De bedelaar liep de Kooa Minami Don (zoals de Theresiakerkweg in de Japanse tijd en korte tijd daarna nog heette) af in een tempo zoals hij al in geen maanden gewend was. Dat kwam door de wind in de rug, de gure, barse wind van de westmoesson. Bij de grote cementen vuilnisbak iets voorbij de kerk gekomen stopte hij zonder er eigenlijk erg in te hebben, maar zijn neus nam direct de zurige rotte lucht waar van bedervende etensresten en stuurde meteen zijn benen linksaf de smalle opening binnen tussen de drie voet hoge muren. Hij hurkte neer om het vuil aan een nauwgezet onderzoek te onderwerpen. Met een krampachtige schrikstuip sprong een straatkat weg als een plotseling tot leven gekomen vuilfragment, maar bleef dan gemelijk op het muurtje toekijken. De kat zat vol kale vlekken, het haar was onregelmatig as- en roestkleurig en er kleefden vuilkorsten aan. Eén gemeen toegeknepen oog keek de bedelaar dreigend aan, het andere was uitgestoken en vertoonde slechts een bloedend, rood gat. De typische staartknop van alle straatkatten zag er bij deze kat uit als een kwaadaardige tumor. De bedelaar keek naar de scherpe witte tanden van de kat en naar de vlijmscherpe kromme nagels. Hij greep een tak en sloeg ermee naar de kat. Die ruimde verder het veld zonder protest, liet zich onhoorbaar vallen aan de andere kant van het muurtje en ging verder, lopend met de verminkte gratie van een gewonde panter, schuw sluipend en met de magere ribbenkast schuivend langs de bomen en de muurtjes aan de straat.
De bedelaar beschouwde aandachtig de inhoud van de vuilnisbak: bladeren, schillen, leeggelikte conservenbusjes, bloederig en vuil verband, papierproppen, kledders vale en onherkenbare etensresten, zurig en vol vliegen. Met een stokje begon hij dan te wroeten in de vuilnishoop, terwijl de vliegen in kleine zwermpjes telkens geduldig verhuisden, maar er kwam niets eetbaars te voorschijn. Hij had niets anders verwacht en was dus ook niet teleurge-
steld. Opeens merkte hij zelfs dat hij zich prettiger voelde dan zopas en hij ontdekte dat dit kwam omdat hij neergehurkt zat buiten de gure wind en zelfs betrekkelijk warm en knus bij dit broeiend en gistend vuil. Hij besloot hier voorlopig maar te blijven en vouwde zich zorgvuldig op in een hoekje, de knieën opgetrokken tot de kin, zijn kleren - een paar flarden jute - koesterend over de buitenste naaktheid vlijend. Langzamerhand kwam hij weer in die merkwaardige half-dromende toestand, die hij in de laatste weken al vaker ervaren had. Een aangename toestand, waarin zijn lichaam noch in- noch uitwendig enig gevoel meer scheen te hebben. Zijn gedachten maakten zich nu gemakkelijker los van de martelende visioenen van enorme schotels kip, vlees of vis en zweefden vrij en ongestuurd over schone steden en landouwen met wonderlijke nimmer geziene bomen, met mooie blanke vrouwen, die beminnelijk lachten, en mooie welvarende mannen, die vriendelijk knikten en groetten.
Alleen de steeds venijniger wordende pijn in zijn zitvlak slaagde erin deze toestand regelmatig en steeds vaker te doorbreken. Het was geen nieuw gevoel. Aangezien hij sinds lang geen vlees meer had op zijn karkas, zat zijn stuitje gauw door het magere vel heen en dat deed toch wel pijn. Weliswaar had zich op den duur een eelt- (en misschien wel hoorn-) laagje gevormd in de huid over alle uitsteeksels, maar dat hielp niet veel. Op het laatst trok de bedelaar de conclusie dat hij op iets bijzonder hards en onregelmatigs moest zitten en hij tilde zijn stuitje van de grond, met beide handen het vuil onder zich weggrabbelend. Toen ontdekte hij tot zijn onmeetbare vreugde de kluif. Het was een grote en glad afgeknaagde kluif, die vrij vers rook. Hierbinnen, wist de bedelaar, zat merg. Dik, vet, bloederig, voedzaam en zeer smakelijk merg.
De droomsfeer verdween op slag en maakte plaats voor de scherpe pijn van de messen van de begeerte, die hem door de maag, het brein en de ledematen sneden. Sidderend tastten zijn handen de kluif af, die zwaar was, solide en ondoordringbaar als een harnas. Zijn gedachten vlogen zijn handen vooruit, hadden de kluif reeds opengebroken en waren bezig met een stokje de lillende brokjes merg op te lepelen. Zenuwachtig begon de bedelaar met de kluif op de rand van de cementen bak te slaan, maar hij moest harder slaan om het pantser te breken. Hij draaide zich krampachtig om naar de muur toe, omvatte de kluif aan één eind met beide handen en sloeg steeds feller op de muur. Maar brokken cement en metselkalk, ja zelfs splinters bloot komende baksteen vlogen van de muur af en de kluif bleef heel.
Daarbij kwam dat zijn handen en armgewrichten geweldig pijn deden en de inspanning het laatste restje van zijn krachten snel verteerde. Even later zakte hij uitgeput en duizelig in elkaar, wist nog met moeite zijn oorspronkelijke houding in het hoekje te hernemen en begon toen met het lange wachten tot de duizeling voorbij zou zijn. Zijn handen bleven de kluif zo krampachtig vasthouden dat zijn knokkels even wit zagen als het been zelf.
Toen de bedelaar na enige tijd de ogen weer opende, herstelde het beeld van de vuilnisbak zich pas na verscheidene mis-focussingen, omdat intussen ook een storende wijziging in het beeld gekomen was. Eindelijk wist de bedelaar wat zijn ogen waarnamen: de gedaante van een hond, die in de ingang van de vuilnisbak stond en kwijlend de kluif fixeerde. In alarm ontwaakte de bedelaar nu helemaal en hij maakte driftige, verjagende bewegingen naar de hond. Maar hij merkte dat zijn armen maar tot een drietal flauwe, krachtloze gebaren in staat waren. De hond was niet bang en keek. De bedelaar werd bang en met grote inspanning slaagde hij erin de kluif tegen zijn borst te drukken en te bewaken met zijn messcherpe schenen. De hond keek aandachtig naar de bedelaar en de kluif. Zijn ogen knipperden niet. Hij keek naar niets anders in de vuilnisbak. Toen ging hij geduldig op zijn buik liggen en bleef oplettend de bedelaar aankijken.
Het was een ongelooflijk magere hond, bijna net zo mager als de bedelaar, maar zeker vuiler. Hij was overdekt met littekens, waar het haar naast de kale plekken stijf overeind stond. De hond had de schutkleur van vuilnisbakken. Zijn grote, spits toelopende oren waren kaal en gekerfd en bedekt met brokkelige roofjes. Zijn staart leek op een grote rattestaart. Maar zijn bek was warm en rood en zijn tanden waren porseleinwit en vlijmscherp. De rode tong bewoog zich kwijlend en behoedzaam tastend in de bek heen en weer. De ogen keken rond, groot en oneindig schrander naar de bedelaar. Deze keek de hond eveneens strak aan. De twee lichamen schenen geheel te verstarren en het leven af te staan aan twee paar ogen, die een gesprek begonnen te voeren:
‘Scheer je weg, gladakker! Terstond! Of ik zal je kastijden!’
‘Vanwaar deze verbolgenheid! Ik heb toch niets misdreven?’
‘Je kijkt begerig naar mijn maaltijd en aanmatigend naar mij. Vergeet niet dat je hond bent.’
‘Ik neem de voorgeschreven afstand in acht en de voorgeschreven houding: liggend aan de voeten van de meester, wachtend tot hem wat toegeworpen wordt.’
‘Maar je weet dat ik je niets toewerpen zal. En daarom wil je nu zeker belachelijke aanspraken laten gelden.’
‘Ik heb grote honger.’
‘Ik vérhonger. Er zal geen kruimel voor je overblijven. Bespaar je de moeite van het wachten en ga heen.’
‘Ik ken de mens. Hij kent meelij. Hij laat altijd wel wat over.’
‘Het is gewoonweg belachelijk! Je denkt toch niet dat barmhartigheid een natuurlijke eigenschap is van de mens? Hoe zou ik anders kunnen verhongeren?’
‘Waar wij dus gelijk zijn, laat ons delen.’
‘Je bent krankzinnig! Het recht van bezit blijft. Deze maaltijd is van mij - van mij - van mij!’
‘Nee, het bezit van de maaltijd is het recht van de sterkste.’
‘Dat ben ik! Waag het eens mij dat te betwisten.’
‘Waarom twisten als wachten beter is? Wij honden hebben altijd moeten wachten. Wij zijn sterk in het wachten.’
‘Ondankbare! Wordt zo de liefde en barmhartigheid van eeuwen beloond?’
‘Ik wacht.’
‘Is het niet mogelijk éénmaal barmhartig te zijn in ruil voor de miljoenen malen dat wij barmhartig zijn geweest?’
‘Ik wacht.’
‘Wees genadig. Wilt u mij deze maaltijd gunnen? Ik zal u straks belonen. Ik zal u van mijn maaltijden een rijk deel afstaan. Ik zal er als alle andere mensen voor werken als een beest en u hoeft slechts thuis te zitten als een heer. Maar gun mij deze maaltijd. Deze ene stap naar het leven terug.’
‘Ik wacht.’
De bedelaar sprak niet langer. Hij had gedurende het gesprek het gelaat van de hond langzaam zien veranderen. Van kruipende slaaf naar nimmer overwonnen roofdier. De bek was groter dan de schedel. De tanden waren sterk, wit en vraatkrachtig gebleven. Deze bek kon nog overvloedig etensbereid kwijlen, terwijl zijn eigen mond droog was, het vlees door pellagra verscheurd, de tanden los en brokkelig in de tandholten. Hij was overgeleverd aan de genade van de hond. Maar er was iets wat hem oneindig veel meer angst inboezemde. De hond scheen niet over vechten of genade te denken. Voor hem was het bezit van de kluif slechts een kwestie van tijd. Hij scheen met een soort beangstigende clairvoyance iets te zien dat hem veroorloofde over het bezit van de kluif te beschikken alsof de bedelaar verder niet bestond. De bedelaar werd door een
plotselinge woede overvallen. En door een bezetenheid om de hond te overwinnen. Als dronken zwaaiend werkte hij zich overeind uit zijn hurkhouding en kwam op de knieën te liggen voor het muurtje. Een golf van zwakheid sloeg weer misselijkmakend door hem heen, maar steunend als een dier herwon hij zijn evenwicht en zijn bewustzijn. Dan begon hij met de kluif op het muurtje te slaan. De hond bewoog zich niet; zijn schrandere en helder ziende ogen bleven belangstellend op de bedelaar gericht. De bedelaar verdubbelde het geweld van zijn slagen en het geweld zette zich om in een soort kramp, die hem geheel verslond. Huilstoten schoten op uit zijn middenrif, een droog en vlokkig schuim kwam hem op de mondhoeken, zijn gekromde lichaam sprong op en neer als door elektrische schokken getroffen. En opeens brak de kluif met een heldere en droge knap.
De bedelaar verloor het evenwicht en viel schuins voorover tegen het muurtje aan. Het leek alsof zijn ledematen en lichaam zich toevouwden als van een geslachte kip na de laatste stuiptrekking. Zijn ogen staarden in een vreemde intensiteit naar de lillende mergeindjes, als probeerde de bedelaar het geheim ervan te doorgronden. Maar hij was al weggegleden in die oude droomtoestand, zijn ogen schouwden verder en verder. De landouwen en steden schoten onder hem voorbij, de geest steeg hoog uit boven de vang der taferelen, ongekluisterd en vrij. Zijn lichaam bleef achter in een coma.
De hond bleef geduldig zitten wachten. Ook al zei zijn verstand hem dat deze mens nu volkomen ongevaarlijk was en in feite bezig de weg te volgen die hij hem een halfuur tevoren reeds had zien opgaan, maande het oor - dat nog steeds een gebroken reuteling waarnam - hem aan rustig te wachten. Toen hij ten slotte niets meer hoorde, stond hij rustig op, liep behoedzaam naar de bedelaar en pakte met voorzichtige kaken het losse stuk kluif weg tussen de verstarde armen. Hij legde zich een eindje van de bedelaar - maar nog steeds in de vuilnisbak - neer en begon ijverig en met overleg de kluif leeg te likken en te zuigen. Toen hij daarmee klaar was, haalde hij het andere stuk op, het met christelijke reverentie wegtrekkend uit de kokers der verstijfde handen. Met dit brok ging hij als uit schaamde buiten de vuilnisbak zitten.
Het lijk werd pas de volgende morgen gevonden en de gemeentelijke gezondheidsdienst stuurde een auto om het stoffelijk overschot van de zwerver weg te halen. Er stonden verscheidene mensen te kijken toen de auto aankwam. Er kwamen twee mannen uit,
die even bij het lijk stonden te kijken en een paar onhoorbare opmerkingen wisselden. Daarna gingen ze naar de auto terug en haalden er een tikar en enkele stukken touw uit. De touwen legden zij in een dubbel kruis voor de vuilnisbak neer, daarna legden ze de tikar erop en trokken grote wijde handschoenen aan tot aan de ellebogen. Even stonden zij tegenover elkaar als kampvechters voor een bijzonder gevecht, dan liepen zij sullig de vuilnisbak in, pakten de zwerver op en droegen hem naar buiten, waarbij de zwerver zijn gekromde houding handhaafde en een opgerolde miereneter geleek. De mannen legden het lijk op de tikar; zij wrongen de biddende handen van elkaar en drukten ze naast het lijf. Daarna trokken ze de benen recht, waarbij één man schrijlings over het lijk ging staan en de knieën naar beneden drukte, terwijl de andere man aan de voeten trok. De ogen waren open, maar kleurloos en glazig als mica. De mond was open, maar niet op de wijze die stem voortbrengt. Er was alleen een toevallige gelijkenis met een mens.
Met behendige bewegingen vouwden de mannen dan de tikar over het lijk toe en bonden de touwen vast, zodat het leek of er een grote loempia voor de vuilnisbak lag. Vervolgens pakten de mannen het pakket op aan hoofd- en voeteneinde en droegen het naar de auto. Ze liepen daarbij zó licht, dat het leek alsof het pakket leeg was. Ook boog het pakket niet door. De twee achterdeurtjes van de auto werden opengeklapt. De voorste man legde het pakket behendig met de voorkant op de bodem van de laadruimte en de achterste man liep gewoon door, het pakket voortschuivend tot het geheel in de auto lag. Toen werden de deuren van de auto dichtgeklapt, de mannen trokken hun handschoenen uit en staken een sigaretje op. Monter stapten ze in en monter reed het autootje weg. Als een bestelauto.
De toeschouwers gingen uiteen. Niemand keek naar de kluifhelften, één in en één buiten de vuilnisbak. Ze lagen daar brandschoon en kraakhelder, wit als ivoor van binnen en van buiten. Zelfs de hond keek er niet meer naar om. Die zat op een afstandje toe te kijken, een beetje oplettend en een beetje slaperig. Hij hief zijn kop ten hemel alsof hij huilen wou, maar misschien bedacht hij dat het nu toch al te laat was. Dus gaapte hij alleen maar, stond dan op en liep in gedachten weg, de rattestaart naar beneden, de heupen overdreven bewegend als in lui verweer tegen die ijverige achterpoten. Maar even later werden de bewegingen ritmischer en vlugger. De hond ging over in een sukkeldrafje. Hij stak zijn staart nu opgewekt in de lucht, het geplukte staartkwastje wuifde in de
wind. Je zou zo verwachten dat hij elk ogenblik zou kunnen losbarsten in een vrolijk geblaf. Er was geen gure wind meer nu. De zon scheen monter en er waren nog vele vuilnisbakken waar hem zeker een gulle mensenmaaltijd zou wachten.