terug  begin  verder
[p. 108]

Korte vlucht van een ambtenaar

Alleen de A en de Z kon hij eigenlijk nog maar zien van de toetsen van zijn schrijfmachine. Door de ongunstige inval van het licht van zijn werklamp waren de andere toetsen niet meer dan bijtende lichtvlekjes, waar hij nu al zo lang naar had zitten staren dat ze in vier gelederen ergens binnenin zaten. Eerst convergerend naar de ooglens toegestroomd - even tellen: veertig lichtpunten samengetrokken tot een en dan weer gedivergeerd tot veertig punten in het netvlies. Of regenboogvlies? En toen langs een zenuw naar de hersenen. Hoe? Raadselachtig. Natuurkunde is raadselachtig op het moment dat je weet dat het natuurkunde is. De A en de Z. Daartussen is niets en daartussen is alles. De chaos der geschreven wereld. Naar de hel met de geschreven wereld. Zij is ontoereikend en leugenachtig. Zij dwingt hem, Mens, ambtelijke staten te maken van met letters beschreven papier. Geld. Leugenachtig, ontoereikend, raadselachtig. Werken met letters van A tot Z. De hele dag en dan de hele nacht. Voor een beetje meer geld vele dossiers vol leugenachtigheid. Dat is leven. Ik ga naar huis, denkt Vic Andela. Ik ben lang genoeg ambtenaar geweest in mijn leven en lang genoeg vandaag. En het is laat. Hij kijkt op de kalender hoe laat het is. Er staat een grote 10 met daaronder een kleine Januari en daaronder een middelgrote 1947. En het is lariekoek, want het is twaalf uur. Hoor, de klok van de kathedraal slaat twaalf. Natuurkunde. Twaalf concentrische ruimtecirkels duwen de klok door de nacht. Als in de tekening in het natuurkundeboekje. Golven. Oor. Trommelvlies. Zenuw naar de hersenen. Raadsel. Waarom geen dertien slagen? Omdat natuurkunde regeert. De natuurkunde zit vastgelegd aan de ketting van een raderwerk. Zonder vreugde, zonder vrijheid, zonder speelsheid. Dus maakt de natuurkunde twaalf slagen alleen. En daarmee is een koudbloedig vonnis voltrokken, want nu is de avondklok ingegaan en hij kan niet naar huis. De buitenwereld is van hem afgesloten. Hij is geslaagd escapist. Hij is nul. 0.

[p. 109]

Het zwarte veld in zijn regenboogvlies - hoe wonderbaarlijk mooi, regenboogvlies - met de veertig witte lichtpuntjes verschuift naar links en een ander beeld schuift ervoor in de plaats. Van een curieuze vormregelmaat, die moderne techniek verraadt. Met witte lichtpuntjes. Een wonderding in de vlucht der eeuwen. Een nimmer bestaand ding: een telefoon. Natuurkunde. Aan de ketting gelegde natuurkunde. Eerst een mens elders, een hand, een belletje, dan hier de stem. Geen losheid van de ketting, geen vrijheid. Maar ik wil, zegt Vic Andela met dringende stem, ik wil dat de telefoon gaat. Dat de stem komt. Niet het toeval, het aan de ketting liggende toeval, maar de stem van het eeuwig ongebondene. Ik wil.

De telefoon rinkelt.

Hij neemt de telefoon van de haak en opent zijn deur voor de stem.

‘Hallo!’

‘Jij Armand, jij! O, jouw stem! Waarom ben je niet hier, Armand?’

‘Waar?’

‘O, verrukkelijke domoor. Celebesstraat 55 paviljoen. Kán er een ander adres zijn voor jou?’

‘Ik kom.’

Hij legt de telefoon op de haak en staat beradend op. Celebesstraat. Celebes is ver en mooi. 55 is een mooi getal. Paviljoen is tuin, seringen, mysterie. Zo is het. Het is goed. Hij loopt met bedaarde vaste schreden naar de deur toe. Hij gaat de trappen af. Hij staat aan de oever van het gladde, zwarte water dat asfalt heet. Een betja komt aangereden als het vaartuig van Charon. De betjavoerder blijft zwijgend en onbeweeglijk wachten, terwijl Vic hem aandachtig in de ogen kijkt. De man knippert niet met de ogen. ‘Dát is wat zo opvalt,’ denkt Vic, ‘de ogen van een slang. Geen oogleden.’ Pas als hij plaats genomen heeft en wegrijdt, weet hij dat er nog wat anders is aan die ogen: de oogballen zijn zwart en de irissen wit. Melkig wit.

De betja snelt voort door de nacht. Het zachte geknetter van de banden is als fosforescerend schuim langs de kiel van een nachtschip. De nachtkoelte ademt langs zijn wangen als van een vrouw die naast hem slaapt. Achter het zwartkanten profiel van de tamarindebomen snelt Scorpio met hem mee. Als het sterrenbeeld stilstaat, stapt hij uit. De betja glijdt langzaam en onhoorbaar weg. Hoewel Vic het niet gezien kan hebben, houdt hij het beeld vast van de glimlach van de betjavoerder, als een maansikkeltje van ondoor-

[p. 110]

grondelijk plezier. Vic loopt naar het muurtje van het tuinhek. In het hart van dat muurtje is een kwadraatje, waarin een magisch teken staat. Een soort hakenkruis. Het teken Ban. Maar als hij goed ziet, merkt hij dat er 55 staat. Alleen staat de eerste 5 op zijn kop. Boven op het muurtje is een parallellogram. Daarop staat:

Mignon de Rève
Ballet

Vic loopt naar het paviljoen toe. De kree is half neergelaten. Hij duwt de kree opzij en loopt op de half open deur toe. Een vrouw staat voor een lange ovale spiegel in een doorzichtig wit kleed dat tot op haar voeten valt. Ze houdt het hoofd scheef en kamt een waterval van donkere haren. De kam valt uit haar hand. Hartstochtelijk wendt ze zich om en rent op hem toe, het hoofd half opgeheven, de ogen dicht, de mond half open in een lach van zinneloze vervoering. Ze werpt zich aan zijn borst en haar lippen springen naar zijn mond. Vic staat onbeweeglijk onder de schok. Zijn handen voelen door het waas van kleding de koele zekerheid van haar naakt. Daarachter is Mignon de Rève. En hij kent haar niet.

Met een ruk maakt zij zich los. Haar ogen wijd open. Haar mond zegt: ‘Mijn God. Je bent Armand niet. Je bent Armand niet. Ga weg. Ga weg. Ga weg.’ Bij elke kort en ademloos uitgestoten roep doet ze een stap achterwaarts. Ze lacht half en is redeloos bang. Vic zwijgt. Zijn armen zijn teruggevallen. Hij wendt zich langzaam om en verlaat het huis. Er is geen betja. Hij loopt de verlaten straat af, het hoofd op de borst gezonken. Hij loopt heel langzaam. De laatste stap doet hij niet. Omdat er geen weg meer is. Het asfalt is hier afgebroken. De straat is een eiland in de lucht. De in nevels gehulde aarde ligt 555 yacum dieper. De laatste boom ter rechterzijde staat half in het eiland. De wortels tasten als een heksenbezem in de ruimte. Vic is gevangen.

Een plotselinge onzinnige woede springt in hem op. Nu hij zich realiseert wat hij had kunnen weten: er is in heel Batavia geen Celebesstraat. Hij is bedrogen. Escapist-escapade-escapist. Niet dit. Hij wendt zich om en rent met grote hertachtige sprongen de straat af, die ook aan de andere kant is afgebroken. De betjavoerder is weg. Alleen zijn lach is er nog als het maansikkeltje wiegelend boven de verzonken aarde. Hoe zal hij zich wreken?

Met laag langs de grond voortglijdende voeten als een panter gaat hij terug naar het paviljoen met de twee vijven. Onhoorbaar

[p. 111]

loopt hij het erf op. Achter de kree staat nog de deur half open. Mignon ligt op een bank. Haar witte kleed is half weggegleden. Gekronkeld om haar vaste borsten en haar ivoren hals ligt onbeweeglijk een zwarte cobra: haar tot een vlecht gewonden haar. Haar mond is half open. In slaap gevallen bij de A van Armand. En Armand is de chevalier van alle dromen. Vic is met drie snelle stappen naast haar. Hij zal haar doden. Zij heeft Armand geroepen en Vic niet willen hebben. Zij heeft het Leven verlangd; zij zal de Dood krijgen. Zoals een schip dat langzaam langs een kade glijdt, tot stilstand gebracht wordt door de snelle knoop van een tros om een meerpaal, zo komt Mignons leven tot stilstand door de snelle knoop van de vlecht om haar hals. Vics handen doen het werk snel en feilloos. Als hij klaar is, ziet hij dat zijn rechterknie op haar borst rust en dat haar koude ivoren heupen vermoeid rusten tegen zijn onwrikbaar op de grond geplante linkerbeen. De compositie is voortreffelijk, denkt Vic, ik ben de nieuwe Amor.

Hij verlaat de kamer en loopt de Celebesstraat weer af. Ik kan niet lopen, ik moet varen, denkt Vic. Hij loopt terug naar het paviljoen en draagt Mignon op de schouder naar de oever van het eiland. Hij legt haar in het Ledig en zet zich schrijlings op haar neer. Hij zet zich af en Mignon vaart statig weg. De fijne haartjes op de rand van haar voorhoofd wuiven zachtjes. Haar achter bijna geheel gesloten donkere oogleden en wimpers verborgen ogen glanzen mysterieus en tevreden. Haar mond glimlacht raadselachtig zoals alle doden raadselachtig glimlachen. En onbereikbaar. Zij vaart haar eigen vaart. Veel te langzaam. Veel te langzaam. Een onzinnige woede om het eeuwige langzaam gaan grijpt Vic plotseling aan. Hij grijpt de vlecht om ermee te geselen, maar zijn arm is niet vrij. Hij tast naar zijn zakmes en snijdt de vlecht af. Het mes valt kantelend en blikkerend in de diepte. Dan begint Vic met lange, berekende slagen te slaan, links en rechts over. Reeds bij de eerste slag wint Mignon met een ruk aan snelheid. Vic lacht en met elke slag lacht hij vervoerder, het gelaat opgeheven, geluidloos en met schokken. Met elke slag wint Mignon aan snelheid. Haar lendenen gaan aan flarden. Het bloed valt zwart. Sneller en sneller. En op de aarde spatten de bloeddruppels uiteen in vurige amarillen.

De wilder wordende vaart trekt hem uit de rechte baan. Mignon lacht nu met wijd open mond, waarin de tandenrijen glanzen als diademen. Haar ogen zijn wijd open, starend op het woestijnen firmament. Haar kort afgesneden haren wapperen onstuimig als de boegvlag van een boot in de storm, zinneloos klapperend. Vic kijkt

[p. 112]

strak voor zich uit, de strakheid bezetenheid wordend, zoals de lach achterwaarts trekt over de opeengeklemde tanden als een roofdiergrijns. De vaart trekt opwaarts in een parabool. Ze vliegen recht op het maansikkeltje aan, dat eerst een vragend opgetrokken wenkbrauw werd en toen een wit sierpoortje van een Perzische tuin. Waarom moet Vic er doorheen? Hij zal er doorheen. Hij ranselt zinneloos verder met lange, zwepende slagen links over en rechts over. De parabolische baan wordt een schroefbaan. Zij hellen meer en meer over. Naar rechts. Vics starende ogen zien het poortje meer en meer linksom hellen. Een steeds grotere duizeligheid bevangt hem. Zal hij vallen vóór het poortje is bereikt? Als beiden door het poortje snellen, dat nu als een halve hoepel onder hen is, valt Vic. Mignon, geheel gekeerd om haar as nu, vliegt voort als een duikster. Ze heft haar armen voor zich uit terwijl ze voortschiet naar het firmament, een uitroepteken van uiteindelijke verlossing.

Dan begint Vic te kantelen en te kantelen. Beurtelings grijpend naar aarde en firmament als een bezeten harlekijn schreeuwt hij zijn ontzetting uit met bovenmenselijke stem, geluidloos nochtans in de waanzinnige oneindigheid der ruimte. En de vlecht grijpend en drukkend tegen de borst herwint hij equilibrium. De kanteling wordt trager en houdt op. Hij schiet nu als een projectiel door de ruimte, de benen gestrekt, de handen tegen de borst gedrukt. De razende wind gilt als een sirene om zijn oren en ontwart flardend de vlecht, wier haren radeloos sidderen en slaan om zijn verstrakte lichaam. De snelheid spint fosforescerende draden uit zijn schouders en doet om de hoeken en kanten glanzende lichtjes ontstaan als sint-elmusvuur.

De aarde stort op hem toe. Maar bevreest hem niet. De aarde is jade-groen en als een zachte bruid in de tule van damp en dauw gehuld. De aarde zal hem niet kwetsen, maar zacht ontvangen. En langzaam verandert de rechtlijnige voortbeweging van Vic in de curve van een asymptoot. De laatste seconden van zijn vlucht gaat hij horizontaal langs het land, ritselend langs de grastoppen. En als hij tot stilstand komt op een lichte glooiing van het veld, is zijn aanraking zo licht als van een vogel.

Vic blijft een tijd lang onbewogen staan. Zijn ronde gele ogen kijken begrijpend in twee werelden. Dan sluit hij de ogen en begint met zijn zwarte snavel zijn zwarte veren glad te strijken. Hij doet dit zorgvuldig en met ernst. Als hij weer opkijkt, ziet hij één wereld. Onderzoekend rondkijkend ontwaart hij eindelijk in het wazige licht als van een zwarte parel het dubbele torensilhouet van een

[p. 113]

verre kathedraal. Zonder te weten waarom slaat hij zijn wieken uit en vliegt erheen. In een rechte lijn. Hoe meer hij de kathedraal nadert, hoe onrustiger hij wordt. Hij roept enkele malen. Onzeker, angstig, onheilspellend: zwarte brokstukken stem in de nacht. In sommige huizen, waar hij overheen vliegt, worden de mensen wakker. Zij horen zijn roep en een plotselinge redeloze angst grijpt hen aan. ‘Wie gaat er sterven?’ vragen zij zich af, ‘ik?’ Zij zijn zeer verdrietig omdat zij beseffen hoe onzeker het leven is en hoe zeker de dood. Zij draaien hun kussen om, om in elk geval geen slechte dromen te hebben, en slapen weer verder.

Als Vic dicht bij de kathedraal is, zwenkt hij opeens naar links. Hij vliegt op een eenzaam, verlicht venster toe. En zet zich op het kozijn neer. Voor hem staat een stoel. Ook is er een tafel. Waarop een schrijfmachine en een telefoon. Met één wiekslag is Vic op de stoel.

En als hij met zijn hoofd bonst op de tafel, weer en weer, denkt hij: ‘Ik moet niet dromen maar slapen. Niet dromen maar slapen. Niet dromen maar slapen.’ Dan zit hij recht en bezint zich zo kalm als hij kan. ‘Waarom,’ denkt hij dan, ‘heb ik óf dit stupide werk met abc óf de droom? Ik hoef toch niet? Ik kan toch weg? Ik zál weg. Ik ben vrij.’

Op een merkwaardige wijze ziet hij dit met een klaarheid als nooit tevoren. ‘Ik ga nu slapen,’ prevelt hij, ‘en morgen ga ik weg.’ Hij staat op en loopt naar de schakelaar. Zijn laarzen roepen ver en luid naar de verste hoeken van de grote kantoorruimte. Vele echo's komen onherkenbaar verminkt terug en brokkelen uiteen. De duisternis springt als een zwarte panter op de kantoorlamp toe en verslindt haar. In de volkomen duisternis loopt Vic rustig naar zijn stoel terug, gaat zitten en legt het hoofd te rusten op de gekruiste armen. In het geloei der muskieten gaat de aarzelende stem van zijn bewustzijn spoedig verloren. Hij slaapt.

terug  begin  verder