Er was eens een jonge planter. Hij was vers uit Europa en beheerde de afgelegenste onderneming op de hoogste bergen van Sumatra. Hij was vorst over vele bruine mensen. Hij moest wegen voor ze aanleggen, bruggen bouwen, bevloeiingen tot stand brengen en dorpen scheppen. Op zijn gezag groeiden honderdduizend koffiebomen vol rijke belofte. Te midden van een golvende oceaan van rimboereuzen over duizend bergtoppen.
Hij leerde nieuwe talen spreken. Hij leerde jagen. Hij leerde vele nieuwe vormen van leven kennen en nieuwe vormen van geloof.
Hier was nooit winter. Het enige winterlandschap dat zijn oog zag, was de koffietuin in geurige bloei. De hemel was altijd azuur. De aarde vol vlinders. Hier waren geen beperkingen. Hij was onbeperkt en gelukkig koning. En schooljongen tegelijk.
Hij had een groot huis voor zich alleen. Daar woonde hij met een sneeuwwitte papegaai. Als hij thuiskwam van zijn dagtaak en zijn eenvoudige maaltijd met smaak verorberde, zei hij luidop: ‘Lekker.’ Als hij daarna in zijn lekkere rotan stoel uitrustte, zei hij: ‘Lekker.’ Als hij zijn zelfgeschoten wildbraad at, zei hij: ‘Lekker.’ Alles was lekker. Het was het enige woord dat hij sprak omdat er niemand anders was om mee te praten thuis. En na een poos zei ook de papegaai: ‘Lekker.’ En ook voor de papegaai was dat het enige woord dat hij altijd sprak.
De planter kreeg soms brieven uit zijn vaderland. Die waren vervelend en klein. Hij schreef weinig terug. Op een dag kwam er een ander soort brief. Van een bijna vergeten schoolvriendin. Er was poëzie en droom en verdriet in die brief. Er kwam een regelmatige briefwisseling, die eindigde in een huwelijk met de handschoen. Hij haalde haar af van de boot en zag niet hoe geblanket en opgemaakt ze was. Hij was immers al zo lang weg uit het leven van toen.
De eerste dagen waren gelukkig. Maar toen zag ze in dat ze zich
vergist had; dat hij haar bedrogen had. Dit was geen lusttuin en geen paradijs. Dit was een gevaarlijk stuk wildernis, eentonig en arm. Ze kon niet slapen van het schreeuwen van de apen in het bos; ze was bang voor slangen en tijgers en klein ongedierte. Ze kon geen talen leren en ze miste haar eigen blanke mensen. En hun straten en bioscopen en bars. Dus moest ze steeds vaker naar de grote stad om op te knappen. En bleef steeds vaker steeds langer weg. De planter vernam vreemde dingen van haar uit de stad. En verstootte haar.
Toen was hij weer alleen. Maar nu voelde hij dat hij alleen was. Hij liep vaak wrokkend en troosteloos rond en keek gramstorig naar zijn papegaai, de enige die nog zei: ‘Lekker!’
Tot hij op een dag in een van de koffiepluksters ook een vrouw ontdekte. Een vrolijke, zorgeloos lachende jonge vrouw. Hij zorgde ervoor dat ze bij hem thuis kwam werken. En haar man stuurde hij naar de verste tuinen. De vrolijke dagen kwamen terug en hij zei heel vaak: ‘Lekker!’ Al was het een ander soort lekker en dronk hij nu veel. Waarom wist hij niet. Maar hij deed het.
Vaak bleef hij nu van de tuinen weg en speelde thuis met zijn koffieplukstertje. Tot op een dag de deur werd opengestoten en de man daar stond. Met in zijn hand de vervaarlijke boeloe ajam, het zware kromme hakmes. De planter kon nog net de linggis grijpen, die altijd naast de deur stond. En terwijl de vrouw schreeuwend vluchtte en de papegaai ‘Lekker!!’ schreeuwend aan zijn ketting rondfladderde, vochten de mannen met elkaar op leven en dood.
De dood kwam het eerst voor de Madoerees, die met verbrijzelde schedel neerviel. Pas toen voelde de planter hoe het warme bloed hem in golven van hoofd, nek en schouders liep. Het schemerde hem voor de ogen en hij wankelde achteruit tot tegen de muur en zakte ineen tot een dwaze zittende houding. De papegaai kwam tot kalmte, schudde zijn veren en zei: ‘Lekker!’ En nogmaals: ‘Lekker!’
De planter kwam tot zichzelf. Zijn duizelige ogen zochten de papegaai, terwijl zijn rechterhand naast zich tastte en het jachtgeweer vond, dat geladen netjes in het geweerrek stond. Hij greep het geweer en schouderde het en mikte op de papegaai. Hij werd steeds duizeliger en zijn geweer schreef vreemde letters in de lucht, maar één ogenblik lagen vizier, korrel en vogel in één lijn. Hij haalde de trekker over.
Het was een kaliber .12, geladen met grof hagel. De afstand was kort. De papegaai werd compleet weggeblazen. Kijk, het sneeuw-
de weer. Net als toen. Aan de ring bungelde het papegaaiepootje aan een ketting. De planter was tevreden. ‘Lekker,’ zuchtte hij, terwijl hij langzaam voorover klapte, ‘lekker.’