slavernij (hun baas, hun werk, hun kinderen, hun chef, hun geloof, enzovoort enzovoort) een zo draaglijk mogelijke deugd gemaakt. Met veel excuserend gemotiveer van slappe redenen. Tenslotte is er immers voor alles wat te zeggen? Onder de last van de verdrukking ontdekt men nieuwe levensgangen; de last wordt zelfs een soort levensbron en bescherming. Zo leven ook maden onder een hoop drek.

Meneer Douwes begoot de planten, meneer Douwes voerde de kippen tot mevrouw ze opvrat, hij bekeek de films die mevrouw mooi vond, hij verplichtte zich tot het volvoeren van erotische acrobatiek als zijn vrouw er trek in had. Daar tussendoor boorde hij als de maden voornoemd zijn genoeglijke levensgangen: hij muisde in boeken, droomde avonturen als een dichter, pikte handig voordelige zitplaatsjes uit in de tram naar kantoor en verrichtte zijn kantoorwerk op een sublieme modelmanier. Hij ontdook spotternijen of schimpscheuten over zijn gehuwde staat zo handig mogelijk en ontdekte een manier om zowel de tirannie thuis als op kantoor op een serene, onberoerbare wijze te dragen.

Eén keer had meneer Kouwenberg, de vrijkogel en djahat van kantoor, hem voor alle anderen in de maling genomen: ‘Ik snap niet dat je je zo laat kleineren door je vrouw. Juist voor jou is de oplossing zo gemakkelijk.’ Meneer Douwes zei niets terug. Alleen zijn trouwe ogen en vriendelijk glimlachende mond zeiden: ‘Zeg het maar gerust, als het je zo'n plezier doet.’ Meneer Kouwenberg: ‘Je naam zegt het al: douw es.’ Men had homerisch gelachen. Meneer Douwes stond klein en gedienstig glimlachend tussen de grote, bulkende kerels. En hij dacht, hij zei maar niet wat hij dacht. Anders hadden ze nog harder gebulkt van het lachen.

Meneer Douwes zocht onvermoeid nieuwe levensgangen in de mestkoek. Hij vond deze: 's morgens veel vroeger opstaan dan zijn vrouw en zelf koffie maken. Het was werkelijk een sublieme, een regale, een majestatische levensgang. Het bezig zijn in de kerkelijk stille achtergalerij met het kerkelijk gedempte licht van de nieuwe dag zonder zonden. De blauwe, warme, gestadige adem van het gasvlammetje onder het pannetje. Het licht kleumend zitten op de

[p. 38]

stijve keukenstoel ernaast met het fijne, maar sterke shag-sigaretje. Het eerste tjilpen van de mussen, bij het snorren van hun schuddende vleugeltjes, de goedmoedige landelijke geluiden uit de kampong achter. De hete, zwarte koffie met zijn fijne gavroches van aroma. Het steelse slurpen in spelende sluiperijtjes. En ver daarbinnen het gedempte geronk van de brontosaurus, zijn slapende vrouw. Het was subliem.

Zijn vrouw had het toch wel goedgevonden. Ook al omdat ze bij het ontwaken haar verse kop warme koffie direct opgediend kreeg. Ook al omdat ze er niet van hield om zo vroeg op te staan. Maar ze had al direct een soort geprikkeldheid over het behagen dat meneer Douwes schiep in zo'n onnozel keukenwerkje. Maar er was niets van te zeggen toch? Mevrouw Douwes broedde niettemin toch wel.

Op de dag voor Hemelvaartsdag (zo iets kan je lang onthouden als treffende bijzonderheid) stond mevrouw ineens in de slaapkamerdeur, terwijl meneer Douwes het pannetje met water op het vuur zette. Haar versleten kimono hing scheef om haar formidabele lichaam; haarpieken staken als stekels uit haar hoofd. ‘Dat is mijn werk,’ zei ze triomfantelijk, ‘mannen horen niet in de keuken. Bemoei jij je maar met je eigen werk. Dat wordt misschien nog beter dan die beroerde koffie die je altijd maakt.’ Ze hoefde hem niet opzij te schuiven. Hij was uit routine al terzijde gestapt. Zijn vrouw versperde hem nu zelfs het uitzicht op het gasstel met haar geweldige brede rug en de armen in de zij. De brontosaurus was ontwaakt. De made wendde zich gedachteloos om, als tastend naar een nieuwe levensgang. Hij stootte tegen de etenstafel. Daarop lag het keukenmes. Het was een enorm slagersmes, puntig toelopend, onbarmhartig geslepen (zijn vrouw hield van grote, zeer afdoende dingen). Hij pakte het mes kalm op met zijn smalle, bleke kantoorhand. Hij draaide zich om. Hij keek naar de enorme pauwen en bloemen op de enorme rug. Hij hield het mes tegen het hartje van de grootste bloem aan. Douw es. Hij douwde het mes glad en gemakkelijk door de kimono, onder het linkerschouderblad door en tussen de ribben, schuins ineens door tot aan het hart.

Hij deed technisch een stap terzijde, beleefd, zoals hij gewend was. Mevrouw zei: ah-ah-ah. Ze viel om als een boom, de etenstafel met een ruk wegschuivend. Meneer Douwes keek verstrooid neer op mevrouw. Ze lag onverstoorbaar als altijd, massief als altijd, met koude ogen als altijd. Het water in het pannetje begon opeens te borrelen. Meneer Douwes kroop weer verheugd verder

[p. 39]

in deze genoeglijke levensgang. Hij deed koffie in een kopje, een schep met kop. Hij deed suiker in het kopje, twee scheppen met kop. Hij draaide de gaskraan dicht en schonk het kokende water in het kopje. Hij roerde de koffie om en ging zitten op de keukenstoel. Hij dronk met kleine, steelse, genietende slurpjes. Zijn neus ademde de aroma-sluiertjes in. De mussen tjilpten en snorden. De brontosaurus lag vredig zonder te ronken.

Na de koffie nam meneer zijn bad, kleedde zich aan en ging naar de tramhalte. Op kantoor nam hij zijn gedweeë, vriendelijke plaats in achter zijn nette schrijftafel. Hij haalde zijn zakken leeg en legde de artikelen op het oude rijtje op de schrijftafel: het horloge, de tabaksdoos, de sigareaansteker, het zakmes, de vulpen, het vulpotlood. Hij begon methodisch te werken aan zijn staten, alleen af en toe even opkijkend om vriendelijk terug te groeten: Goede morgen.

Om negen uur kwam er een inspecteur van politie op kantoor. Hij vroeg direct de chef te spreken in de hoek van de zaal. Die in de buurt zaten, vingen een paar sensationele woorden op: een verschrikkelijk ongeluk. Mevrouw Douwes. In een keukenmes gevallen. Op slag dood. De chef was geschokt. Wilt u het hem maar zeggen? De inspecteur liep op de tenen naar de tafel van meneer Douwes toe. Eh, meneer Douwes? Meneer Douwes keek op. Hij stond direct gedienstig op en keek de inspecteur vriendelijk glimlachend aan. Ik heb een treurige plicht te vervullen, zei de inspecteur. Het is goed, zei meneer Douwes. Arresteert u me maar. Ik heb het wel niet met voorbedachten rade, maar toch in koelen bloede gedaan. De inspecteur trok hoofd en bovenlichaam met een ruk achterwaarts alsof er naar zijn gezicht geslagen was. Zijn mond was wijd open van verbazing. U bent overspannen, zei hij, gaat u maar mee naar huis. Ik ben niet overspannen, zei meneer Douwes vriendelijk corrigerend, maar ik ga natuurlijk wel mee. Neemt u me niet kwalijk. Hij schoof beleefd langs de inspecteur heen en liep met kleine, rustige pasjes naar de uitgang, de inspecteur licht wankelend achter hem aan. Meneer Douwes nam zijn oude, nette, kaki helmhoed van de kapstok en liep naar buiten. Hij wandelde al automatisch naar de tramhalte, maar dat hoefde niet. Er stond een auto klaar. Meneer Douwes stapte keurig in, beleefd doppend naar de andere inzittenden. Ze reden weg.

Men kon niet anders dan hem tot een zeer lichte straf veroordelen. Zijn geestvermogens waren uitstekend in orde. Er was niet eens sprake van koelen bloede. Ik duwde, zo. Het moest een vlaag

[p. 40]

geweest zijn van verstandsverbijstering. De enige die er nog lang last van had, net zo lang tot hij overplaatsing vroeg en kreeg, was meneer Kouwenberg, ook al sprak de rechter hem vrij. Overigens was de hele geschiedenis gauw vergeten. Het was welbeschouwd niet eens een drama. Het was maar een geval.

terug  begin  verder